RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57620
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser
(gemachtigde: mr. P.M. van der Roest),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Hairan als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn etnische en religieuze afkomst is gediscrimineerd in Pakistan. Ook verklaarde eiser dat zijn oom [naam 1] twee tot drie jaar in de centrale gevangenis in Haripur heeft gezeten. De reden van zijn detentie had te maken met de moord op [naam 2] in 1998/1999, een stamgenoot. Eiser vreest te worden vermoord door de familie van [naam 2] vanwege de problemen die eisers oom heeft veroorzaakt. Vanwege de vrees voor bloedwraak heeft eiser Pakistan verlaten. Tot slot legt eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij sympathisant is van de partij Pakistan Tehreek-e Insaf (PTI) en heeft deelgenomen aan enkele bijeenkomsten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eiser is sjiitisch Hazara en is hierdoor gediscrimineerd;
3. dat eiser problemen heeft ondervonden omdat zijn oom een stamgenoot heeft vermoord;
4. dat eiser sympathisant is van de politieke partij Pakistan Tehreek-e Insaf (PTI).
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister vindt het geloofwaardig dat eiser sjiitisch Hazara is en hierdoor gediscrimineerd is. De minister gelooft ook dat eiser sympathisant is van de politieke partij Pakistan Tehreek-e Insaf.
Dat eiser problemen heeft ondervonden, omdat zijn oom een stamgenoot heeft vermoord, vindt de minister niet geloofwaardig.
Ten aanzien van de geloofwaardig geachte asielmotieven stelt de minister zich op het standpunt dat eiser op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Het derde asielmotief: dat eiser problemen heeft ondervonden omdat zijn oom een stamgenoot heeft vermoord
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser stelt dat hij naar waarheid heeft verklaard over de problemen die hij heeft ondervonden vanwege de moord op een stamgenoot door zijn oom. Eiser heeft ter onderbouwing van dit asielmotief een politierapport overgelegd op grond waarvan zijn oom destijds was veroordeeld. Eiser meent dat dit rapport de moord op [naam 2] en de betrokkenheid van eisers oom ondersteunt. Dit moet in samenhang met eisers verklaringen worden beoordeeld. Eiser benadrukt dat geen sprake was van een probleemloos verblijf in Pakistan. Eiser is namelijk na de aanval uitgeweken naar een andere stad en heeft problemen vermeden, waardoor het gevaar zich niet verder heeft verwezenlijkt in Pakistan. Dat de informatie over het inhuren van derden om hem te vermoorden via een vriend is verkregen, maakt het niet zonder betekenis. Bij dreigingen door niet statelijke actoren is informatie uit het sociale netwerk doorgaans de enige beschikbare bron. Ook is het niet onlogisch dat de tegenpartij zich op eiser richt, omdat dit typerend is voor bloedwraak. Verder geeft eiser aan dat bloedwraak zich over lange tijd kan uitstrekken, waardoor de vrees voor bloedwraak blijft bestaan. Het komt vaak voor in Pakistan en daartegen is vaak geen bescherming te krijgen, omdat de politie corrupt is. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan naar het rapport van het EUAA2, Pakistan Country Focus, juni 2026. Volgens eiser is de beoordeling van de bloedwraak door de minister ondeugdelijk.
Wat is het oordeel van de rechtbank? 5.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden dat eiser problemen heeft ondervonden, omdat zijn oom een stamgenoot heeft vermoord. De minister heeft hierbij allereerst kunnen verwijzen naar de zaak van eisers broer, die ook heeft verklaard dat hij problemen heeft ondervonden in Pakistan met de familie van [naam 2]. Eisers broer is niet gevolgd in de gestelde problemen en dit is bevestigd in de uitspraak van 5 november 2021.3 Hoewel het hoger beroep van de broer gegrond is verklaard, zag dit op de Hazara-etniciteit, de daarmee samenhangende problemen en zijn vrees. Het oordeel over de gestelde problemen vanwege de dood van [naam 2] is in het hoger beroep niet bestreden en is daarmee in stand gebleven.
Anders dan eiser betoogt, maakt het overgelegde politierapport niet dat de door eiser gestelde problemen en eisers vrees voor bloedwraak aannemelijk zijn gemaakt. Uit dit document blijkt namelijk niet dat eiser vanwege het incident persoonlijk wordt gezocht of bedreigd. Ook bevat het rapport geen informatie over de gestelde persoonlijke incidenten of de gestelde betaling aan derden om hem te vermoorden. Uit het rapport volgt dat het incident op 11 oktober 2000 heeft plaatsgevonden. Dat terwijl eiser heeft verklaard dat het zich in 1998 of 1999 moet hebben afgespeeld. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat het rapport enkel onderbouwt dat de moord heeft plaatsgevonden, maar dat dit onvoldoende is om ook de gestelde problemen aannemelijk te achten.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen concluderen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft niet kunnen verklaren over de reden van de moord en kan ook niet toelichten waarom zijn oom [naam 1] een conflict had met [naam 2].4 De minister heeft het niet geloofwaardig kunnen vinden dat de familieleden van [naam 2] wraak op eiser wil nemen. Het is niet aannemelijk dat eiser 25 jaar later door de kinderen van [naam 2] vermoord zal worden voor iets wat zijn oom heeft gedaan. Ook heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet specifiek kan verklaren over de reden waarom zijn broer problemen ondervond met de familie van [naam 2]. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eisers verklaringen gebaseerd zijn op vermoedens. De minister heeft het onnavolgbaar kunnen vinden dat eiser daadwerkelijk problemen heeft ondervonden, aangezien hij na het incident nog 15 jaar in Pakistan heeft kunnen wonen, zonder dat hem iets is overkomen. De stelling dat eiser een ondergedoken bestaan heeft geleid is niet onderbouwd. Het is niet gebleken dat de familie [naam 2] eiser wil vermoorden. De enkele stelling van eiser dat bloedwraak jaren lang voortduurt en eiser de problemen in de tussentijd heeft vermeden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de problemen van eiser aannemelijk moeten worden geacht. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de familie van het slachtoffer juist hem zou willen doden. Ook heeft eiser zijn gestelde vrees voornamelijk gebaseerd op hetgeen hij van anderen heeft vernomen. Dat eiser stelt dat hij geen hulp of bescherming kan krijgen, omdat de politie corrupt is, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken en onvoldoende onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Gegronde vrees voor vervolging /reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser vreest bij terugkeer in Pakistan voor ernstige discriminatie vanwege zijn Hazara afkomst. Dit heeft hij namelijk al eerder meegemaakt. Eiser wijst erop dat zijn broer na gegrondverklaring van het hoger beroep wel erkend is als vluchteling vanwege zijn problemen als gevolg van zijn Hazara afkomst. Eiser heeft dezelfde problemen ondervonden vanwege zijn Hazara afkomst en heeft hierover duidelijke verklaringen afgelegd in zijn gehoren. Eiser is van mening dat hij niet anders moet worden behandeld dan zijn broer, nu sprake is van dezelfde asielgronden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Hazara een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Pakistan. De minister heeft kunnen concluderen dat
de door eiser persoonlijk ondervonden problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om te kunnen spreken van vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de discriminatie zo ernstig was dat hij onmogelijk in zijn bestaansmogelijkheden kon functioneren5. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat hij een woning had, toegang had tot medische zorg via privé ziekenhuizen en onderwijs volgde op een privéschool. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in het verleden gevaar heeft gelopen.6
Dat eisers broer wel een asielvergunning heeft gekregen, maakt niet dat dit voor eiser ook zou moeten gelden. De minister heeft hierbij kunnen overwegen dat de asielaanvraag van eisers broer is beoordeeld tegen de achtergrond van het destijds geldende beleid, waarin Hazara’s als risicogroep waren aangemerkt en de geringe-indicatielijn relevant was. De minister heeft er ook op kunnen wijzen dat de situatie van eiser moet worden beoordeeld aan de hand van zijn eigen verklaringen, individuele omstandigheden en actuele vrees. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit genoegzaam gedaan en op basis daarvan kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn eigen individuele ervaringen een zodanige ernst hebben bereikt dat hij vanwege zijn sjiitische Hazara-achtergrond een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan.
Ook uit de openbare bronnen is niet gebleken dat de situatie van sjiitische Hazara's dermate ernstig is, dat eiser enkel vanwege zijn etniciteit en geloof al te vrezen heeft bij terugkeer. In dit kader heeft de minister gewezen op het Algemeen Ambtsbericht7 waaruit blijkt dat de geweldssituaties de afgelopen jaren aan het afnemen is en de overheid burgers in verschillende gebieden en provincies probeert te beschermen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen concluderen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijke problemen verwacht bij terugkeer naar Pakistan, waarbij sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. De beroepsgrond slaagt niet.
De medische situatie van de broer van eiser en artikel 8 van het EVRM 8
7. Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere redenen op grond waarvan hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning. Zijn broer is ernstig gehandicapt geraakt. Eiser is toen hij in Nederland is gekomen bij zijn broer gaan wonen om de dagelijkse zorg voor hem op zich te nemen. In dit kader is er een mantelzorgovereenkomst tot stand gekomen. Ook heeft eiser een verslag van maatschappelijk werk en een ontheffing van de inburgeringsplicht van zijn broer overgelegd. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens eiser dat hij bij zijn broer woont, kookt, het huishouden doet en hem praktisch en sociaal begeleidt. De minister zal moeten beoordelen welke zorg daadwerkelijk en duurzaam beschikbaar is voor de broer van eiser en wat het wegvallen van eiser betekent als hij moet vertrekken. Deze individuele beoordeling ontbreekt. Eiser zou bij terugkeer naar Pakistan zijn broer in een hulpbehoevende situatie moeten achterlaten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ondanks dat eiser de familiaire relatie met zijn broer niet heeft aangetoond met documenten, heeft de minister het beroep op artikel 8 van het EVRM wel beoordeeld. Uit paragraaf B7/3.8 Vc9 volgt dat de minister familie- of gezinsleven, als bedoeld in
artikel 8 van het EVRM, tussen meerderjarigen aanneemt als sprake is van een
jongvolwassene of bijkomende elementen van afhankelijkheid.10 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen concluderen dat hiervan geen sprake is.
Uit eisers verklaringen en de overgelegde stukken is gebleken dat eisers broer hulp en zorg nodig heeft, maar dit maakt niet dat aan eiser een asielvergunning verleend moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de broer van eiser enkel afhankelijk is van eiser. De minister heeft van belang kunnen vinden dat eiser sinds 2015/2016 niet meer met zijn broer in één huis woonde. De broer van eiser is sinds 2021 in Nederland en heeft voor zichzelf gezorgd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat niet is gebleken dat eisers broer zonder eiser niet in staat zou zijn om te functioneren. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de broer van eiser vanwege zijn medische situatie in Nederland structureel zorg en begeleiding nodig heeft. Uit deze stukken maakt de rechtbank op dat eiser in het revalidatietraject van zijn broer regelmatig niet aanwezig was ondanks toezeggingen dat wel te zijn, dat eiser zelf de taal niet beheerst en het Nederlands (zorg)systeem niet begrijpt en zijn broer daardoor niet kan ondersteunen bij alle praktische zaken.11 Ook uit het WMO-onderzoeksverslag dat eiser heeft overgelegd, blijkt niet dat hij de enige persoon is die voor zijn broer kan zorgen. Dat eiser weliswaar op dit moment met zijn broer samenwoont en de huishoudelijke taken (huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen) op zich neemt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Deze huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen zouden ook door een derde verricht kunnen worden. De rechtbank volgt de minister dan ook in het standpunt dat de broer van eiser, ook als eiser niet in Nederland verblijft, gebruik zou kunnen maken van de benodigde (medische) voorzieningen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.