ECLI:NL:RBDHA:2026:29784

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/711137 / FA RK 26-8503
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

RM

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnr.: C/09/711137 / FA RK 26-8503

Datum beschikking: 8 september 2026

Opvolgende rechterlijke machtiging

Beschikking naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van een jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt],

hierna te noemen: cliënt,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling] te [plaats] ,

advocaat: mr. J. de Koning te Lisse.

ProcesverloopHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2026.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 14 juni 2022;

- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 4 augustus 2026;

- de op 31 juli 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij zijn behandeling betrokken was;

- het ongedateerd zorgplan.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het stuk dat ter zitting door de advocaat is overlegd:

- verzoek aan de Raad van Bestuur [zorginstelling] .

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:

- cliënt, bijgestaan door mr. D.G.M. van Hoogen, waarnemend voor zijn advocaat;

- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 2] ;

- de moeder en partner van cliënt.

Standpunten ter zitting

Cliënt heeft aangegeven dat het redelijk goed met hem gaat, maar dat hij sinds de opname in [zorginstelling] alleen maar achteruit is gegaan. Zo heeft hij steeds meer moeite met lopen en praten en mist hij zijn eigen eten. Verder geeft cliënt aan dat hij graag naar huis wil. De advocaat bepleit namens cliënt om afwijzing van het verzoek. Volgens cliënt is er een minder bezwarend alternatief, namelijk het verblijf in een hotel. Daarnaast is hij ook bereid om thuiszorg toe te laten. Hij neemt zijn medicatie trouw in en vertoont geen agressief gedrag. Daarnaast vraagt hij om hulp wanneer het nodig is. Het verblijf in de accommodatie is niet bevorderlijk voor zijn kwaliteit van leven en beperkt zijn vrijheid. Cliënt heeft ook een verzoek voor ontslag ingediend bij de Raad van Bestuur van [zorginstelling] . Hierin heeft hij aangegeven dat zijn verblijf in de accommodatie onredelijk is. Hij staat open voor zorg en is dan ook voornemens om thuiszorg te accepteren. Ook staat hij open voor het gebruik van medicatie. Cliënt is van mening dat hij nooit verbaal agressief is geweest en zal dit ook nooit zijn. Tevens zou worden gesteld dat hij geen persoonsalarmering draagt, wat volgens hem wel het geval is.

De specialist ouderengeneeskunde heeft verklaard dat cliënt gedurende de dag begeleiding en structuur nodig heeft. Zo heeft hij bijvoorbeeld hulp en aanwijzingen nodig bij het douchen. Hoewel hij afhankelijk is van zorg, weigert hij dit wel regelmatig. Daarnaast vraagt hij niet zelfstandig om hulp, mede door het ontbrekende ziekte-inzicht. Ook is hij meermaals gevallen. Cliënt heeft veel zorg nodig, hetgeen in de thuissituatie niet geboden kan worden.

De arts heeft verklaard dat cliënt regelmatig zorg weigert wanneer hij er geen zin in heeft. Ook heeft hij ondersteuning nodig bij de zelfzorg en moet hij geholpen worden bij het bereiden van zijn eten. Cliënt is tevens niet in staat om zelfstandig overeind te komen. Met betrekking tot het verzet, geeft de arts aan dat er geen sprake is van fysiek verzet, maar wel verbaal verzet. Zo weigert hij zorg en geeft hij regelmatig aan dat hij weg wil uit de accommodatie.

Beoordeling

Op 25 maart 2026 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 25 september 2026.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten de ziekte van Huntington.

Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige psychische schade;

- ernstige verwaarlozing;

- maatschappelijke teloorgang.

Cliënt is zonder de structuur, ondersteuning en begeleiding van de accommodatie onvoldoende in staat om voor zichzelf te zorgen. Cliënt neemt weinig initiatief en er is sprake van onvoldoende zelfzorg. Ook de voedselinname is beperkt en cliënt moet worden ondersteund bij het nemen van maaltijden. Daarnaast heeft cliënt de neiging om zorg af te houden wanneer dit hem niet bevalt. Als gevolg van zijn fysieke toestand is er sprake van een verhoogd valrisico. In zulke gevallen lukt het hem niet om zelfstandig overeind te komen en adequaat hulp in te schakelen. Wanneer cliënt zijn medicatie niet juist inneemt, bestaat er een groot risico op een psychische ontregeling met psychoses en wanen tot gevolg. Cliënt kan snel boos en geagiteerd reageren op zorgpersoneel als de geleverde zorg anders is dan hij verwacht. Het is dan lastig om hem hierin te corrigeren. Dit heeft er enkele keren toe geleid dat hij verbaal agressief is geweest naar zorgpersoneel.

De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Cliënt geeft aan niet opgenomen te willen zijn in de accommodatie. Daarnaast weigert hij regelmatig zorg.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van een jaar.

Beslissing

De rechtbank:

verleent een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:

[cliënt],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 september 2027.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, rechter, bijgestaan door mr. K. Houdijk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 september 2026.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 21 september 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »