RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening1 hangende dit beroep, op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Ido Onwuegbuchu als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.2 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser handhaaft zijn standpunt dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet is verschenen bij de aanmeldgehoren, omdat hij de uitnodigingen voor deze gehoren niet (tijdig) heeft ontvangen. Het feit dat hij een zienswijze heeft ingediend, doet volgens eiser geen afbreuk aan de plicht van verweerder om hem deugdelijk te horen. Eiser stelt dat verweerder hem daarom opnieuw had moeten oproepen voor een gehoor, waarin hij ook had kunnen verklaren over zijn persoonlijke omstandigheden. Nu verweerder dit heeft nagelaten, meent eiser dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier twee zogenaamde loopbrieven bevinden, waaruit blijkt dat verweerder op 27 maart 2026 en vervolgens op 2 april 2026 een afspraak met eiser had gepland voor het aanmeldgehoor Dublin. Met betrekking tot beide gehoren is een rapport ‘Niet verschijnen voor gehoor’ opgemaakt, waarin is vastgelegd dat eiser op geen enkele wijze de reden van zijn afwezigheid kenbaar heeft gemaakt.
De rechtbank volgt eiser in zijn verklaring in de zienswijze en op zitting dat hij de eerste uitnodiging voor het gehoor op 27 maart 2026 te laat heeft ontvangen en dat de receptioniste op eisers opvanglocatie in [locatie] aan hem heeft verteld dat hij daarom een nieuwe uitnodiging voor het gehoor zou ontvangen. Het is dan ook niet aan eiser te wijten dat hij niet is verschenen voor het eerste gehoor op 27 maart 2026.
Maar dit geldt naar het oordeel van de rechtbank niet voor het niet verschijnen voor het tweede gehoor op 2 april 2026. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser op deugdelijke wijze heeft uitgenodigd voor dit gehoor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het rapport ‘Niet verschijnen voor gehoor’ van 2 april 2026 – anders dan in het eerste rapport van niet verschijnen van 27 maart 2026 – is vermeld dat uit informatie blijkt dat eiser zijn uitnodiging niet heeft opgehaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dit duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat de uitnodiging voor het gehoor in het postvak van eiser op de opvanglocatie is gelegd. De enkele stelling van eiser dat hij de tweede uitnodiging niet heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband vindt de rechtbank van belang dat eiser er van op de hoogte was dat er een tweede uitnodiging voor een gehoor zou volgen en dat er daarom van hem mocht worden verwacht dat hij zijn post aangaande zijn asielprocedure op de opvanglocatie in de gaten zou houden. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat het niet verschijnen voor het gehoor op 2 april 2026 voor eisers rekening en risico moet komen en dat eiser niet opnieuw uitgenodigd had moeten worden voor een gehoor.
Daar komt nog bij dat eiser de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland in de zienswijze en beroep naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
Wat is het betoog van eiser?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat een overdracht aan Duitsland is strijd is met artikel 3 van het EVRM3 en artikel 4 van het Handvest4. Daartoe voert eiser aan dat er in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen en dat deze op meerdere punten niet in overeenstemming met de Opvangrichtlijn5 zijn. Eiser meent dat verweerder in het bestreden besluit de door hem in de zienswijze aangehaalde bronnen onvoldoende heeft weerlegt door deze bronnen afzonderlijk en niet in onderlinge samenhang te beoordelen. Daarnaast verwijst eiser in beroep naar het stuk “Germany 2025” van AI6, waarin staat dat er berichten zijn over een toename van
racistische, antisemitische en islamofobe haatmisdrijven, evenals haatmisdrijven gericht tegen vrouwen, lhbti-personen en andere gemarginaliseerde groepen in Duitsland. Eiser stelt dat hij zich aangetrokken voelt tot zowel mannen als vrouwen en zich daardoor in de overvolle opvanglocatie met nagenoeg geen privacy continue onveilig, geïsoleerd en angstig voelde. Zijn leefomgeving in Duitsland had dus een negatief effect op zijn fysieke en mentale gezondheid. Hij werd depressief en had ook last van suïcidale gedachten. Eiser stelt dat verweerder in het voornemen ten onrechte niet op zijn persoonlijke omstandigheden is ingegaan. Verder ziet eiser niet in hoe hij zijn basisrechten, zoals neergelegd in het arrest Ibrahim7, kan effectueren. Een mogelijkheid om over het vorenstaande te klagen bij de Duitse autoriteiten is er niet.
Wat is het standpunt van verweerder?
8. Verweerder stelt zich hierover – kort samengevat – op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.8 Dit betekent dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt of de rechtbank ambtshalve vaststelt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een dergelijke schending is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.9
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat ten
aanzien van Duitsland niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden
uitgegaan. Verweerder is in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de
door eiser in de zienswijze aangehaalde bronnen en heeft terecht geconcludeerd dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Duitsland sprake is structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.10 Wat betreft het in beroep aangehaalde stuk van AI is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld geeft van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die al zijn meegenomen in de beoordeling door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraken.11 Het betoog van eiser dat Duitsland in strijd met de Opvangrichtlijn handelt, moet – zoals verweerder terecht stelt – worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland. Eiser heeft – zoals hierna onder 9.2. wordt overwogen – niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is.
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland in zijn specifieke geval de
internationale verplichtingen schendt. De rechtbank stelt vast dat eiser pas in beroep zijn persoonlijke problemen met betrekking tot de opvang in Duitsland naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft daarom in het voornemen noch in het bestreden besluit op deze problemen kunnen ingaan. Verder heeft eiser deze problemen niet nader onderbouwd met stukken die hem persoonlijk betreffen. Daar komt bij dat Duitsland door middel van het expliciete claimakkoord heeft gegarandeerd het asielverzoek van eiser in overeenstemming met de internationale verplichtingen, die voortvloeien uit de verschillende verdragen en Europese richtlijnen, in behandeling te nemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook terecht overwogen dat eiser bij toekomstige problemen met betrekking tot de asielprocedure, de (opvang)voorzieningen, discriminatie, racisme of anderszins in Duitsland zich moet wenden tot de Duitse (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties. Niet gebleken is dat zij eiser niet willen of kunnen helpen dan wel dat klagen bij voorbaat zinloos is. De enkele stelling van eiser op zitting dat medewerkers van de Duitse opvanglocatie en stichting Caritas hem eerder niet wilden en konden helpen, is daarvoor onvoldoende.
Het betoog van eiser dat het hem onduidelijk is hoe hij zijn basisrechten zoals bedoeld in het arrest Ibrahim kan effectueren, treft geen doel. Het arrest Ibrahim gaat namelijk over de situatie van statushouders. Maar eiser heeft geen status in Duitsland en wordt op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening aan Duitsland overgedragen. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom hij zijn rechten niet zou kunnen effectueren.
Verweerder heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser bij overdracht aan Duitsland te vrezen voor indirect refoulement?
Wat is het betoog van eiser:
10. Eiser meent dat een overdracht aan Duitsland indirect refoulement oplevert, omdat hij vreest dat Duitsland hem naar zijn land van herkomst zal uitzetten. De Duitse autoriteiten hebben namelijk al eerder uitdrukkelijk te kennen gegeven hem te willen uitzetten. Daarnaast wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 augustus 202612, waarin de rechtbank heeft bepaald dat er sprake is van een onzorgvuldige Dublin-overdracht wegens een reëel risico op direct refoulement naar Nigeria door Duitsland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
11. De rechtbank overweegt dat het Hof zich in haar uitspraak van 30 november 202313 heeft uitgelaten over het toetsingskader van het zogenaamde ‘indirect refoulement’ in het kader van de Dublinprocedure. Hieruit volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in Duitsland een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer de rechtbank niet vaststelt dat er in Duitsland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Nu eiser – gelet op wat hiervoor is overwogen – dergelijke systeemfouten niet aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank de door eiser gestelde vrees voor (indirect) refoulement niet onderzoeken. De verwijzing van eiser naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, leidt niet tot een ander oordeel aangezien er geen sprake is van gelijke gevallen. In deze uitspraak was namelijk door de Duitse autoriteiten aan verweerder bericht dat de vreemdeling en haar minderjarige kinderen na hun overdracht aan Duitsland direct onder begeleiding naar hun land van herkomst zouden worden uitgezet en er geen garantie was dat de vreemdeling bij aankomst in Duitsland daadwerkelijk een (nieuwe) asielaanvraag zou kunnen indienen. Niet gebleken is dat in het geval van eiser een dergelijke mededeling door de Duitse autoriteiten is gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de overdracht zelf in strijd met de verdragsverplichtingen?
Wat is het betoog van eiser?
12. Eiser voert aan dat hij psychische problemen heeft en traumatische ervaringen in Duitsland heeft meegemaakt die zijn psychische problemen hebben verergerd. Hij stelt hiervoor in Nederland onder behandeling te staan en medicatie te krijgen. Eiser stelt zich op het standpunt dat een overdracht aan Duitsland zodanig ernstige invloed op zijn gezondheidstoestand heeft dat er sprake is van een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest C.K.14 Eiser meent dat verweerder daarom nader onderzoek door het BMA15 had moeten laten verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar diverse uitspraken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
13. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest C.K. onder meer heeft overwogen dat overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening in strijd is met artikel 4 van het Handvest als die overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene en daardoor een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou vormen. Het is in eerste instantie aan de vreemdeling om objectieve gegevens over te leggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht daarvoor aantonen.16
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft namelijk niet met stukken onderbouwd dat hij psychische klachten heeft dan wel voor deze klachten onder (medische) behandeling staat. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zoals bedoeld in het arrest C.K. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om medisch onderzoek door het BMA te laten verrichten. De verwijzing van eiser naar de diverse uitspraken geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, aangezien in die zaken wel medische stukken waren overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Getuigt overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid?
Wat is het betoog van eiser?
14. Eiser voert aan dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard is vanwege de eerdergenoemde psychische problemen en traumatische ervaringen in Duitsland. Volgens eiser is Nederland het meest aangewezen land om zijn klachten te behandelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
15. De rechtbank overweegt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te
behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening.
Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij gebruikt deze bevoegdheid
als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling
aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming
verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de ruime mate
van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst
de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde psychische klachten van eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die de overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken. Hierbij is van belang dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door de eerder gestelde traumatische ervaringen in Duitsland zodanige psychische klachten heeft opgelopen dat die klachten niet (adequaat) in Duitsland kunnen worden behandeld dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor deze behandeling.17 De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.