ECLI:NL:RBDHA:2026:29774

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/710784 / JE RK 26-1437
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/710784 / JE RK 26-1437

Datum uitspraak: 8 september 2026

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te 'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over de minderjarige

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] ,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder (via een online verbinding);

  • de vader;

- [naam 1] , namens de Raad;

- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2. De feiten

2.1.

[de minderjarige] is erkend door de vader.

2.2.

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.3.

[de minderjarige] woont bij haar moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De ouders van [de minderjarige] zijn sinds zij enkele maanden oud was uit elkaar. [de minderjarige] woont bij de moeder en om het weekend is sprake van omgang met de vader. Sinds jonge leeftijd is bij zowel de vader als de moeder sprake geweest van instabiliteit. Dit heeft ertoe geleid dat [de minderjarige] meerdere malen van school is gewisseld en verschillende keren is verhuisd. Vanaf april 2023 tot mei 2026 stond [de minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling. Ondanks de inzet van de jeugdbescherming is gedurende die periode onvoldoende zicht ontstaan op de situatie bij de moeder thuis. De voor [de minderjarige] en haar ouders benodigde hulpverlening is niet van de grond gekomen. [de minderjarige] heeft geen KIES-training gevolgd en voor de ouders is geen hulpverlening ingezet gericht op Parallel Solo Ouderschap of opvoedondersteuning, terwijl dit destijds wel de doelen waren van de ondertoezichtstelling. Op dit moment zijn er dan ook nog steeds zorgen dat [de minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Zij wordt belast met volwassenenzaken en gaat hieronder gebukt. Tussen de ouders bestaat veel onderling wantrouwen. De vader heeft moeite om zich niet negatief uit te laten over de moeder. De moeder reageert hierop door zich vermijdend op te stellen. De vader heeft onvoldoende zicht op de invloed die zijn handelen en houding hebben op de situatie en op [de minderjarige] . De Raad vindt het belangrijk dat [de minderjarige] professionele ondersteuning krijgt in de vorm van een KIES-training. Deze training kan haar helpen om meer grip te krijgen op haar gevoelens en gedrag in relatie tot de situatie tussen haar ouders. Het lukt de ouders onvoldoende om [de minderjarige] buiten de onderlinge onrust te houden. Hoewel de ouders betrokken zijn bij [de minderjarige] en van haar houden, is de opvoedsituatie de afgelopen jaren onvoldoende verbeterd. Volgens de Raad is daarom opnieuw een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen en ervoor te zorgen dat de benodigde hulpverlening daadwerkelijk wordt ingezet.

4 De standpunten

4.1.

De moeder kan zich vinden in het verzoek. Zij vindt het van belang dat hulpverlening voor [de minderjarige] wordt ingezet. De moeder ziet dat [de minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict en dat zij het moeilijk vindt om van haar beide ouders te houden. Daarnaast vindt de moeder het van belang dat een vaste jeugdbeschermer wordt aangesteld en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat sprake is van wisselingen van jeugdbeschermer.

4.2.

De vader heeft naar voren gebracht dat hij wil dat het goed gaat met [de minderjarige] . Als gevolg van de vorige ondertoezichtstelling heeft hij geen vertrouwen meer in de gecertificeerde instelling. De vader onderschrijft het belang van hulpverlening voor [de minderjarige] in de vorm van een KIES-training. Hij heeft aangeboden de praktische zaken die hiermee samenhangen, zoals het halen en brengen van [de minderjarige] , voor zijn rekening te nemen.

4.3.

De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat binnen de opvoedingssituatie van [de minderjarige] bij de vorige ondertoezichtstelling al is aangegeven dat het hoogst haalbare is bereikt. Om die reden is de eerdere ondertoezichtstelling beëindigd.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

[de minderjarige] heeft tot voor kort onder toezicht van de gecertificeerde instelling gestaan. In die periode is gedurende langere tijd geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar geweest. De kinderrechter begrijpt dat dit voor de ouders frustrerend is geweest en dat dit niet heeft bijgedragen aan het vertrouwen van de ouders in de jeugdbescherming. Dit laat echter onverlet dat de ontwikkeling van [de minderjarige] op dit moment nog steeds ernstig wordt bedreigd.

5.3.

[de minderjarige] is opgegroeid in een instabiele en spanningsvolle opvoedingssituatie. De verhouding tussen de ouders wordt al geruime tijd gekenmerkt door wantrouwen en spanningen. Het lukt de ouders onvoldoende om hun onderlinge communicatie en handelen af te stemmen op wat [de minderjarige] nodig heeft. Hoewel beide ouders aangeven dat zij willen voorkomen dat [de minderjarige] wordt belast met hun onderlinge problemen, gebeurt dit in de praktijk wel. [de minderjarige] wordt geconfronteerd met spanningen tussen haar ouders en met onderwerpen die niet bij haar leeftijd passen. Hierdoor dreigt zij klem te raken tussen haar ouders.

5.4.

De kinderrechter is van oordeel dat de hiervoor beschreven ontwikkelingsbedreiging niet, althans onvoldoende, kan worden weggenomen in het vrijwillige kader. Tijdens de eerdere ondertoezichtstelling is de noodzakelijke hulpverlening onvoldoende van de grond gekomen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat opnieuw een jeugdbeschermer bij het gezin wordt betrokken. De jeugdbeschermer dient erop toe te zien dat de noodzakelijke hulpverlening daadwerkelijk wordt ingezet en dat de ouders worden ondersteund bij het creëren van een stabiele opvoedingssituatie voor [de minderjarige] . In dat kader is het van belang dat [de minderjarige] op korte termijn de KIES-training gaat volgen. Deze hulpverlening kan haar helpen om haar gevoelens en ervaringen een plek te geven en om beter om te gaan met de spanningen die zij als gevolg van de situatie tussen haar ouders ervaart. Daarnaast dient binnen de ondertoezichtstelling aandacht te worden besteed aan het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en het vergroten van hun vermogen om hun onderlinge problemen buiten het contact met [de minderjarige] te houden. De kinderrechter vindt het positief dat beide ouders het belang van hulpverlening voor [de minderjarige] inmiddels onderschrijven en dat zij beiden achter de inzet van een KIES-training staan. Dit biedt een belangrijk aanknopingspunt voor de hulpverlening.

5.5.

Gelet op het voorgaande vindt de kinderrechter een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De kinderrechter zal [de minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de verzochte duur van zes maanden.

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 8 september 2026 tot 8 maart 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier, en op schrift gesteld op 11 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »