RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59138
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank de beoordeelt rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 oktober 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Bourik als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.2 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.3 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.4 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.5
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De gronden zijn voorzien van de vereiste feitelijke dan wel nadere toelichting. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.
5. Eiser voert aan dat de minister in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Zo heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij homoseksueel is, zijn vader een dictator is en dat eiser bij terugkeer naar Algerije in het leger zou moeten. De minister heeft deze informatie onvoldoende betrokken in de motivering waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan, aldus eiser.
Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.6
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De verklaringen van eiser zien op het door hem gestelde risico bij terugkeer en zijn daarom relevant voor de beoordeling van het refoulementrisico. De minister heeft de bovengenoemde verklaringen van eiser betrokken bij de motivering van de vraag of het beginsel van non-refoulement aan zijn bewaring en uitzetting in de weg staat. Voor de beoordeling of met een lichter middel had kunnen worden volstaan, is van belang dat de minister niet heeft volstaan met enkel te verwijzen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, maar ook de persoonlijke en medische omstandigheden van eiser bij de belangenafweging heeft betrokken. Zo heeft de minister opgenomen in de maatregel dat eiser depressief is en gemotiveerd dat de zorg in het detentiecentrum vergelijkbaar is met de zorg in de vrije maatschappij. Mocht de zorg onvoldoende zijn dan kan eiser worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Bovendien is eiser in het verleden drie keer met onbekende bestemming (mob) vertrokken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval niet kon worden volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder voert eiser aan dat de minister in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd of het beginsel van non-refoulement aan zijn bewaring en uitzetting in de weg staat.
De rechtbank heeft vastgesteld, zoals overwogen in rechtsoverweging 5.2., dat de verklaringen van eiser zijn betrokken bij de motivering van de vraag of het beginsel van non-refoulement aan zijn bewaring en uitzetting in de weg staat. De minister heeft een eerdere asielaanvraag van eiser afgewezen op 25 juni 2026. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd ten opzichte van deze eerdere asielprocedure. Hoewel de formulering van deze overweging in de maatregel een standaardmotivering is, is het voldoende duidelijk wat de minister hiermee bedoelt te overwegen. De minister heeft mogen volstaan met te verwijzen naar de afwijzende asielbeschikking. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook voert eiser aan dat onduidelijk is hoe lang hij al in vreemdelingenbewaring zit. Eiser heeft in verleden meerdere keren in bewaring gezeten, maar in de maatregel is niet opgenomen of aan de termijnen uit het arrest Aroja7 is voldaan.
De rechtbank stelt vast dat uit de maatregel blijkt dat de minister op 11 mei 2026 een verlengingsbesluit heeft genomen nadat eiser langer dan zes maanden in bewaring heeft gezeten op dezelfde bewaringsgrondslag. Dit besluit is ook aan het dossier toegevoegd. Daarnaast blijkt uit de verschillende bewaringsmaatregelen en (de door gemachtigde aan het dossier toegevoegde) voortgangsrapportage dat de termijn van achttien maanden nog (lang) niet is verstreken. Dat de minister geen specifieke motivering heeft gegeven in het kader van Aroja, doet hier niet aan af. De minister heeft immers een verlengingsbesluit genomen binnen de gestelde termijn, terwijl duidelijk is dat de termijn van achttien maanden nog niet is verstreken. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Tot slot voert eiser aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Eiser is vanuit strafrechtelijke detentie aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld, terwijl de minister een inspanningsverplichting heeft om dat te voorkomen. De minister heeft niet aan deze inspanningsplicht voldaan nu hij onvoldoende voorbereidingshandelingen heeft tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 september 2026.
Uit recente rechtspraak8 van de Afdeling volgt dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Met betrekking tot een strafrechtelijke detentie van 30 dagen of korter9 geldt dat de minister vanaf dat moment aan zijn inspanningsverplichting invulling moet geven door uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis (of na de dag waarop feitelijk de executie van een eerder opgelegde gevangenisstraf is aangevangen), een eerste voorbereidingshandeling te verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval.
In eisers geval dateert het strafrechtelijke vonnis van 23 september 2026 en was de minister er dus toe gehouden uiterlijk op 2 oktober 2026 een eerste voorbereidingshandeling te verrichten. Uit het dossier blijkt niet dat de minister dit heeft gedaan. De minister heeft dus zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld, geschonden.
In het geval dat de minister geen of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de inspanningsverplichting, betekent dat niet dat de maatregel van bewaring alleen daarom al onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak is er dan namelijk ruimte voor een belangenafweging.
Uit de eerder aangehaalde rechtspraak10 van de Afdeling volgt dat bij de belangenafweging na een schending van de inspanningsverplichting de volgende omstandigheden een rol spelen:
- de duur van de schending van de inspanningsverplichting;
- de duur van de vreemdelingenbewaring en de mate waarin de minister daarin voortvarend handelt gericht op de uitzetting of overdracht van een vreemdeling;
- de mogelijkheden voor de minister om op korte termijn een terugkeer of overdracht vanuit vreemdelingenbewaring te realiseren;
- de mate waarin een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek of het vertrek frustreert of eerder heeft gefrustreerd.
De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval uitvalt in het voordeel van de minister. Weliswaar kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie uitzettingshandelingen heeft verricht, maar is de duur van de strafrechtelijke detentie en dus de schending van de inspanningsverplichting beperkt. Zo heeft de minister ter zitting verklaard dat op 7 oktober 2026 een eerste voorbereidingshandeling is verricht, doordat DT&V aan DIA heeft verzocht om afgifte van een laissez-passer bij de Algerijnse ambassade aan te vragen. De schending is in dit geval beperkt, omdat het gaat om een periode van vijf dagen nadat de eerste voorbereidingshandeling had moeten plaatsvinden. Ook weegt de rechtbank mee dat eiser in het verleden zijn uitzetting heeft gefrustreerd door niet mee te werken en dat hij ook meerdere keren heeft aangegeven niet terug te willen naar Algerije. De omstandigheid dat uitzetting op korte termijn kan plaatsvinden omdat er eerder al eens een laissez-passer voor eiser is afgegeven, zoals eiser naar voren heeft gebracht, draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat de schending van de inspanningsverplichting niet moet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaringsmaatregel, nu dit erop duidt dat de vreemdelingenbewaring niet lang zal duren. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.11
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.