ECLI:NL:RBDHA:2026:30254

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
SGR 26/3340
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Uitspraak op verzet. Verzet is ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/3340 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 op het verzet van

[opposant] , uit [woonplaats], opposant1,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 augustus 2026 in het geding tussen

opposant

en

Het college van burgemeester en wethouders van Teylingen

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 augustus 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant ongegrond heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 30 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 augustus 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het beroep van opposant

4. Het beroep van opposant ging over het besluit van het college van 27 maart 2026 om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een supermarkt, 48 appartementen, 3 commerciële ruimten en 6 woningen.

De uitspraak van 18 augustus 2026

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van eisers beroep. Dat beroep is namelijk uitsluitend gericht tegen het volgens hem ontbreken van een deugdelijke ruimtelijke motivering voor de keuze om het woningprogramma volledig in te vullen met sociale huurwoningen. Verder heeft eiser met het overleggen van het inspraakdocument niet toegelicht waarom hij van mening is dat het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Voor zover eiser na het verstrijken van de beroepstermijn andere beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank deze – gelet op artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (Chw) – buiten beschouwing gelaten.

Is artikel 8:54 ten onrechte toegepast?

6. Opposant stelt dat de rechtbank artikel 8:54 van de Awb niet had mogen toepassen, nu hij per brief uitdrukkelijk om een zitting heeft verzocht en dat verzoek ook heeft gemotiveerd.

6.1.

Artikel 8:54 van de Awb biedt de bestuursrechter de mogelijkheid om ervan af te zien het beroep ter zitting te behandelen wanneer hij na onderzoek van de gegevens van het dossier tot het oordeel komt dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is om een van de in het eerste lid van dat artikel genoemde redenen, waaronder de reden dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat opposant om een zitting heeft verzocht en heeft gemotiveerd waarom een zitting in zijn ogen wenselijk is, doet niet af aan deze bevoegdheid van de bestuursrechter. Voor de beslissing af te zien van een behandeling ter zitting is geen toestemming van partijen nodig.

7. Voor zover opposant aanvoert dat het feit dat hij een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit maakt dat het relativiteitsvereiste niet aan zijn beroepsgrond kan worden tegengeworpen, overweegt de rechtbank dat dit onjuist is. Het indienen van een zienswijze brengt met zich mee dat opposant ontvankelijk is in zijn beroep. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat hier los van. De eis dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de rechtzoekende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad, geldt zonder meer.

8. Deze verzetsgrond slaagt niet.

Is het vertrouwensbeginsel geschonden?

9. Volgens opposant heeft de griffie van de rechtbank de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat de aanvullende beroepsgronden en ingediende stukken inhoudelijk bij de zaak zouden worden betrokken. De griffie heeft op 29 mei 2026 schriftelijk aan opposant meegedeeld: ‘U heeft aan de brief van 22 april 2026 voldaan. U hoeft niks meer naar de rechtbank toe te sturen.’

9.1.

De rechtbank overweegt dat uit het bericht van de griffie niet blijkt dat is toegezegd dat de beroepsgronden van eiser inhoudelijk zouden worden behandeld. De brief van 22 april 2026 betreft een ontvangstbevestiging van het beroepschrift. Daarbij is aangegeven dat opposant nog een kopie moest aanleveren van het bestreden besluit of een stuk waaruit van dit besluit blijkt, om niet-ontvankelijkheid te voorkomen. Deze schriftelijke mededeling over de algemene vereisten voor een ontvankelijk beroep uit de Awb en niet over het relativiteitsvereiste of over het procesrecht van de Chw. De mededeling van de griffie is ook niet onjuist: het beroep van eiser is behandeld en ongegrond verklaard. Van niet-ontvankelijkheid is geen sprake.

10. Deze verzetsgrond slaagt niet.

Is de Chw van toepassing?

11. Opposant betwijfelt of de Chw van toepassing is. De rechtbank merkt op dat opposant zijn twijfel op geen enkele wijze onderbouwt en ook niet betwist dat de Chw niet van toepassing is.

11.1.

Over de toepasselijkheid van de Chw overweegt de rechtbank dat deze rechtstreeks voortvloeit uit de wet en de aard van het bestreden besluit Het besluit van 27 maart 2026 om de omgevingsvergunning te verlenen is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat het project ziet op het bouwen van meer dan 11 woningen en de vergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, is de Chw van toepassing.3 Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en zijn de Wabo en de Chw ingetrokken. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 2024 geldende recht, zijnde de Wabo en de Chw.

12. Deze verzetsgrond slaagt niet.

Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?

13. Opposant stelt dat de aanvullende beroepsgronden die hij na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend, niet buiten beschouwing gelaten hadden mogen worden. Hem kan niet worden tegengeworpen dat hij deze te laat heeft ingediend, nu hij niet gewaarschuwd is voor het verstrijken van de beroepstermijn en ook niet gewezen is op de verplichting om alle beroepsgronden binnen de beroepstermijn in te dienen.

13.1.

Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Op grond van artikel 11, tweede lid, onder c, dient dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld te worden. De rechtbank stelt vast dat het college heeft voldaan aan deze verplichting. In het bestreden besluit van 27 maart 2026 staat bij de rechtsmiddelenclausule dat de Chw van toepassing is en onder het kopje “Crisis- en herstelwet” staat dat dat betekent dat in het beroepschrift moet worden aangegeven welke beroepsgronden worden aangevoerd tegen het besluit en dat na afloop van de termijn van zes weken geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Ook wordt in het bestreden besluit vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld, waarmee ook voldaan is aan de verplichting van artikel 3:45 van de Awb. Opposant wist dus of had kunnen weten dat de beroepsgronden binnen zes weken moesten worden ingediend. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.

14. Deze verzetsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 augustus 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Wesselo, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »