ECLI:NL:RBDHA:2026:29780

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/709864 / JE RK 26-1330
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/709864 / JE RK 26-1330

Datum uitspraak: 8 september 2026

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 24 juli 2026 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] .

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.K. Gopal in 's-Gravenhage.

en

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.G. de Jong in 's-Gravenhage.

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

  • het verzoekschrift van de Raad;

  • het verweerschrift, met bijlage, namens de vader, ingekomen op 7 september 2026.

Op 8 september 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld, gecombineerd met het aangehouden verzoek van de moeder tot vaststelling van een zorgregeling met [minderjarige 2] met zaak- en rekestnummer C/09/688415 / FA RK 25-5300. In die procedure wordt bij afzonderlijke beschikking van 22 september 2026 beslist.

Op de zitting zijn verschenen: [naam 1] namens de Raad, de moeder (digitaal aanwezig) met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.

  • Zij zijn de ouders van twee (jong)meerderjarige kinderen en de volgende nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2009 in

[geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2019 in

[geboorteplaats] .

  • De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] belast.

  • [minderjarige 2] verblijft feitelijk bij de vader.

  • Bij beschikking van 20 november 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – :

- bepaald dat [minderjarige 2] , zodra de daarvoor benodigde hulpverlening beschikbaar is, voorlopig eens per twee weken voor de duur van één uur contact zal hebben met de moeder, onder begeleiding van een professionele instantie, welk contact de ouders in onderling overleg en eventueel onder begeleiding van de Raad kunnen uitbreiden;

- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de periode van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De Raad heeft het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] , waarbij de grootste zorgen zijn gelegen in het ontbreken van contact met de moeder in het afgelopen jaar. De verhalen van de ouders over hoe deze contactbreuk is ontstaan liggen ver uit elkaar. De moeder geeft aan dat zij zich fysiek, mentaal en financieel onveilig voelt vanwege de vader en diens familie. Volgens de vader heeft hij de moeder nooit bedreigd en is het juist de moeder die geen

enkele moeite doet om contact op te nemen met de kinderen. [minderjarige 2] heeft in een gesprek met de raadsonderzoeker aangegeven geen moeder meer te hebben en haar ook niet te willen zien. Deze opmerkingen vindt de Raad erg zorgelijk. Mogelijk heeft [minderjarige 2] het idee te moeten kiezen tussen de ouders. Een andere mogelijkheid is dat het een reactie is op eerdere ervaringen met de moeder, waaronder ruzie, schelden en slaan. Er zijn in de afgelopen jaren meerdere meldingen gedaan bij de politie en Veilig Thuis vanwege huiselijke twist. De Raad heeft grote zorgen om de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Er is veel sprake geweest van verzuim op school en [minderjarige 2] scoort niet op leeftijdsniveau, waardoor zijn school zich ook zorgen maakt. De situatie is iets verbeterd, maar die ontwikkeling is nog pril. Daarnaast is [minderjarige 2] een kwetsbaar jongetje dat veel heeft meegemaakt, van ruzies en spanningen tussen zijn ouders, het gemis van zijn moeder en een vader die vanwege ziekte en psychische problemen zowel fysiek als emotioneel afwezig is geweest. Voor beide ouders zou het helpend kunnen zijn als zij ouderbegeleiding krijgen in het aangaan van contact tussen [minderjarige 2] en de moeder. De moeder dient opnieuw te leren aansluiten bij de kinderen. Voor [minderjarige 2] is

het nodig dat hij op een positieve dan wel neutrale manier opgevangen wordt na omgangsmomenten met de moeder en dat hij emotionele toestemming krijgt van de vader en de andere gezinsleden om zijn moeder te zien. Een jeugdbeschermer zou op deze gebieden kunnen helpen. Daarnaast bestaan de zorgen al langere tijd en is er nog veel onduidelijk over de veiligheid van zowel [minderjarige 2] bij de moeder, als van de moeder zelf. Wanneer de begeleide omgang tussen [minderjarige 2] en de moeder wordt opgezet, zal dit spanningen met zich meebrengen voor zowel [minderjarige 2] als de ouders. Deze spanningen kunnen een grote impact hebben op [minderjarige 2] en op onderlinge relaties binnen het gezin. Het is belangrijk dat het effect hiervan op [minderjarige 2] goed in de gaten wordt gehouden door de jeugdbeschermer en dat er kan worden bijgestuurd indien nodig. De ouders hebben zich na de uitspraak van de rechter in november 2025 niet zelf aangemeld bij Kracht om begeleide omgang op te zetten, terwijl dat wel in de beschikking was opgedragen. De Raad vraagt zich daarom af in hoeverre de ouders bereid en in staat zijn om hulpverlening aan te gaan in het vrijwillig kader.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op dat wat uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 2] bestaan uit het hierna volgende. [minderjarige 2] is jong en heeft al veel meegemaakt binnen het gezin aan huiselijke twist. De kinderrechter acht het net als de Raad erg zorgelijk dat [minderjarige 2] uitspraken over de moeder doet zoals ‘dat hij geen moeder heeft’, terwijl de moeder tot april 2025 ook voor [minderjarige 2] heeft gezorgd. Het feit dat [minderjarige 2] al sinds april 2025 geen enkel contact met de moeder heeft ziet de kinderrechter op zichzelf al als ontwikkelingsbedreiging voor een kind van deze leeftijd. Daarbij komt dat [minderjarige 2] opgroeit in een gezin waarin er veel weerstand tegen de moeder is. De vader heeft ook op de zitting veel weerstand laten zien tegen (contactherstel tussen [minderjarige 2] en) de moeder. Deze spanningen krijgt [minderjarige 2] allemaal mee. [minderjarige 2] heeft verder een ontwikkelingsachterstand door veel schoolverzuim. Dat laatste is weliswaar inmiddels iets verbeterd, maar die verbetering is nog pril. Daarnaast zijn er zorgen over de moeder, mede vanwege haar ziekte, over haar onvermogen en onmacht om initiatief te nemen in het contact(herstel) met [minderjarige 2] . Ook zijn er zorgen om de veiligheid van de moeder, die al langere tijd op een geheime locatie in een vrouwenopvang verblijft. Er is ontzettend veel wantrouwen tussen de ouders. Dit alles samen genomen maakt dat het de ouders niet lukt om samen het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] tot stand te brengen, ook niet via een omgangshuis. Deze situatie speelt al langere tijd. In de beschikking van 20 november 2025 zijn de ouders opgeroepen om zich aan te melden bij Kracht voor het traject begeleide omgang en is er een voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 2] vastgesteld. De aanmelding bij Kracht heeft echter niet plaatsgevonden, ook niet door de moeder omdat zij vreesde dat haar verblijfplaats niet geheim zou blijven. Gedurende het raadsonderzoek heeft de Raad aan de ouders voorgesteld om hen alsnog bij Kracht aan te melden voor begeleide omgang, maar de vader weigerde daarvoor zijn toestemming. De kinderrechter is van oordeel dat de hulp in het vrijwillige kader niet van de grond komt, omdat deze door de vader onvoldoende wordt geaccepteerd en de moeder onvoldoende in staat lijkt om daarvoor de nodige stappen te zetten. Naar het oordeel van de kinderrechter is een ondertoezichtstelling in dit specifieke geval het enige middel dat de situatie wellicht kan verbeteren en de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] kan afwenden. Er is in het belang van [minderjarige 2] regie van een jeugdbeschermer noodzakelijk. Het doel van de ondertoezichtstelling is om het contactherstel tussen [minderjarige 2] en de moeder te begeleiden en te monitoren, en ervoor te zorgen dat dit op een veilige manier voor alle betrokkenen gebeurt, waarbij het draagvlak van [minderjarige 2] leidend is. Van belang daarbij is dat de jeugdbeschermer zicht heeft op het gezin waarin [minderjarige 2] opgroeit en kan beoordelen of hulpverlening voor [minderjarige 2] nodig is. Ook kan de jeugdbeschermer het gezin aanmelden bij Kracht voor omgangsbegeleiding.

Op de zitting is gebleken dat de jeugdreclasseerder die al drie jaar bij [minderjarige 1] , de broer van [minderjarige 2] , betrokken is (en op de zitting aanwezig), direct beschikbaar is als jeugdbeschermer voor [minderjarige 2] . Hij is al bekend met het gezin en heeft al een vertrouwensband met de vader opgebouwd.

Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling voor de duur van zes maanden. Het overige zal de kinderrechter afwijzen. Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

*

stelt [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] van

8 september 2026 tot 8 maart 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

*

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M.A. van Oosten als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »