RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5466
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] e.a., uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigden: mr. V.R.H. Jongedijk en mr. B. Jongedijk-Eijsink),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda
(gemachtigde: mr. E. van Bennekom).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de rechtmatigheid van een aan eisers opgelegde last onder dwangsom die ziet op het in strijd met het bestemmingsplan laten gebruiken van een pand aan de [adres] . Eisers zijn het niet eens met deze last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de last.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij drie afzonderlijke besluiten van 29 september 2023 (de primaire besluiten) heeft het college aan eisers allen een last onder dwangsom opgelegd.
Met het bestreden besluit van 10 mei 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college de formulering van de lasten gewijzigd, de hoogte van de dwangsommen gematigd en voor het overige de primaire besluiten onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser 2] , gemachtigde mr. V.R.H. Jongedijk namens eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eisers zijn maten van Maatschap GO (de maatschap). Zij zijn allen mede-eigenaar van diverse panden aan de [straatnaam] in [plaats] , waaronder het pand aan de [adres] (de locatie). Op de derde verdieping van de locatie was ten tijde van het bestreden besluit [stichting] (de stichting) gevestigd. Eisers verhuurden deze verdieping aan de stichting. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is de stichting een samenwerkingsorgaan op het gebied van gezondheidszorg en overige gezondheidszorg ondersteunende diensten en richt het zich op het behandelen, diagnosticeren, begeleiden, ondersteunen en stimuleren van kinderen en jongeren in de regio Groene Hart met een (zeer) begaafd profiel die vastlopen of dreigen vast te lopen in het reguliere onderwijs of zorginstellingen.
Het bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd vanwege een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft zich in het bestreden besluit kort gezegd op de volgende standpunten gesteld. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Goudse Poort’ (het bestemmingsplan). Op de locatie rust onder meer de enkelbestemming ‘Kantoor’. De overtreding bestond eruit dat de stichting ten tijde van het bestreden besluit op de locatie activiteiten aan kinderen aanbood die vielen onder de definitie van ‘maatschappelijke voorziening’. Volgens artikel 9.1 van de regels van het bestemmingsplan zijn maatschappelijke voorzieningen niet toegestaan, omdat de aanduiding ‘maatschappelijk’ ter plaatse ontbreekt. Dienstverlenende bedrijven zijn wel toegestaan, maar daarvan is in dit geval geen sprake. De stichting heeft immers geen commercieel doel of winstoogmerk. Eisers kunnen aan de last voldoen door het gebruik van het pand door de stichting voor activiteiten aan kinderen te staken en gestaakt te houden. Als eisers niet aan de last voldoen, verbeuren zij per aangeschrevene een eenmalige dwangsom van € 4.000,-.
Op 5 juli 2024 is het handhavingstraject formeel beëindigd, nadat bleek dat de stichting inmiddels was verhuisd naar een andere locatie.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de last onder dwangsom voor die datum is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.1
De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Hebben eisers procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep?
6. Het college stelt zich op het standpunt dat eisers geen procesbelang hebben om de beroepsprocedure voort te zetten en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Het handhavingstraject is formeel beëindigd. De stichting heeft eerder een omgevingsvergunning aangevraagd om activiteiten in strijd met het bestemmingsplan te kunnen ontplooien op de locatie. Deze omgevingsvergunning is geweigerd. Eisers zijn daar niet tegen opgekomen. Dat sprake is van illegaal gebruik staat dan ook vast. Het gegeven dat de handhavingsprocedure mogelijk heeft geleid tot inkomstenderving voor eisers, is een onoverkomelijk gevolg van het illegale gebruik en kan geen procesbelang vormen. De stelling van eisers dat zij met het college van mening verschillen over de uitleg van de planregels behoort niet in deze procedure te worden behandeld, maar in gesprekken met de gemeente, aldus het college
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een door hem ingestelde procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.2 De vraag of sprake is van procesbelang moet worden beantwoord naar de stand van zaken op het moment waarop het beroep wordt beoordeeld.3 De omstandigheid dat een voor een belanghebbende belastend besluit het beoogde effect heeft gehad, tast het procesbelang van die belanghebbende bij een beoordeling van de in zijn beroepschrift bestreden rechtmatigheid van dat besluit niet aan.4 Procesbelang kan bestaan indien een betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.5 Procesbelang kan ook gelegen zijn in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter kan worden betrokken bij eventuele toekomstige (terugkerende) besluiten die ten aanzien van de belanghebbende worden genomen. Daarbij moet wel aannemelijk zijn dat die besluitvorming zich in de toekomst voordoet.6
Ondanks dat het handhavingstraject inmiddels is beëindigd, is de rechtbank van oordeel dat eisers belang hebben bij het voeren van deze beroepsprocedure. Anders dan het college lijkt te betogen, staat nog niet in rechte vast dat sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan en dus van een overtreding. Gelet op hetgeen door eisers in deze procedure naar voren wordt gebracht, moet de rechtbank zich juist over onder meer die vraag uitlaten. Het maximale resultaat dat eisers met hun beroep kunnen bereiken, is dat de rechtbank hun beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit vernietigt en het primaire besluit, zelf in de zaak voorziend, herroept. Hierdoor zou een situatie ontstaan die erop neerkomt dat aan eisers ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd. Eisers stellen schade te hebben geleden door dit besluit, in ieder geval bestaande uit het mislopen van huurpenningen gedurende enige tijd. De rechtbank acht deze schade aannemelijk. Ook is het aannemelijk dat in de toekomst soortgelijke besluiten ten aanzien van eisers zouden kunnen worden genomen, omdat zij meerdere panden in hetzelfde plangebied verhuren. Eisers hebben dus belang bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de uitleg van de betreffende planregels.
Was sprake van een overtreding?
7. Eisers betogen dat geen sprake was van een overtreding. Het gebruik van het pand door de stichting was niet strijdig met de betreffende planregels. De activiteiten van de stichting vallen onder het begrip ‘dienstverlening’ en het bestemmingsplan staat dienstverlenende bedrijven ter plaatse toe. Het is niet nodig dat de stichting over een commercieel doel of winstoogmerk beschikt. Dat zou enkel nodig zijn als sprake moet zijn van een onderneming. De begrippen ‘bedrijf’ en ‘onderneming’ moeten volgens algemeen spraakgebruik van elkaar onderscheiden worden. Het college toetst de activiteiten van de stichting ten onrechte ook aan de kwalificatie van ‘maatschappelijke voorzieningen’. De plansystematiek brengt met zich dat wanneer sprake is van een dienstverlenend bedrijf, de vraag of óók sprake is van een maatschappelijke voorziening niet relevant is, omdat dienstverlenende bedrijven ter plaatse nu eenmaal zijn toegestaan.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet omwille van de rechtszekerheid bij de uitleg van planregels in eerste instantie worden aangesloten bij de letterlijke betekenis van de planregel.7 Als de planregel op zichzelf noch in samenhang met de verbeelding en andere planregels (de plansystematiek) duidelijk is, moet het college kijken naar de toelichting bij het bestemmingsplan.8 Bij een gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan zelf en de plantoelichting kan het college voor de uitleg van planregels tot slot nog aansluiting zoeken bij wat in het algemeen spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Daarbij mag de betekenis zoals deze in het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" (Van Dale) is gegeven, worden betrokken.9
Ten tijde van het bestreden besluit gold op de locatie het bestemmingsplan. Op de locatie rust onder meer de enkelbestemming ‘Kantoor’. Volgens artikel 9.1 van de regels van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Kantoor’ aangewezen gronden bestemd voor onder andere dienstverlenende bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Dat laatste geldt echter wel enkel als op de verbeelding de aanduiding ‘maatschappelijk’ is toegevoegd. In dit geval is daarvan geen sprake. Daaruit volgt dat maatschappelijke voorzieningen ter plaatse niet zijn toegestaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet deugdelijk onderbouwd dat een ‘dienstverlenend bedrijf’ als bedoeld in artikel 9.1 van de planregels een winstoogmerk moet hebben. Volgens het college zou dit volgen uit de letterlijke betekenis van het begrip ‘bedrijfsmatig’ als genoemd in de definitie van het begrip ‘dienstverlening’ in artikel 1.30 van de planregels. Maar ook na vragen daartoe ter zitting, heeft het college niet kunnen uitleggen waarom daaruit zou volgen dat een dienstverlenend bedrijf een winstoogmerk moet hebben. De verwijzing in dit kader naar het algemeen spraakgebruik treft geen doel, omdat het college eerst had moeten kijken naar de plansystematiek en de plantoelichting voordat kan worden toegekomen aan de vraag wat in het algemeen spraakgebruik onder deze begrippen wordt verstaan. Nergens uit blijkt dat het college de plansystematiek en plantoelichting bij de motivering heeft betrokken. Overigens heeft het college ook niet afdoende gereageerd op de uitleg die eisers zowel in bezwaar als in beroep aan deze begrippen hebben gegeven. Wat hier echter ook van zij, voor de beoordeling of in dit geval sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant of de activiteiten van de stichting kunnen worden aangemerkt als dienstverlening en daarmee of de stichting zelf kan worden aangemerkt als dienstverlenend bedrijf. De rechtbank licht dat hierna toe.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten die de stichting ter plaatse ontplooide in ieder geval vallen onder de definitie van ‘maatschappelijke voorzieningen’ als bedoeld in artikel 1.37 van de planregels. De stichting is een samenwerkingsorgaan op het gebied van gezondheidszorg. De stichting richt zich op het behandelen, diagnosticeren, begeleiden, ondersteunen en stimuleren van kinderen en jongeren met een (zeer) begaafd profiel. Volgens haar website werken bij de stichting onder meer psychologen, gedragswetenschappers en orthopedagogen. Niet valt uit te sluiten dat een of meerdere doelstellingen zelfs kunnen worden aangemerkt als medische voorzieningen, maar de doelstellingen vallen in ieder geval onder het bredere begrip ‘zorg’ als genoemd in de definitiebepaling van artikel 1.37 van de planregels.
Met het college is de rechtbank ook van oordeel dat het gebruik van het pand voor ‘maatschappelijke voorzieningen’ in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de aanduiding ‘maatschappelijk’ ter plaatse ontbreekt. De omstandigheid dat dit gebruik volgens eisers ook kan worden aangemerkt als ‘dienstverlenend bedrijf’, daargelaten de juistheid van deze stelling, en dienstverlenende bedrijven ter plaatse zijn toegestaan, maakt, anders dan eisers betogen, niet dat het gebruik alleen al daarom wel in overeenstemming is met de planregels.10 Uit de planregels blijkt immers duidelijk dat maatschappelijke voorzieningen hier niet zijn toegestaan. Dat de stichting mogelijk ook als dienstverlenend bedrijf kan worden aangemerkt, doet daaraan niet af. De stelling van eisers dat het college ten onrechte aan het begrip ‘maatschappelijke voorzieningen’ heeft getoetst, kan de rechtbank dan ook niet volgen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers, door het pand te verhuren aan de stichting, hebben gehandeld in strijd met artikel 9.1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan. Zij beschikten niet over de daarvoor benodigde omgevingsvergunning en dat levert een overtreding op van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het college kon dus handhavend optreden.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
8. Eisers betogen dat het college in strijd heeft gehandeld met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe voeren zij het volgende aan. Allereerst heeft het college in strijd met het beginsel van détournement de pouvoir gehandeld door de last onder dwangsom te gebruiken om eisers te bestraffen. Gelet op de onduidelijkheid van de last en het feit dat zij daar enkel aan konden voldoen door de stichting te dwingen het pand geheel te verlaten, hebben eisers aanzienlijke schade geleden. Verder worden eisers onevenredig belast door de last onder dwangsom. Het college heeft daar onvoldoende rekening mee gehouden bij het opleggen van de last onder dwangsom. Zo heeft het college nagelaten te onderzoeken of een voor eisers minder belastende, kleine aanpassing van het gebruik tot hetzelfde resultaat had kunnen leiden. Overigens had de gemeente de overtreding eenvoudigweg zelf kunnen beëindigen door haar eigen privaatrechtelijke opdracht aan de stichting in te trekken, waardoor aan handhaving niet zou worden toegekomen. Tot slot is de last in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel onvoldoende duidelijk. Door in het voornemen, het primaire besluit en uiteindelijk het bestreden besluit wisselende en vage bewoordingen te gebruiken voor de formulering van de herstelmaatregel, konden eisers enkel aan de last voldoen door de stichting te dwingen het pand geheel te verlaten.
Beginselplicht tot handhaving
Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.11
Is sprake van strijd met het beginsel van détournement de pouvoir?
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het beginsel van détournement de pouvoir. Uit het dossier en hetgeen door het college ter zitting is toegelicht, blijkt dat het college de last onder dwangsom aan eisers heeft opgelegd om de overtreding te beëindigen en zo de rechtmatige situatie te herstellen. Dat is volgens artikel 5:31d, in combinatie gelezen met artikel 5:2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook het doel van een last onder dwangsom. Nergens uit blijkt dat het college de last heeft opgelegd om eisers te bestraffen. Dat eisers dit zo hebben ervaren, omdat zij stellen schade te hebben geleden ten gevolge van de last onder dwangsom, maakt het voorgaande niet anders.
Was het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig?
Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Zoals hiervoor al uiteengezet, is het bestuursorgaan in beginsel gehouden om bij een geconstateerde overtreding over te gaan tot handhaving, maar kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
De rechtbank stelt voorop dat de opgelegde last onder dwangsom geschikt was om het door het college beoogde doel te bereiken, te weten het beëindigen van de overtreding. Gelet op het feit dat eerdere waarschuwingen aan het adres van eisers er niet toe hebben geleid dat de overtreding werd beëindigd, kan de rechtbank het college ook volgen in zijn standpunt dat het noodzakelijk was de last onder dwangsom op te leggen om zo het beoogde doel ook daadwerkelijk te bereiken. De opgelegde last onder dwangsom was tot slot ook evenwichtig, nu de last ruimte liet voor verschillende manieren om daaraan uitvoering te geven. Het lag op de weg van eisers om te onderzoeken of de stichting op de locatie nog wel andere activiteiten kon ontplooien. Eisers hebben ervoor gekozen de huurovereenkomst met de stichting volledig op te zeggen en de stichting zo te dwingen het pand in het geheel te verlaten. Het bestreden besluit laat echter wel degelijk ruimte voor minder vergaand ingrijpen. Zo had de stichting bijvoorbeeld haar kantoorwerkzaamheden, niet zijnde activiteiten met kinderen, op deze locatie voort kunnen zetten.
De rechtbank kan eisers niet volgen in het standpunt dat hun belangen in het bestreden besluit zijn genegeerd. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college wel degelijk oog heeft gehad voor de belangen van eisers, maar de belangen die gediend waren met handhaving in dit geval zwaarder heeft laten wegen. De rechtbank is van oordeel dat het college die belangen in redelijkheid ook zwaarder heeft kunnen laten wegen. Door eisers is enkel als belang naar voren gebracht dat zij aanzienlijke financiële schade hebben geleden, doordat zij de huurovereenkomst met de stichting hebben moeten opzeggen. Dat eisers in hun financiële belangen zijn getroffen, is echter een risico dat voor hun rekening dient te komen, aangezien zij het pand zonder de benodigde omgevingsvergunning in gebruik hebben laten nemen voor maatschappelijke voorzieningen.12
Voor zover eisers dit hebben beoogd te betogen, betekent het enkele feit dat de gemeente kennelijk zelf opdrachtgever van de stichting is niet dat het college daarmee heeft aanvaard dat de stichting het pand gebruikte in strijd met het bestemmingsplan en dat het daarom onevenredig was om over te gaan tot handhavend optreden. Ook het betoog dat het college de overtreding en daarmee handhaving had kunnen voorkomen door de opdracht aan de stichting in te trekken, slaagt niet. Het is immers niet aan het college om een overtreding te voorkomen, maar aan de overtreder(s) zelf.
De rechtbank ziet dus geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen in dit geval zodanig onevenredig was dat het college van dat handhavend optreden behoorde af te zien.
Was de last in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel onvoldoende duidelijk?
Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.13
In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de last niet voldoende duidelijk en concreet is geformuleerd en dat om die reden het bestreden besluit in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Weliswaar is de formulering van de voorgestelde herstelmaatregel gedurende de besluitvormingsprocedure een aantal maal enigszins gewijzigd, maar dat maakt nog niet dat eisers in het duister hebben moeten tasten over hetgeen gedaan moest worden om de overtreding te beëindigen. Uit de uiteindelijke formulering van de herstelmaatregel in het bestreden besluit blijkt duidelijk dat het college met de opgelegde last onder dwangsom beoogde dat de activiteiten die de stichting in het pand voor kinderen verrichtte volledig gestaakt zouden worden en gestaakt zouden blijven. De rechtbank ziet niet in wat daaraan onduidelijk is.
Conclusie
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het beginsel van détournement de pouvoir, het evenredigheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
|
Griffier |
Rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
(…)
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)
Artikel 5:2
In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;
(…)
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,
(…).
Bestemmingsplan ‘Goudse Poort’
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
(…)
dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan het publiek, zoals een kapsalon, reisbureau, uitzendbureau, bankfiliaal, wasserette of apotheek, eventueel met bijbehorend kantoor, magazijn of ambacht, zulks met uitzondering van horecabedrijven en seksinrichtingen.
(…)
maatschappelijke voorzieningen
overheids-, medische, educatieve, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, recreatieve en vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van sportbeoefening, kinderdagverblijven, kinderopvang en zorg.
Artikel 9 Kantoor
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Kantoor’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
kantoren;
-
aan de functies onder a. gebonden parkeervoorzieningen;
-
maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’;
-
dienstverlenende bedrijven;
-
erven, groenvoorzieningen en water;
-
parkeergarages, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’.