RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.44701 (beroep)
NL26.44702 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1990, staatloos, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. D. van Hout).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 16 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, M. Dahiva als tolk in de taal Hindi en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep en de het verzoek om een voorlopige voorziening geschorst om een tolk in de Tibetaanse taal te regelen.
De behandeling van het beroep en de het verzoek om een voorlopige voorziening is op de zitting van 24 september 2026 voortgezet. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. Khokhar als tolk in de talen Hindi en Engels en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij in India is geboren en dat hij tot de Tibetaanse bevolkingsgroep behoort. Er zijn voor Tibetanen weinig rechten in India en eiser wordt gediscrimineerd vanwege zijn identiteit. Eiser werd uitgescholden en mishandeld en hij kan de Indiase nationaliteit niet verkrijgen ondanks dat hij in India is geboren. Er zijn geen gelijke rechten voor eiser als Tibetaan waardoor hij niet dezelfde mogelijkheden heeft als anderen met de Indiase nationaliteit. Eiser heeft geen toegang tot goede overheidsbanen, moet betalen voor medische zorg en heeft weinig goede opleidingsmogelijkheden. Verder wil eiser zich inzetten voor behoud van de Tibetaanse taal, cultuur en gewoontes.
Bestreden besluit
5. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst. De aanvraag is op grond van artikel 30b van de Vw1 en artikel 42, eerste lid onder e, van de Procedureverordening2 kennelijk ongegrond. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook acht de minister de discriminatie vanwege eisers Tibetaanse etniciteit geloofwaardig. Eiser komt echter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning omdat hij geen vluchteling is en ook geen recht heeft op subsidiaire bescherming.
Veilig land van herkomst - algemeen
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit terecht overwogen dat India in het algemeen kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst.3 Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan.
7. Daarnaast heeft de minister terecht overwogen dat het niet aannemelijk is dat India voor eiser persoonlijk niet veilig is. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Discriminatie als Boeddhistische Tibetaan
8. Eiser voert aan dat Tibetanen in India moeite hebben met het uitoefenen van hun burgerschapsrechten, zelfs als ze aan de wettelijke vereisten hiervoor voldeden. Volgens verschillende bronnen worden Tibetanen die paspoorten aanvragen getroffen door administratieve vertragingen of terughoudendheid om aanvragen te verwerken. India kan voor eiser niet als veilig land van herkomst aangemerkt worden, omdat eiser tot een etnische groep behoort die bloot staat aan vervolging.
Het volgende toetsingskader is van toepassing. De minister merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.4
De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat eiser is gediscrimineerd in India. De vraag is of deze discriminatie zo ernstig is geweest dat eiser hierdoor in India niet kon functioneren. Eiser heeft problemen ondervonden met onder andere het aanvragen van een paspoort. De rechtbank miskent niet dat de door eiser ondervonden problemen voor hem vervelend moeten zijn geweest. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat de door eiser ondervonden discriminatie niet kan worden aangemerkt als daad van vervolging. Eiser heeft namelijk altijd toegang gehad tot huisvesting en medische zorg, hij heeft altijd kunnen werken en heeft een opleiding kunnen volgen. Eiser is dus niet zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren, dat sprake is van discriminatie als vervolgingsgrond.
De beroepsgrond slaagt niet.
Refoulement naar China
9. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij een risico loopt op ernstige schade omdat India Tibetanen wil gaan uitzetten naar China waar hen een behandeling wacht die in strijd is met artikel 3 van het EVRM5. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar landeninformatie.
De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een refoulementrisico. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie blijkt niet dat Tibetanen als een groep vanwege hun etniciteit in India worden vervolgd. Verder blijkt er niet uit dat Tibetanen worden uitgezet naar China. Er is weliswaar op deelstaatniveau een petitie gestart om Tibetanen uit te zetten, maar uit de informatie blijkt dat de federale regering deze petitie niet ondersteunt en geen plannen heeft om Tibetanen uit te zetten naar China.
Ook deze grond slaagt niet.
Kennelijk ongegrond
10. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de minister de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgedaan.
Ingevolge artikel 30b, eerste lid, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de minister India in zijn algemeenheid en voor eiser persoonlijk terecht heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. Hiermee is sprake van het geval als genoemd in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder e, van de Procedureverordening. De minister heeft de aanvraag dus terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.44701:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.44702:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek op een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.