ECLI:NL:RBDHA:2026:30329

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL21.19099
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzoek proceskostenveroordeling – artikel 7:15, tweede lid, van de Awb – gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.19099

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),

en

de minister van Asiel en Migratie 1, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Op 5 november 2020 heeft eiseres een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij Bakrat Vartanian ingediend.

Bij besluit van 18 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen op 15 april 2021 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 november 2021 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, maar het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft op 6 december 2021 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar, omdat verweerder het verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft afgewezen.

Verweerder heeft desgevraagd op 18 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb2 uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Is het beroep ontvankelijk?

1. In geschil is tussen partijen of verweerder de proceskosten van eiseres in bezwaar moet vergoeden omdat verweerder het bezwaar van eiseres gegrond heeft verklaard.

2. Uitgangspunt is dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang oplevert. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3 en de Centrale Raad van Beroep4 volgt echter de volgende uitzondering. Mede in verband met het ontbreken van een bepaling als artikel 8:75a van de Awb voor de bezwaarfase, moet nog steeds procesbelang aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is.

3. De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure sprake is van de bovengenoemde uitzonderingssituatie. Verweerder heeft het primaire besluit in bezwaar herroepen, zonder daarbij een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten toe te kennen, terwijl daar wel om is gevraagd. Het beroep van eiseres is daarom ontvankelijk.

Besluitvorming in het primaire besluit en in het besluit op bezwaar

4. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning afgewezen. In het besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft echter geen aanleiding gezien om een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase toe te kennen. Volgens verweerder is het primaire besluit niet herroepen omdat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld, maar omdat sprake is van feiten en omstandigheden die pas in de bezwaarfase bekend zijn geworden. Volgens verweerder is pas in de bezwaarfase aangetoond dat de partner van eiseres voldeed aan het middelenvereiste.

Standpunt van eiseres

5. In de gronden van beroep heeft eiseres aangevoerd dat reeds op het moment van de aanvraag voor een verblijfsvergunning werd voldaan aan het middelenvereiste. Op het moment van de aanvraag heeft eiseres de benodigde stukken, te weten een arbeidsovereenkomst, werkgeversverklaring en loonstroken, overgelegd, waarmee is aangetoond dat er op dat moment al werd voldaan aan het middelenvereiste. Dat de partner van eiseres in de bezwaarfase is veranderd van baan, doet niet af aan het feit dat het inkomen op het moment van indiening van de aanvraag voldeed. Eiseres beroept zich daarom op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb; er is sprake van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Oordeel rechtbank

6. De vraag die ter beoordeling voor ligt is of het primaire besluit is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. De laatste is niet het geval als de reden voor het herroepen van het primaire besluit is gelegen in nieuwe feiten of omstandigheden die pas in de bezwaarfase naar voren zijn gekomen.

7. Verweerder stelt in haar reactie van 18 augustus 2026 dat het onderscheid in de feiten en omstandigheden in het primaire besluit en het besluit op bezwaar volgens verweerder is gelegen in het feit dat de partner van eiseres pas in de bezwaarfase voldeed aan het middelenvereiste.

8. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Om te voldoen aan het middelenvereiste moet het inkomen zelfstandig, duurzaam en voldoende hoog zijn.5 Een inkomen is in ieder geval zelfstandig wanneer dit is verworven uit wettelijk toegestane arbeid uit loondienst,6 een inkomen is duurzaam wanneer het een jaar beschikbaar is op het moment van de aanvraag,7 en een inkomen is voldoende hoog wanneer het gelijk is aan minimumloon.8 Het minimumloon betrof op het moment van de aanvraag € 1.680,00.9 Uit het arrest Chakroun van het Hof van Justitie10 volgt bovendien dat het minimumloon een referentiebedrag betreft, een aanvraag mag niet categorisch, zonder beoordeling van de individuele omstandigheden, worden afgewezen.

9. Bij de aanvraag van 5 november 2020 heeft eiseres stukken overlegd om het inkomen van haar partner aan te tonen. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst, werkgeversverklaring en salarisstroken blijkt dat de partner van eiseres op dat moment een contract in loondienst had tot 9 november 2021, met een salaris van € 1.680,00. Hiermee is naar het inzicht van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden zelfstandig, duurzaam en voldoende hoog zoals hierboven uiteengezet.

10. Tijdens de bezwaarfase is de partner van eiseres van baan veranderd en zijn op verzoek van verweerder opnieuw stukken overlegd om het inkomen aan te tonen. Uit deze stukken blijkt dat de partner per 30 juli 2021 een jaarcontract is aangegaan in loondienst met een salaris van € 1.610,66. Op basis van deze stukken heeft verweerder vervolgens geconcludeerd dat werd voldaan aan het middelenvereiste.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt wat het verschil is in het inkomen ten tijde van de aanvraag en het gewijzigde inkomen in de bezwaarfase, en waarom er volgens verweerder alleen op basis van het gewijzigde inkomen in bezwaar werd voldaan aan het middelenvereiste. Gelet op het voorgaande is de herroeping van het primaire besluit naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten dan ook ten onrechte afgewezen.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond. Het besluit op bezwaar moet worden vernietigd voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder de proceskosten in bezwaar alsnog dient te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb11 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar vast op € 666 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1).

13. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en veroordeelt de rechtbank verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder in bezwaar geen proceskosten aan eiseres heeft toegekend;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten vergoedt tot een bedrag van € 666;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 181 aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934.

Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »