RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54377
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 september 2026 om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen en eiser op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv)1 over te dragen aan Duitsland (het bestreden besluit).
De rechtbank doet het beroep vereenvoudigd af op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een mondelinge behandeling van het beroep is daarom achterwege gebleven. Het onderzoek in de zaak is gesloten op 12 oktober 2026.
Beoordeling door de rechtbank
-
Eiser heeft op 24 augustus 2026 asiel aangevraagd. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Duitsland. Om die reden heeft verweerder op 1 september 2026 aan Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen. Duitsland is op 4 september 2026 akkoord gegaan.
-
Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat dit niet is ondertekend. Eiser kan daarom niet nagaan of het bestreden besluit op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en of het besluit is genomen door een bevoegde ambtenaar. Verder stelt eiser dat het screeningsformulier niet klopt, omdat daarop staat dat eiser internationale bescherming heeft gekregen in Duitsland. Eiser is in Duitsland op straat beland. Hij heeft geen kenbare asielprocedure doorlopen. Eiser stelt dat hij dreigde te worden uitgezet naar Pakistan. Bij een overdracht aan Duitsland vreest hij dat hij niet in de gelegenheid wordt gesteld om asiel aan te vragen en geen bescherming krijgt. Eiser verzoekt verweerder zo nodig gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Tot slot stelt eiser dat in het zogeheten document OVA-Indigo staat dat eiser legal counseling heeft gehad, maar dat klopt niet.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De bevoegdheid van de betrokken ambtenaar
3. De rechtbank constateert dat onder het bestreden besluit de naam van de betrokken medewerker staat vermeld. Ook is vermeld bij welke directie de medewerker werkzaam is. De rechtbank acht daarmee voldoende controleerbaar dat het besluit herleidbaar is tot een bevoegde ambtenaar.2 Het enkele feit dat in het bestreden besluit staat vermeld dat deze automatisch zijn verstuurd, betekent niet dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet door een bevoegde medewerker is genomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. In artikel 43, eerste lid, van de Ambv is de draagwijdte van het beroep bepaald. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest3 is een van de aspecten waarop het beroep betrekking kan hebben. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 19 maart 2019 in de zaak Jawo4 geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om, de overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland in die situatie terecht zal komen. In het geval van Duitsland wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op grond hiervan wordt aangenomen dat verzoeken om internationale bescherming in Duitsland worden beoordeeld volgens de geldende Europese regels. Daaruit volgt ook dat eiser bij overdracht aan Duitsland het recht heeft om een (nieuwe) asielaanvraag in te dienen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk is.
Indirect refoulement
6. Eisers vrees voor uitzetting naar Pakistan zonder procedure vat de rechtbank op als een beroep op indirect refoulement. Aangezien verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 20245, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 20236, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Hetzelfde geldt voor de beoordeling onder de thans geldende Ambv, welke verordening in de plaats is gekomen van de Dublinverordening. Duitsland heeft met de bevestiging van de verantwoordelijkheid gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser na overdracht aan Duitsland problemen ervaart bij de opvang- of asielprocedure kan hij daarover klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten.
Draagwijdte van het beroep
7. Eisers standpunt dat het screeningsformulier onjuistheden bevat, kan hem niet baten. De rechtbank merkt op dat het screeningsformulier is opgesteld op basis van informatie verschaft door eiser zelf en op de vraag of de informatie in het formulier klopt, heeft eiser met ja geantwoord. Bovendien is dit niet een aspect dat onder de draagwijdte van het beroep valt op grond van artikel 43, eerste lid, van de Ambv. Hetzelfde geldt voor de beroepsgrond over de legal counseling en de toepassing van de discretionaire bevoegdheid. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden.
Conclusie
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 13 oktober 2026 gedaan door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.