ECLI:NL:RBDHA:2026:29673

Datum uitspraak
17-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
SGR 25/1406
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het afwijzen van een handhavingsverzoek ten aanzien van het zonder omgevingsvergunning bouwen van een aanbouw. Volgens het college is de die aanbouw omgevingsvergunningvrij. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanbouw omgevingsvergunningvrij is en het college het handhavingsverzoek van eisers dus terecht heeft afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/1406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

(gemachtigden: F.B. Simsek-Celik en mr. A.O. Berghuis).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [woonplaats] (derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van een handhavingsverzoek ten aanzien van het zonder omgevingsvergunning bouwen van een aanbouw. Volgens het college is de die aanbouw omgevingsvergunningvrij. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanbouw omgevingsvergunningvrij is en of het college het handhavingsverzoek heeft mogen afwijzen.

1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanbouw omgevingsvergunningvrij is en het college het handhavingsverzoek van eisers dus terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben het college op 14 april 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen een niet vergunde bouwactiviteit aan het pand van de derde-partij aan [adres] . Bij besluit van 21 juni 2024 (primair besluit I) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.

2.1. De derde-partij heeft op 20 juni 2024 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Bij besluit van 18 juli 2024 (primair besluit II) heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.

2.2. Met het besluit van 20 januari 2025 (het bestreden besluit) op de bezwaren van eisers tegen primair besluiten I en II heeft het college primair besluit II herroepen, de aanvraag om een omgevingsvergunning in heroverweging alsnog afgewezen en primair besluit I in stand gelaten.

2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben vervolgens nog een aanvullende reactie ingediend.

2.4. De derde-partij heeft een schriftelijke reactie op het beroep ingediend.

2.5. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het college en [derde-partij 1] als derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving of een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

3.1. Het verzoek om handhaving en de aanvraag omgevingsvergunning zijn gedaan op 14 april 2024 respectievelijk 20 juni 2024. Dat betekent dat in dit geval de Omgevingswet van toepassing is.

Toetsingskader

4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar het in deze zaak om gaat, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Oosterheem / Zegwaartseweg-Noord” (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt sinds 1 januari 2024 dus deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zoetermeer (het omgevingsplan). Naast het bestemmingsplan maakt ook de zogenoemde bruidsschat onderdeel uit van ieder omgevingsplan. Hierin zijn onderwerpen geregeld die voorheen, onder het regime van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in rijksregels zoals het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen. De bruidsschatbepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 22 van ieder omgevingsplan.

4.1. De bepalingen uit het omgevingsplan en de Omgevingswet die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak, zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De standpunten van partijen

5. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding, omdat de aanbouw omgevingsvergunningvrij mocht worden opgericht. Ter onderbouwing van dat standpunt wijst het college op de voorwaarden voor omgevingsvergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, aan welke voorwaarden is voldaan. Aan artikel 22.27 van het omgevingsplan komt zelfstandige betekenis toe en in aanvulling daarop hoeft niet ook aan de voorwaarden van artikel 22.36 van het omgevingsplan te worden voldaan om van een omgevingsvergunningvrije activiteit te kunnen spreken. Om als omgevingsvergunningvrije activiteit in de zin van artikel 22.27 van het omgevingsplan te kunnen worden aangemerkt, moet in aanvulling op de voorwaarden van dat artikel wel tevens zijn voldaan aan de bestemmingsregels die op deze locatie met de bestemming ‘Wonen-1’ gelden. Daar is in dit geval sprake van.

6. Eisers betogen dat wel degelijk sprake is van een overtreding. Zij voeren in de kern aan dat de aanbouw wel omgevingsvergunningplichtig is, omdat niet kan worden volstaan met een enkele toets aan artikel 22.27 van het omgevingsplan. Na de constatering dat is voldaan aan artikel 22.27 van het omgevingsplan, moet volgens eisers nog getoetst worden aan de voorwaarden in artikel 22.36 en artikel 22.37 van het omgevingsplan. Dat betekent dat het gebruik van de aanbouw, die deels op meer dan vier meter van het hoofdgebouw is gelegen, in dit geval functioneel ondergeschikt moet zijn aan de woning om de bouw daarvan als omgevingsvergunningvrij te kunnen aanmerken. Nu de aanbouw gebruikt wordt om te wonen, is van functioneel ondergeschikt gebruik geen sprake.

Is de aanbouw omgevingsvergunningvrij?

7. Artikel 22.26 van het omgevingsplan bevat een verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (de omgevingsplanactiviteit bouwwerken). Artikel 22.27 van het omgevingsplan maakt op dit verbod een uitzondering, in het geval een bouwwerk voldoet aan de voorwaarden uit dat artikel. Voor die bouwwerken is geen omgevingsvergunning vereist, mits ze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan.1 Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de bestemmingsregels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. In artikel 22.27 van het omgevingsplan zijn activiteiten opgenomen die voorheen – met uitzondering van enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding – opgenomen waren in artikel 3 van bijlage II bij het Bor.

7.1. Artikel 22.36 van het omgevingsplan maakt op het verbod van artikel 22.26 van het omgevingsplan ook een uitzondering, in het geval een bouwwerk voldoet aan de voorwaarden uit dat artikel. Voor die bouwwerken is geen omgevingsvergunning vereist. Anders dan het geval is voor de bouwwerken als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, wordt van de in artikel 22.36 van het omgevingsplan bedoelde bouwwerken van rechtswege aangenomen dat deze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Er vindt in die gevallen dus geen toets meer plaats aan het omgevingsplan. In artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn activiteiten opgenomen die voorheen grotendeels waren opgenomen in artikel 2 van bijlage II bij het Bor.

7.2. Anders dan eisers betogen, is artikel 22.36 van het omgevingsplan geen bijzondere invulling van het toetsingskader als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan. Artikel 22.36 van het omgevingsplan vormt een aanvulling op artikel 22.27 van het omgevingsplan; als – in aanvulling op de voorwaarden van artikel 22.27 van het omgevingsplan – aan de voorwaarden van artikel 22.36 van het omgevingsplan is voldaan, is sprake van een omgevingsvergunningvrije activiteit die van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Het is dus niet zo dat een activiteit, om aangemerkt te kunnen worden als omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, ook moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Als voldaan is aan de voorwaarden uit artikel 22.27 van het omgevingsplan, moet de activiteit nog wel getoetst worden aan de van toepassing zijnde bestemmingsregels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Anders dan eisers betogen, bevat artikel 22.36 van het omgevingsplan niet dergelijke regels.

7.3. De rechtbank kan eisers ook niet volgen in hun betoog dat, wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 22.27 van het omgevingsplan, nog moet worden beoordeeld of het betreffende bouwwerk wel strekt tot gebruik overeenkomstig het gebruiksdoel zoals bepaald in artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 2, onder ii, in samenhang gelezen met artikel 22.37, eerste lid, van het omgevingsplan. Uit de passage in de Nota van Toelichting horende bij het Bor waar eisers ter onderbouwing van hun betoog naar hebben verwezen, volgt dat als er in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het Bor een planologisch gebruiksdoel is voorgeschreven waartoe het gebruik van het op te richten bouwwerk moet strekken, het op te richten bouwwerk enkel als omgevingsvergunningvrij kan worden aangemerkt als het bouwwerk ook daadwerkelijk voor dat gebruiksdoel wordt opgericht.2 Diezelfde redenatie geldt weliswaar voor het systeem van omgevingsvergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet, nu de bedoeling van de wetgever is geweest om de regels die voorheen onder het regime van de Wabo golden zoveel mogelijk beleidsneutraal over te zetten. In het geval van artikel 22.27, aanhef en onder a, van het omgevingsplan is echter geen planologisch gebruiksdoel voorgeschreven waartoe het gebruik van het op te richten bouwwerk moet strekken.

7.4. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval geen omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit nodig is op grond van artikel 2.25 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de bouwactiviteit voldoet aan artikel 22.27, aanhef en onder a, van het omgevingsplan en aan de van toepassing zijnde bouw- en gebruiksregels, opgenomen in artikel 15.1 en 15.2 van het bestemmingsplan.

7.5. Gelet op het voorgaande, heeft het college terecht aangenomen dat de aanbouw omgevingsvergunningvrij gebouwd mocht worden. Het college heeft het besluit waarin de omgevingsvergunning voor deze bouwactiviteit werd verleend dan ook terecht herroepen en de aanvraag om een omgevingsvergunning alsnog afgewezen. Omdat de aanbouw omgevingsvergunningvrij gebouwd mocht worden, is geen sprake van de door eisers gestelde overtreding. Het handhavingsverzoek van eisers is daarom door het college terecht afgewezen.

Is het college in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de gronden van bezwaar?

8. Voor zover eisers hebben betoogd dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd door niet in te gaan op de gronden van bezwaar, volgt de rechtbank hen niet in dit betoog. Het college heeft voor de onderbouwing van het bestreden besluit verwezen naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente. Dat advies komt in de kern neer op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingegaan op de gronden van bezwaar.

9. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

10.1. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Eisers krijgen ook het door hen betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J Kemper, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit,

(…)

Bijlage bij artikel 1.1

A. Begrippen

omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

  1. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

  2. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

  3. (…)

Omgevingsplan gemeente Zoetermeer

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 15 Wonen-1

15.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen-1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, (…)

15.2

Bouwregels

15.2.1

Algemeen

a. hoofdgebouwen en erfbebouwing mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

(…)

15.2.4

Erfbebouwing

a. erfbebouwing mag uitsluitend worden opgericht vanaf 1 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw;

b. in afwijking van het gestelde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - carport [sba -c]' overkappingen toegestaan;

c. van erfbebouwing mag de goothoogte niet meer bedragen dan 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5 m;

d. ingeval op het moment van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan de situering van de erfbebouwing afwijkt van hetgeen is bepaald in lid 15.2.4 onder a en b, dan mag tevens op de bestaande locatie erfbebouwing worden opgericht;

e. ingeval op het moment van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan de goothoogte, bouwhoogte en/of oppervlakte van de erfbebouwing groter is, dan is bepaald in lid 15.2.4 onder c tot en met e, dan geldt de bestaande maat als maximale maat.

(…)

15.4

Specifieke gebruiksregels

15.4.1

Algemeen

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

a. het gebruik van een vrijstaand bijgebouw voor bewoning;

b. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van caravans, boten en overige zaken anders dan ten behoeve van de bestemming;

c. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal gebruik;

d. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor detailhandel, met uitzondering van een webshop zoals bedoeld in lid 15.4.2 onder f;

e. het gebruik vangronden en/of bouwwerken voor horeca;

f. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van consumentenvuurwerk;

g. het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van raam- en straatprostitutie.

(…)

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. op de grond staand;

2°. gelegen in achtererfgebied;

3°. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4°. niet hoger dan 5 m;

5°. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

6°. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

(…)

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

(…)

2.

voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

(…)

ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, (…)

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

(…)

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »