RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.57299
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. O. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 september 2026 heeft de minister aan eiseres, die stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. S. Akkas als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, M. Blankendaal-Sutac als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.2 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.3 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.4 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.5
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiseres betoogt dat zij rechtmatig verblijf heeft, omdat zij heeft voldaan aan het terugkeerbesluit van 1 april 2025. Zij is immers teruggekeerd naar Roemenië en heeft haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd. Eiseres betoogt ook dat er geen risico bestaat dat zij zal onderduiken. Zij betwist in dat verband bovengenoemde gronden.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden niet slagen. Eiseres heeft verklaard dat zij niets heeft in Roemenië en dat zij in geval van uitzetting meteen terug zal keren naar Nederland. Mede gelet hierop heeft eiseres niet aangetoond dat zij haar banden met Nederland heeft verbroken en zich daadwerkelijk heeft gevestigd in Roemenië en ook heeft zij haar stelling dat zij twee maanden geleden is teruggekeerd niet onderbouwd. Het terugkeerbesluit van 1 april 2025 is daarom nog steeds van kracht en de minister mag eiseres tegenwerpen dat zij geen gevolg heeft gegeven aan haar vertrekplicht. Ook mag de minister eiseres tegenwerpen dat zij niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dat zij zich aan het toezicht heeft onttrokken, dat zij te kennen heeft gegeven geen gevolg te zullen geven aan haar verplichting tot terugkeer en dat zij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Deze gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zal onderduiken.
5. Eiseres betoogt ook dat de maatregel onevenredig bezwarend is en dat in de maatregel onvoldoende kenbaar is gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiseres beschikt over een geldig paspoort, de minister had volgens eiseres kunnen volstaan met een meldplicht.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden ook niet slagen. De minister heeft in de maatregel overwogen dat het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling te groot is, omdat eiseres niet voldoet aan de verblijfsvoorwaarden voor een Unieburger, omdat zij niet kan aantonen dat zij enige moeite heeft gedaan of doet om aan die criteria te voldoen, omdat zij heeft verklaard de afgelopen tijd op straat te hebben geslapen en omdat zij pas weer in beeld is gekomen nadat zij strafrechtelijk was aangehouden als verdachte van zakkenrollerij. Verder heeft de minister overwogen dat eiseres heeft verklaard gezond te zijn, maar dat zij in het geval van medische klachten terecht kan bij de medische dienst in het detentiecentrum en dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiseres onevenredig bezwarend maken. De minister kon met die overweging volstaan. Dat eiseres beschikt over een geldig paspoort maakt voorgaande immers niet anders.
6. De overige beroepsgronden van eiseres slagen evenmin. Dat de maatregel een aantal herhalingen en een kennelijke verschrijving over de datum van een eerdere uitzetting bevat is onzorgvuldig, maar maakt het opleggen van de vreemdelingenbewaring niet onrechtmatig. Verder wordt eiseres niet tegengeworpen dat zij een actuele en daadwerkelijke bedreiging voor de openbare orde is en blijkt uit de stukken in het dossier dat de aan de bewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw niet langer dan zes uur heeft geduurd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.6
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.