RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4120
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , verblijvend in Marokko, eiser
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en
de ministerie van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser gericht tegen het niet in behandeling nemen van zijn paspoortaanvraag.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juni 2024 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 11 februari 2026 behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is op [geboortedatum] 1996 in [geboorteland] geboren. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zijn moeder, [de moeder] , geboren in 1959 in [geboorteland] is op [datum 1] 1979 in [land] getrouwd met [de vader] , geboren in 1956 in [geboorteland] (hierna: de vader). Zijn ouders zijn op [datum 2] 1991, dus voor eisers geboorte, gescheiden. Van [datum 3] 1991 tot [datum 4] 1996 is eisers vader getrouwd geweest met een andere vrouw. Op [datum 5] 2000 zijn de ouders van eiser hertrouwd.
Eisers vader heeft op [datum 6] 1995 de Nederlandse nationaliteit verkregen.
Eiser heeft op 19 maart 2024 een Nederlands paspoort aangevraagd. Bij zijn aanvraag heeft hij een geboorteakte overgelegd, waarin de namen van beide ouders staan vermeld.
3. Verweerder heeft eisers paspoortaanvraag niet in behandeling genomen, omdat niet kan worden geconcludeerd dat eiser bij zijn geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen.1 Eiser is geboren uit een moeder die alleen de Marokkaanse nationaliteit heeft. Zijn vader heeft wel de Nederlandse nationaliteit, maar was destijds niet gehuwd met eisers moeder. Hij is daarom niet de juridische vader van eiser.2 Tussen eiser en zijn vader is, anders dan eiser stelt, naar Marokkaans recht geen afstammingsrelatie ontstaan. Dat eisers vader op eisers geboorteakte3 staat vermeld, is hiervoor onvoldoende. Ook uit de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank van 20 september 2001 volgt niet dat een afstammingsrelatie tussen hen is ontstaan, omdat de Marokkaanse rechtbank slechts ziet op de inschrijving van de geboorte van eiser (en zijn tweelingzus) in het register van de burgerlijke stand. Gelet hierop komt verweerder niet toe aan de vraag of de afstammingsrelatie in Nederland zou kunnen worden erkend4 en of deze voor eiser kan leiden tot verkrijging van het Nederlanderschap.
Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser voert aan dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij is erkend door zijn Nederlandse vader voor zijn zevende levensjaar, dan wel dat het vaderschap in 2001 gerechtelijk is vastgesteld door de Marokkaanse rechtbank. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de RWN5 is hij daarom Nederlander geworden.6
Verweerder merkt de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank ten onrechte niet aan als bewijs van het juridisch vaderschap van zijn vader. Het spreekt voor zich dat de rechter bij het doen van de uitspraak het toen geldende recht heeft toepast. Uit de uitspraak volgt dat zijn vader door de rechtbank is gehoord en dat de feiten (waaronder het juridisch vaderschap van zijn vader) daarin zijn bevestigd. Verder verklaart de rechtbank dat eiser en zijn tweelingzus zijn geboren uit hun twee ouders en dat deze geboorte kan worden ingeschreven. De uitspraak is dus niet, zoals verweerder stelt, slechts de beoordeling van een verzoek om inschrijving van hun geboorte geweest, maar behelst ook de vaststelling van het ouderschap van beide ouders op basis van hun verklaringen. Daarmee is, volgens eiser, de afstammingsrelatie erkend en vastgesteld en wordt de vader erkend als juridisch vader.
In beroep heeft eiser een familieboekje van zijn vader overgelegd, waarin eiser als kind staat bijgeschreven en een legal consultation (juridisch advies), waarin is geconcludeerd dat door de Marokkaanse uitspraak en de inschrijving van eisers geboorte in het register van de burgerlijke stand de afstammingsrelatie tussen eiser en zijn vader is ontstaan.
Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder handhaaft in het verweerschrift en op zitting zijn standpunt dat geen afstammingsrelatie tussen eiser en zijn vader is ontstaan en dat eiser daarom niet het Nederlanderschap heeft verkregen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers paspoortaanvraag niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Wat is het toetsingskader?
7. Artikel 9 van de Paspoortwet stelt het Nederlanderschap als voorwaarde voor het verstrekken van een Nederlands paspoort. De wetgever hecht een groot belang aan het bevorderen van het behoud van het vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als een bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit.7 Het verstrekken van Nederlandse reisdocumenten aan personen van wie de nationaliteit niet boven alle twijfel is verheven, ondergraaft het vertrouwen in dergelijke reisdocumenten per definitie. In geval van twijfel over de nationaliteit van de aanvrager van een Nederlands reisdocument kan daarom niet tot verstrekking ervan worden overgegaan.
Bij een beslissing op een aanvraag om afgifte daarvan moet daarom worden vastgesteld of iemand het Nederlanderschap bezit. Wanneer een kind bij de geboorte een vader of moeder met de Nederlandse nationaliteit heeft, is deze Nederlander.8 Wanneer het alleen de vader is die de Nederlandse nationaliteit bezit, gaat dit om de Nederlandse vader die met de moeder is gehuwd, of die het kind vóór de geboorte heeft erkend. Ook na de geboorte kan een minderjarige het Nederlanderschap aan zijn Nederlandse vader ontlenen, door onder meer erkenning.9 Afstammingsrelaties die rechtsgeldig in het buitenland zijn ontstaan, worden in beginsel in Nederland erkend.10
Op de aanvrager rust de bewijslast om voldoende zekerheid te verschaffen over het Nederlanderschap. Als de aanvrager niet in het bewijs slaagt, kan niet tot verstrekking van het paspoort worden overgegaan. 11
8. Niet in geschil is dat eiser is geboren uit een ongehuwde niet-Nederlandse moeder en een Nederlandse man. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en – zo ja – recht heeft op een Nederlands paspoort. Daarvoor moet allereerst worden vastgesteld of ondanks dat eisers ouders ten tijde van zijn geboorte niet met elkaar waren getrouwd, toch een afstammingsrelatie is ontstaan tussen eiser en zijn vader.
Heeft verweerder het standpunt mogen innemen dat geen afstammingsrelatie is ontstaan tussen eiser en zijn vader?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en in aansluiting daarop in het verweerschrift toereikend heeft gemotiveerd dat op grond van de door eiser overgelegde stukken niet kan worden geconcludeerd dat een afstammingsrelatie is ontstaan tussen eiser en zijn vader.
Zoals verweerder in zijn verweerschrift nader heeft toegelicht is door de door eiser overgelegde Marokkaanse uitspraak uit 2001 geen afstammingsrelatie ontstaan tussen eiser en zijn vader. Uit de Marokkaanse uitspraak volgt niet dat is getoetst aan de destijds geldende bepalingen van het Marokkaanse afstammingsrecht, vastgelegd in de Code de la Famille uit 1957 (hierna: de oude Code).12 In de uitspraak staat alleen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat, gelet op de resultaten van het onderzoek, eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 als kind van zijn ouders en dat de openbare orde voorziet in de inschrijving van elke nieuwe geboorte in het register van de burgerlijke stand. Hieruit volgt echter niet dat de Marokkaanse rechtbank een behoorlijk onderzoek heeft verricht naar de feiten omtrent de afstamming. De enkele omstandigheid dat zijn vader in eisers geboorteakte als vader is vermeld en dat eiser als kind in het familieboekje van zijn vader is opgenomen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij naar Marokkaanse recht als juridisch vader van eiser kan worden aangemerkt. Ook dit maakt niet dat als gevolg van de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank tussen hen een afstammingsrelatie is ontstaan. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat de bepalingen van de oude Code niet van toepassing zijn op de situatie van eiser en zijn ouders bij zijn geboorte. Zo was zijn vader ten tijde van eisers geboorte getrouwd met een andere vrouw. Hierdoor is artikel 85 van de oude Code ten aanzien van de afstamming niet van toepassing op de situatie van eiser. Verder heeft verweerder van belang mogen achten dat uit de (overige) artikelen 83 tot en met 96 van de oude Code ook niet blijkt dat het vaderschap in Marokko gerechtelijk kon worden vastgesteld. Tot slot is van belang dat erkenning van de verwantschap/ het vaderschap (iqrar) ook niet op eisers situatie van toepassing is, omdat de rechtsfiguur iqrar een formele erkenning van een al bestaande wettige status is.13 Zoals hiervoor overwogen waren eisers ouders niet met elkaar getrouwd ten tijde van eisers geboorte, zodat geen sprake is van een erkenning van een al bestaande wettige afstammingsrelatie.
De rechtbank komt, gelet op de toelichting van verweerder, tot de conclusie dat het op grond van de oude Code niet mogelijk was om een buitenechtelijk kind, zoals eiser, te erkennen. Hierdoor kan bij eisers geboorte of daarna geen afstammingsrelatie tussen eiser en zijn vader zijn ontstaan. Dit kon ook niet naderhand worden hersteld door de Marokkaanse uitspraak.
De rechtbank ziet in eisers argumenten en de door hem overgelegde documenten onvoldoende aanwijzingen die maken dat de uitleg die verweerder heeft gegeven aan de bepalingen uit de oude Code en de Marokkaanse uitspraak en de gevolgen daarvan onjuist is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zijn betoog dat de uitleg van verweerder onjuist is en dat in eisers situatie erkenning wel mogelijk is, niet heeft onderbouwd met een verwijzing naar openbare bronnen of relevante jurisprudentie waaruit dat blijkt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door eiser op zitting is verzocht. Het is immers aan eiser om de nodige zekerheid te verschaffen over zijn nationaliteit. Hierin is eiser, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet geslaagd.
Niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het onzorgvuldig is voorbereid dan wel geen deugdelijke motivering bevat.
Nu geen sprake is van een naar Marokkaans recht ontstane afstammingsrelatie,
stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat hij niet meer toekomt aan de vraag of de in het buitenland ontstane afstammingsrelatie in Nederland kan worden erkend14 en of deze buitenlandse afstammingsrelatie zou leiden tot verkrijging van het Nederlanderschap op grond van de RWN.
Tot slot wijst de rechtbank erop dat eiser – zoals door verweerder gesuggereerd – op grond van artikel 17 van de RWN een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap kan indienen bij deze rechtbank.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat eiser het Nederlanderschap op enig moment heeft verkregen. Verweerder heeft de aanvraag om aan eiser een Nederlands paspoort te verstrekken daarom op goede gronden niet in behandeling genomen.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
|
griffier |
rechter |
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.