ECLI:NL:RBDHA:2026:29681

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
AWB 26/9455 en AWB 26/9456
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De afwijzing is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank oordeelt dat tussen eiser en zijn volwassen zoon geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 26/9455 (beroep)

AWB 26/9456 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. J.L.A. van Halteren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 29 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.1.

Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen waarin hij vraagt te worden behandeld als ware hij in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning met alle daaraan verbonden rechten.

2.3.

De minister heeft op 22 juli 2026 een verweerschrift gestuurd.

2.4.

De rechtbank heeft de zaken op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Ook waren aanwezig [referent] (zoon en referent van eiser) en [persoon] (zoon van eiser).

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1949 en heeft de Britse nationaliteit. Hij heeft twintig jaar in Nederland gewoond en is in 2015 naar Israël verhuisd. In 2024 is eiser getroffen door één of meerdere hartaanvallen en herseninfarcten, waar hij blijvende schade aan heeft overgehouden. Sinds maart 2025 woont hij in een zorginstelling, omdat hij onder andere lijdt aan vasculaire dementie, chronische hartaandoeningen en een depressie. Eiser heeft drie meerderjarige zoons die in Nederland wonen en werken.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning met als doel ‘niet-tijdelijke humanitaire redenen’ afgewezen, omdat eiser niet valt onder één van de verblijfsdoelen zoals aangegeven in paragraaf B9/1 van de Vc1. De afwijzing van de aanvraag is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM2, omdat geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven. Er is namelijk geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent. Zij woonden ten tijde van het vertrek van eiser in 2015 niet samen. Eiser heeft intensieve zorg nodig, maar kan deze zorg in Israël krijgen. Ook de verklaring van de arts van eiser, dat hij regelmatig contact nodig zou hebben met zijn kinderen om zijn toestand te stabiliseren en zijn leven te verlengen, maakt niet dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

De beoordeling door de rechtbank

Onjuist toetsingskader

5. Eiser voert allereerst aan dat de minister een onjuist toetsingskader heeft toegepast. Er bestond geen passend aanvraagformulier dat de situatie van eiser dekt. Eiser is een ernstig zieke, niet mvv3-plichtige oud-inwoner van Nederland die op grond van artikel 8 van het EVRM om hereniging met zijn Nederlandse zoon verzoekt. De minister mocht zich niet beperken tot de vraag of eiser onder één van de categorieën uit B9/1 van de Vc valt. De minister had een volledige ‘artikel 8 EVRM beoordeling’ moeten verrichten.

5.1.

De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet kan slagen, omdat de minister zich niet heeft beperkt tot de vraag of eiser onder één van de categorieën uit B9/1 van de Vc valt. De minister heeft ambtshalve ook getoetst of de afwijzing van de aanvraag van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Er heeft in dat kader een volledige beoordeling plaatsgevonden op basis van artikel 8 van het EVRM.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid

6. Eiser voert verder aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en referent. Eiser is ernstig dementerend, volledig zorgafhankelijk, kan niet meer zelf telefonisch contact onderhouden, heeft al zijn kinderen in Nederland wonen en heeft een concrete zorgoplossing gevonden in Nederland. Uit de overgelegde verklaringen4 van de arts5 volgt dat frequente, betrouwbare en fysieke aanwezigheid van de zoons medisch noodzakelijk is om de toestand van eiser te stabiliseren, zijn waardigheid te behouden en zijn leven te verlengen. De minister heeft deze verklaringen onvoldoende in zijn besluitvorming betrokken.

6.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor gezinshereniging tussen volwassen familieleden geldt een strenge toets aan artikel 8 van het EVRM. Dit artikel beschermt het recht op iemands privé leven en zijn familie- en gezinsleven. Tussen meerderjarige familieleden is alleen sprake van beschermingswaardig familie- en gezinsleven als er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid (‘further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’) bestaat.6 Dat volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM7. De vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, is een vraag van feitelijke aard.8 Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond9, de mate van financiële afhankelijkheid10, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden11, de banden met het land van herkomst12 en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin13. Wat betreft de medische omstandigheden, volgt uit de rechtspraak dat de vraag of iemand ‘appropriate medical treatment’ kan ontvangen in het land van herkomst of een ander land van bestendig verblijf, een relevant gegeven kan zijn.14

6.2.

De rechtbank is – vol toetsend – van oordeel dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent en dus geen sprake is van beschermenswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser vóór zijn vertrek in 2015 naar Israël niet met referent samenwoonde. Ook is er geen financiële afhankelijkheid tussen hen. Verder heeft eiser banden met Israël, omdat hij daar al meer dan tien jaar verblijft en medische zorg krijgt. Het is niet in geschil dat deze zorg in algemene zin adequaat is. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van de arts volgt dat de zorg niet voldoende is en de zorg door de zoons van levensbelang is. Dat de zonen van eiser hem daarom in hun nabijheid willen hebben en voor hem willen zorgen, is dan ook zeer begrijpelijk. Dit maakt echter niet dat er juridisch gezien sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De toetst aan artikel 8 van het EVRM is namelijk niet of de afwezigheid van referent tot een voor hem medische noodsituatie leidt, maar of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen, (in dit geval) ingegeven door de medische/ emotionele afhankelijkheid. Daarbij dient de rechtbank te kijken naar hoe de feitelijke situatie nu is. En die is dat referent tot nu toe niet voor eiser heeft gezorgd zoals hij dat nu voor ogen heeft. Daarom kan niet worden gezegd dat op basis daarvan een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is ontstaan. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat niet voldoende is onderbouwd dat er geen reële zorgalternatieven aanwezig zijn in Israël. Met de minister is de rechtbank van mening dat het beroep van eiser op het arrest Martinez Alvarado15 van het EHRM in dit kader niet kan slagen. In het arrest werd de aanvrager al lange tijd daadwerkelijk verzorgd door zijn zussen. Ook was vastgesteld dat in het land van herkomst van de aanvrager geen beroep kon worden gedaan op medische voorzieningen of zorginstellingen. De beroepsgrond faalt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Daarom krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

8. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 26/9455:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 26/9456:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

de griffier,

rechter

is verhinderd om deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »