RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54713
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden en door middel van een ambtshalve toetsing beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De kennisgeving
3. De rechtbank heeft ambtshalve tijdens de zitting aan de orde gesteld dat de kennisgeving pas op 16 september 2026 om 09:22 uur naar het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) van de rechtbank is verstuurd, terwijl eiser al op 8 september 2026 om 14:59 uur in vreemdelingenbewaring is gesteld.
De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat sprake was van een computerstoring in het systeem dat automatisch kennisgevingen verstuurt, waardoor de kennisgeving uiteindelijk pas op 16 september 2026 naar het CIV is verstuurd.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister, nu hij pas na bijna acht dagen na de bekendmaking van de maatregel van vreemdelingenbewaring een kennisgeving heeft verstuurd naar het CIV, niet heeft voldaan aan zijn wettelijke plicht tot onverwijlde kennisgeving. Volgens de rechtbank betekent onverwijld: meteen, onmiddellijk. Kennisgeving na bijna acht dagen is dus niet onverwijld. Dat de oorzaak van de verlate kennisgeving een computerstoring was, maakt niet dat er om die reden toch sprake is van een onverwijlde kennisgeving. Die storing komt voor rekening van de minister. Er is dus sprake van een gebrek.
Dit gebrek raakt echter niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt dus niet automatisch mee dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in dit geval in het voordeel van de minister uitvalt omdat de rechtbank nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel, uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring. Verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. Door eiser is hiertegen ook geen beroepsgrond aangevoerd. De gemachtigde van eiser is weliswaar pas twee dagen voorafgaand aan de zitting van de maatregel op de hoogte gesteld, maar is desondanks in staat gebleken om alle onderdelen van het dossier volledig tot zich te nemen, gelet op de door haar mondeling toegelichte gronden tijdens de zitting. Niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen.
De ondertekening van de maatregel
4. Eiser voert aan dat in het rechtbankdossier twee versies van de maatregel van vreemdelingenbewaring (M109-B) staan, waarvan één versie (versie 1) is voorzien van een zogenoemde natte handtekening, en de andere versie (versie 2) digitaal is ondertekend door een andere verbalisant. Hij betwijfelt daarom of de maatregel bevoegd is opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat in versie 1 is opgenomen dat de maatregel op
8 september 2026 om 14:59 uur, namens de minister, door [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), adjudant-onderofficier der Koninklijke Marechaussee, is opgelegd. Niet wordt betwist dat [persoon 1] daartoe bevoegd is. Deze versie is voorzien van een natte handtekening van – naar de rechtbank begrijpt – [persoon 1] . In versie 2 is eveneens opgenomen dat de maatregel op 8 september 2026 om 14:59 uur door [persoon 1] is opgelegd. Deze versie is echter diezelfde dag om 14:53 uur digitaal ondertekend door [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).
De minister heeft tijdens de zitting gesteld dat waarschijnlijk sprake was van een technische storing, waardoor de maatregel niet digitaal kon worden ondertekend toen deze aan eiser werd opgelegd. De rechtbank acht dit aannemelijk, aangezien op dat moment ook sprake was van een computerstoring in het systeem dat automatisch kennisgevingen verstuurt (zoals weergegeven onder 3.1). De rechtbank leidt verder uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)2 af dat het bestaan van zowel een fysiek ondertekend als een digitaal ondertekend exemplaar van een maatregel niet ongebruikelijk is en dat er van uit kan worden gegaan dat de fysiek ondertekende versie is uitgereikt aan de vreemdeling.
De rechtbank begrijpt uit deze gang van zaken dat [persoon 1] namens de minister de maatregel heeft opgelegd. De omstandigheid dat de digitale handtekening in versie 2 van de maatregel van een andere persoon is dan de persoon die het document heeft opgesteld, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de oplegging van de bewaring onrechtmatig is.
De informatiefolder
5. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, omdat de informatiefolder ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ in de Georgische taal ontbreekt in het rechtbankdossier.
De rechtbank stelt vast dat de informatiefolder zich bij aanvang van de zitting niet in het rechtbankdossier bevond. Door eiser is echter niet betwist dat de folder aan hem is uitgereikt. Uit de maatregel van vreemdelingenbewaring (M109-B) en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor (M110) blijkt dat de minister aan eiser een informatiefolder in de Georgische taal heeft uitgereikt en dat deze mondeling is toegelicht aan eiser. De rechtbank ziet geen reden om er aan te twijfelen dat eiser de informatiefolder heeft gekregen. De enkele omstandigheid dat de brochure niet in het digitale dossier is geplaatst, is geen reden om een gebrek aan te nemen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, omdat deze noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000), met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000) en omdat vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de maatregel tot het beperken van de bewegingsvrijheid omdat eiser deze maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000).
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de zitting grond j heeft laten vallen.
Eiser heeft gronden a, b, c, h, o en p betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de onbetwiste gronden (r en s) terecht tegengeworpen. Grond r is feitelijk juist, omdat eiser niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De minister heeft bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit, door te stellen dat het risico dat eiser onderduikt en niet traceerbaar is, groot is. Ook is grond s feitelijk juist, omdat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser tijdens het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling, heeft verklaard over € 75 te beschikken. De minister heeft ook bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit, door te stellen dat het niet waarschijnlijk is dat eiser voor kortere of langere tijd in zijn verblijf in Nederland kan voorzien en daarnaast ook nog de kosten van zijn vertrek uit Nederland zal kunnen bekostigen. Daardoor is de kans aanwezig dat eiser niet zelfstandig uit Nederland zal vertrekken en zich zal onttrekken aan het toezicht.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de (betwiste) gronden c en h aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Grond c is feitelijk juist, omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met officiële documenten heeft aangetoond, noch dat hij zich daartoe inspant. Dat eiser – zoals hij betoogt – geen inspanningen heeft verricht om aan een nieuw identiteitsdocument te komen omdat hij geen vertrouwen heeft in de Georgische autoriteiten, maakt dit niet anders. Ook is grond h feitelijk juist, omdat eiser meermaals te kennen heeft gegeven dat hij niet terug wil keren naar Georgië. Dat dit een omstandigheid is die inherent is aan het zijn van een asielzoeker, zoals eiser stelt, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Voor gronden c en h geldt dat geen toelichting van het onderduikrisico is vereist.3
Gronden c, h, r en s zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van de Vw 2000 te kunnen dragen.4 Wat eiser verder tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
De grondslag van de maatregel
7. Eiser voert aan dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 (de e-grond) niet aan de maatregel ten grondslag kan liggen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de a-grond uit artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd, omdat de identiteit en nationaliteit van eiser onvoldoende vaststaan. Hetzelfde geldt voor de b-grond, omdat eisers asielaanvraag nog in behandeling is en er sprake is van een onttrekkingsrisico. Voor de a- en b-grond is ook vereist dat zich ten minste twee van de gronden, als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000, voordoen. Hieraan is voldaan, omdat – zoals onder 6.3 overwogen – (in ieder geval) de gronden c, h, r en s terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd.
Nu de maatregel van vreemdelingenbewaring al op die grondslagen kan worden gebaseerd, hoeft niet meer te worden beoordeeld of de maatregel ook kon worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid aanhef en onder e, van de Vw 2000. Eén geldige grondslag is immers al voldoende om de maatregel op te baseren.
Het lichter middel
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De motivering is te algemeen geformuleerd en niet toegespitst op eisers situatie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom, in eisers geval, niet kon worden volstaan met een lichter middel. In de maatregel is opgenomen dat een lichter middel niet doeltreffend wordt geacht, 1) gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan en 2) vanwege het feit dat eiser eerder, op 8 juli 2026, met onbekende bestemming is vertrokken tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering voldoende is toegespitst op eisers situatie. De beroepsgrond slaagt niet.
Het zicht op uitzetting
9. Eiser voert aan dat in de maatregel ten onrechte een passage is opgenomen over het zicht op uitzetting. Dit is in zijn geval immers niet aan de orde.
Voor een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, is zicht op uitzetting geen voorwaarde.5 De minister hoefde dit dus niet te motiveren en de rechtbank zal dit verder ook buiten beschouwing laten.
De ambtshalve toetsing
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.6
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.