RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4251
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de toekenning van bijstand. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover het de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van eiser betreft, ongegrond is. Voor zover het beroep gaat over de aanvankelijke weigering van het college om inhoudelijk op het bezwaar van eiser te beslissen, is het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij het primaire besluit van 18 februari 2025 heeft het college eiser bijstand toegekend per 25 december 2024. Met het besluit van 12 mei 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de gronden in bezwaar.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en daarbij een beslissing op bezwaar overgelegd van 23 februari 2026 (bestreden besluit II).
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft op 28 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft daarbij aangegeven dat de aanvraag ten onrechte niet is ingewilligd met terugwerkende kracht. Bij brief van 3 april 2025 heeft het college eiser een ontvangstbevestiging van het bezwaar gestuurd. Verder is meegedeeld dat het bezwaarschrift nog niet behandeld kan worden omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan, de redenen van het bezwaar zijn namelijk niet genoemd. Eiser is verzocht om binnen 28 dagen na dagtekening van de brief de bezwaargronden op te sturen. Als hij niet tijdig reageert, dan zal het bezwaarschrift door het college niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de brief.
Beroep tegen het bestreden besluit I
4. Bij het bestreden besluit heeft het college met verwijzing naar de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser had tot 1 mei 2025 de tijd om het gebrek genoemd in de brief van 3 april 2025 te herstellen. Dit heeft hij niet gedaan.
5. Het college heeft met het bestreden besluit II het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat het college daarmee het bestreden besluit I heeft vervangen. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II.
Nu het college het bestreden besluit I heeft vervangen door het bestreden besluit II heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. De rechtbank zal het beroep van eiser, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk verklaren.
Beroep tegen het bestreden besluit II
6. Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit II overweegt de rechtbank als volgt.
Bij het bestreden besluit II heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen eerder dan de meldingsdatum van 25 december 2024.
De te beoordelen periode loopt van 12 juni 2024 tot en met 24 december 2024. De periode van 13 februari 2024 tot en met 11 juni 2024 is reeds beoordeeld in het beroep met zaaknummer 24/9338, waarvan eveneens heden uitspraak is gedaan.
De rechtbank moet beoordelen of het college zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor bijstand met terugwerkende kracht.
Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Pw. Gelet op vaste rechtspraak kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandsverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat van zo’n situatie sprake is.1
Eiser stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met terugwerkende kracht bijstand moet verlenen. Hij wijst op zijn lichamelijke klachten en verslechterde geestelijke gezondheid. Het is vanwege de AVG2 lastig om gezondheidsgegevens aan te leveren. Zonder hulp is eiser daarnaast niet in staat om een bijstandsaanvraag in te dienen. Hij heeft geen telefoon, geen geld en geen laptop. Hij is afhankelijk van derden om te voorzien in zijn levensonderhoud en hem te helpen met zijn administratie.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Hoewel niet in geschil is dat eiser bekend is met lichamelijke en psychische klachten, is niet gebleken dat eiser in het geheel niet in staat was voor zichzelf op te komen en zich eerder te melden bij het college, dan wel een derde in te schakelen om dat namens hem te doen. Eiser heeft immers, met behulp van zijn gemachtigde, op 16 maart 2024 een bijstandsaanvraag gedaan. Verder is op 29 augustus 2025 een aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten ingediend en op 26 november 2025 heeft eiser een aanvraag om individuele inkomenstoeslag gedaan. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat hij eiser bij deze aanvragen heeft geholpen maar dat hij geen maatschappelijk werker is en dat van hem niet verwacht kan worden dat hij eiser bij alles gaat helpen. Dit neemt niet weg dat niet is gebleken dat eiser in de te beoordelen periode geen hulp kon inroepen van derden. Bovendien is in dit verband voldoende dat een belanghebbende zich meldt bij het college en kenbaar maakt dat hij een bijstandsuitkering wil. Van een volledig gedocumenteerde en onderbouwde aanvraag hoeft op dat moment nog geen sprake te zijn. Dat eiser al lange tijd in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, levert evenmin een bijzondere omstandigheid op die het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigt.
Ten overvloede merkt de rechtbank – voor zover eiser bedoeld heeft een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel – op dat artikel 44 van de Pw dwingend is geformuleerd en het college in beginsel geen ruimte biedt om na een belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel voor een eerdere ingangsdatum te kiezen. Nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft het college op juiste gronden besloten eiser een uitkering toe te kennen vanaf het moment waarop hij zijn aanvraag heeft gedaan.3
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat de ingangsdatum van zijn bijstandsuitkering niet wordt aangepast. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten of te bepalen dat het college het griffierecht aan eiser moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.