RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29526
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Yousef).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de AMBV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde vóór 12 juni 2026.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard. Daarmee hebben de Spaanse autoriteiten de verantwoordelijkheid voor eisers asielaanvraag bevestigd. De minister heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Kon de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje?
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser eerder in Spanje een asielaanvraag heeft gedaan en dat Spanje in de basis verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. In de gronden van beroep heeft gemachtigde van eiser echter aangevoerd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan en mag worden uitgegaan ten aanzien van Spanje. Hij vreest om in Spanje aan zijn lot te worden overgelaten en op straat terecht te komen. De Spaanse regering heeft besloten om een half miljoen mensen zonder verblijfsvergunning te legaliseren, wat leidt tot lange wachtrijen, administratieve chaos, stakingen van overheidspersoneel en overvolle opvanglocaties. Eiser verwijst daarbij naar een artikel op de site “InSpanje.nl”.2 Verder voert eiser aan dat de minister de actuele feitelijke omstandigheden voor asielzoekers in Spanje niet recent heeft onderzocht.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Spanje uit heeft kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Van een schending van artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.3 De Afdeling4 heeft op 16 maart 2026 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan.5 De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de Afdeling nu anders zou oordelen. Eiser heeft verzuimd zijn stellingen op enige wijze te onderbouwen door zonder opgaaf van redenen geen gehoor te geven aan de verschillende uitnodigingen van de minister om gehoord te worden. Evenmin heeft eiser via zijn gemachtigde zijn bezwaren geuit tegen een overdracht aan Spanje. Het artikel waar eiser naar verwijst dateert van 16 april 2026 en speculeert over de praktische gevolgen van het Spaanse decreet van 14 april 2026, waarmee een half miljoen mensen uitzicht krijgt op legalisatie. Hoewel het artikel bestaande en mogelijke toekomstige problemen uiteenzet, liggen deze problemen ten tijde van de publicatie van het artikel in de toekomst. Eiser heeft geen informatie ingebracht die onderbouwen dat de situatie sinds het decreet ook werkelijk is verslechterd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat kan worden overgedragen aan Spanje. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van J.M. van der Stouwe, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.