RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60623
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1990,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer [V-nummer] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2026 heeft de ambtenaar belast met grensbewaking aan verzoekster de toegang aan de grens geweigerd en aan eiseres een loungemaatregel opgelegd.
Verzoekster heeft op 11 oktober 2026 tegen het besluit tot toegangsweigering administratief beroep ingesteld en bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting op 12 oktober 2026. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om de minister te verbieden haar uit te zetten voordat op het administratief beroep is beslist. Ook heeft zij aangekondigd dat zij op 12 oktober 2026 een verzoek om toetsing aan EU-recht zal indienen, voor verblijf bij haar echtgenoot die de Zweedse nationaliteit heeft en dus EU-burger is.
3. Het door verzoekster krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw gemaakte bezwaar zal worden aangemerkt als aanvulling op het verzoek om voorlopige voorziening.
4. De minister heeft desgevraagd aangegeven zich te verzetten tegen de gevraagde voorlopige voorziening, omdat het administratief beroep geen redelijke kans van slagen heeft en de feitelijke uitzetting spoed heeft in verband met het feit dat aan verzoekster de verplichting is opgelegd om zich op te houden in een lounge op luchthaven Schiphol.1
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter overweegt dat aan verzoekster is medegedeeld en ook door de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar) via de minister is bevestigd dat er een vlucht geboekt zou worden voor 12 oktober 2026. De Kmar heeft te kennen gegeven te wachten met het boeken van een vlucht, totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. De minister gaat daarom uit van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt dat het nog niet boeken van de vlucht kennelijk direct verband houdt met het aanhangig zijnde verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Er is ook door de Kmar toegelicht dat de loungemaatregel kan voortduren tot 12 oktober 2026 om 22:26 uur. Ook is door de Kmar toegelicht dat er geen voornemen bestaat om de vrijheidsontnemende maatregel van verzoekster te verlengen omdat het voornemen is dat zij vóór die tijd uitgezet zal worden. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening.
Wat vindt de voorzieningenrechter van het verzoek?
6. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand aannemelijk dat het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand blijft. Uit het besluit tot toegangsweigering en het proces-verbaal van bevindingen van de Kmar van 11 oktober 2026 volgt dat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Uit beide stukken blijkt dat een visum is afgegeven met als doel werk. Verzoekster heeft echter bij het gehoor bij de Kmar en ook in het verzoekschrift verklaard dat het de bedoeling was tot 21 oktober 2026 in Nederland door te brengen voor bezoek aan familie, te onderzoeken of ze zich later permanent in Nederland zou willen vestigen en voor toeristische doeleinden. Zij heeft in het gehoor ook verklaard dat zij werkloos is, voorheen werkte als lerares op een school en dat haar bezoek aan de conferentie voor mode in [plaats] voor plezier maar niet voor werk bedoeld is. Ook heeft zij in de gronden van het verzoek te kennen gegeven dat zij een aanvraag voor permanent verblijf zal doen bij haar echtgenoot. Ook is de rechtbank niet gebleken en is door verzoekster niet aangevoerd dat uitzetting tot refoulement zou leiden. Daarom, en gelet op de belangen die verzoekster en de minister naar voren hebben gebracht, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Uitspraak wordt gedaan met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.