ECLI:NL:RBDHA:2026:29557

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/09/706200
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Schending concurrentiebeding na bedrijfsovername. Beperking van het concurrentiebeding op grond van de redelijkheid en billijkheid. Matiging van de verbeurde contractuele boete.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaak-/rolnummer: C/09/706200 / HA ZA 26-537

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V. te [plaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. H. Yuce,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. Ö. Arslan.

1 De zaak in het kort

[gedaagde] heeft zijn horecaonderneming aan [eiseres] verkocht. In de koopovereenkomst die partijen daartoe hebben gesloten is een concurrentiebeding opgenomen, op schending waarvan een contractuele boete is gesteld. [gedaagde] heeft het concurrentiebeding overtreden en moet daarom een contractuele boete aan [eiseres] betalen. Het boetebedrag wordt door de rechtbank gematigd. De periode waarvoor [eiseres] [gedaagde] aan het concurrentiebeding kan houden, is inmiddels verstreken. [gedaagde] hoeft daarom zijn concurrerende activiteiten niet te staken.

2 De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 19 mei 2026, met producties 1 tot en met 26;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3;

- de akte verzoek horen getuigen tijdens mondelinge behandeling op grond van artikel 87 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.2.

Op 31 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de mondelinge behandeling is besproken.

3 De feiten

Op grond van de processtukken en wat op de mondelinge behandeling is besproken, wordt van het volgende uitgegaan.

3.1.

[gedaagde] is eigenaar geweest van de horecagelegenheid [bedrijfsnaam 1] aan de [adres 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [gedaagde] heeft als bijnaam ‘ [bijnaam] ’.

3.2.

In 2024 zijn [eiseres] en [gedaagde] met elkaar in contact getreden omdat [eiseres] mogelijk interesse had [bedrijfsnaam 1] van [gedaagde] te kopen. Het contact tussen [eiseres] en [gedaagde] daarover is tot stand gekomen via de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] was destijds de boekhouder van zowel [eiseres] als [gedaagde] .

3.3.

Op 19 juli 2024 hebben [eiseres] (als ‘koper’) en [gedaagde] (als ‘verkoper’) een schriftelijke koopovereenkomst (hierna: koopakte) met betrekking tot [bedrijfsnaam 1] getekend. In de koopakte is opgenomen dat [eiseres] [bedrijfsnaam 1] per 1 augustus 2024 van [gedaagde] overneemt voor een koopprijs van € 120.000 en dat [eiseres] [bedrijfsnaam 1] per die datum voor eigen rekening en risico zal exploiteren. Verder is in deze koopovereenkomst onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 7: Overige Bepalingen | Boetebepaling

[...]

7.4

Verkoper zal tot en met 31 december 2024 in de zaak blijven en ondersteunen tijdens overdracht van zaken. Verkoper zal een bedrag (loon) afspreken met koper. Ondersteuning / in dienst zal ingaan na verkoop zaak.

7.5

Verkoper zal na verkoop zaak binnen straal van 30 km geen zelfde activiteiten verrichten of gelijksoortige producten mogen verkopen. Indirect of direct, familie, kennis, vrienden is het niet toegestaan om dezelfde of soortgelijk activiteiten te verrichten of te mogen werken bij soortgelijke zaak.

7.6

Als de verkoper niet voldoet aan artikel 7.4 en 7.5 zal voor iedere overtreding een voor koper bestemde boete verbeuren waarvan het bedrag overeenkomt met € 25.000,- per overtreding per artikel en € 5.000,- voor iedere dag dat overtreding of de niet nakoming voortduurt, onverminderd het recht van de koper om in plaats van de boete volledige schadevergoeding te verlangen.”

3.4.

De tekst van de schriftelijke koopakte is door [naam 1] opgesteld.

3.5.

[gedaagde] is na de verkoop van [bedrijfsnaam 1] aan [eiseres] nog een periode in [bedrijfsnaam 1] werkzaam geweest, in ieder geval tot en met januari 2025.

3.6.

Op 1 oktober 2025 heeft [gedaagde] een nieuwe horecagelegenheid ingeschreven in het handelsregister onder de naam ‘ [bedrijfsnaam 2] ’ met als bezoekadres [adres 2] . Deze locatie bevindt zich op een afstand van circa 550 meter van [bedrijfsnaam 1] .

3.7.

[eiseres] heeft aan [gedaagde] laten weten dat [eiseres] van mening was dat [gedaagde] het concurrentiebeding zou schenden door op deze locatie een nieuwe horecagelegenheid te starten en heeft hem verzocht of gewaarschuwd de ondernemingsactiviteiten te staken.

3.8.

[gedaagde] heeft vervolgens [bedrijfsnaam 2] medio oktober 2025 uitgeschreven bij het handelsregister.

3.9.

In de tweede helft van oktober 2025 heeft de heer [naam 2] , een oom van [gedaagde] , onderneming ‘ [bedrijfsnaam 3] ’ op zijn naam ingeschreven in het handelsregister, met eveneens als bezoekadres [adres 2] .

3.10.

Op 10 december 2025 zijn tussen [eiseres] en [gedaagde] onder meer de volgende WhatsAppberichten gewisseld:

“ [gedaagde] aan [eiseres] : Salaam. Als je partner wilt worden. Geef 100 en word partner.

[eiseres] aan [gedaagde] : Waarom, wat is er, 100

[gedaagde] aan [eiseres] : Ik heb onderzoek gedaan. Eetcafé en pizzeria zijn apart. Sector.

[eiseres] aan [gedaagde] : Als je onderzoek hebt gedaan, open dan broer, ga door.

[eiseres] aan [gedaagde] : Zet het eten van [bedrijfsnaam 1] niet neer, er is geen probleem. Wat er bij My Döner is, mag je neerzetten.

[gedaagde] aan [eiseres] : As je partner wilt [worden] Ik heb jou een voorstel gedaan.

[eiseres] aan [gedaagde] : Ik wil niet. Maar ik wil aan [bedrijfsnaam 1] verkopen. Als jij opent, koopt niemand. Je verhindert dat ik verkoop. Zet geen snack, pizza, brood met vlees neer.”

3.11.

Op het adres [adres 2] is eind december 2025 gestart met de exploitatie van een horecagelegenheid onder de naam ‘ [bedrijfsnaam 3] ’ en [gedaagde] is daar werkzaamheden gaan verrichten. Op de website van deze horecagelegenheid is in eerste instantie het mobiele nummer van [gedaagde] geplaatst.

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] het non-concurrentiebeding van de koopovereenkomst heeft overtreden en/of thans daarvan in overtreding is en dat [gedaagde] daarmee jegens [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst, dan wel dat [gedaagde] jegens [eiseres] een onrechtmatige daad heeft gepleegd/pleegt;

II. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van het non-concurrentiebeding van de koopovereenkomst;

III. [gedaagde] veroordeelt tot het staken en gestaakt houden van het verrichten van werkzaamheden/activiteiten in strijd met het overeengekomen non-concurrentiebeding en/of concurrerende ondernemingsactiviteiten, in het bijzonder:

- via of met [bedrijfsnaam 2] c.q. [bedrijfsnaam 3] , althans de onderneming aan de [adres 2] , waaronder inbegrepen via online-platformen,

- voor onbepaalde tijd dan wel voor een termijn van vijf jaar na de sluiting van de koopovereenkomst,

- in een straal van 30 km van [adres 1] dan wel 5 km,

- en [gedaagde] verbiedt bij [bedrijfsnaam 2] c.q. [bedrijfsnaam 3] , althans de onderneming aan de [adres 2] , werkzaam te zijn in iedere vorm;

IV. aan de veroordelingen onder II en III een dwangsom verbindt van € 5.000 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000;

V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van (primair) € 95.000 aan contractuele boetes, althans (subsidiair) € 95.000 aan omzetschade, steeds binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, althans (meer subsidiair) schadevergoeding op te maken bij staat;

Subsidiair:

VI. voor recht verklaart dat de koopovereenkomst, in het bijzonder de koopprijs, onder invloed van dwaling als bedoeld in artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot stand is gekomen;

VII. ter opheffing van het nadeel dat [eiseres] ondervindt als gevolg van de dwaling, de koopovereenkomst zodanig wijzigt dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van € 95.000;

Zowel primair als subsidiair:

VIII. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van € 2.087,25 aan buitengerechtelijke kosten;

IX. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

4.2.

[eiseres] legt aan het gevorderde het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft het concurrentiebeding in de koopovereenkomst geschonden door een nieuwe horecaonderneming te exploiteren in de buurt van [bedrijfsnaam 1] dan wel door aldaar werkzaam te zijn. [gedaagde] moet worden geboden deze schending van de koopovereenkomst te staken en moet worden veroordeeld tot betaling van € 95.000 aan verbeurde contractuele boetes. Subsidiair geldt dat [gedaagde] door zijn betrokkenheid bij de nieuwe horecagelegenheid in de buurt van [bedrijfsnaam 1] , onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Meer subsidiair geldt dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en dat de daarbij overeengekomen koopprijs moet worden gewijzigd ter opheffing van het nadeel door de dwaling aan de zijde van [eiseres] .

4.3.

[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.

4.4.

[gedaagde] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [eiseres] geen belang meer heeft bij zijn vorderingen, omdat hij [bedrijfsnaam 1] heeft verkocht aan een derde. Het concurrentiebeding is in zijn bewoordingen niet begrensd in tijd, gebied en personele reikwijdte, is niet door of namens [gedaagde] opgesteld en moet, mede gelet op hetgeen partijen daadwerkelijk voor ogen stond, beperkt worden uitgelegd. De gestelde schade is niet onderbouwd en het causaal verband ontbreekt. De gevorderde boete is, gezien de koopsom, buitensporig en dient vergaand te worden gematigd.

4.5.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Geen gebrek aan belang

5.1.

[gedaagde] heeft – als meest verstrekkende verweer – betoogd dat de vorderingen van [eiseres] reeds moeten worden afgewezen bij gebrek aan belang, omdat [eiseres] de onderneming [bedrijfsnaam 1] heeft overgedragen aan een derde. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] gewezen op het WhatsAppgesprek van 10 december 2025 zoals hiervoor geciteerd (zie overweging 3.10), waarin [eiseres] kenbaar heeft gemaakt [bedrijfsnaam 1] te willen verkopen. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij een derde in [bedrijfsnaam 1] aan het werk heeft gezien.

5.2.

[eiseres] heeft gemotiveerd weersproken dat zij [bedrijfsnaam 1] aan een derde heeft overgedragen. Volgens [eiseres] is zij nog altijd de exploitant en hebben de concurrerende activiteiten van [gedaagde] de beoogde verkoop van [bedrijfsnaam 1] door [eiseres] aan een derde juist verhinderd. Bovendien betekent de wens te willen verkopen nog niet dat de zaak ook daadwerkelijk is verkocht, aldus [eiseres] . Overigens is de ‘derde’ die [gedaagde] in [bedrijfsnaam 1] aan het werk heeft gezien, een vriend of bekende van [eiseres] die in de zaak helpt als de bestuurder van [eiseres] zelf in het buitenland is. Daarbij heeft [eiseres] erop gewezen dat zij nog altijd als exploitant van [bedrijfsnaam 1] in het handelsregister staat geregistreerd. Gezien deze gemotiveerde betwisting heeft [gedaagde] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank komt daarom niet toe aan (getuigen)bewijslevering op dit punt.

Het concurrentiebeding

5.3.

Tussen partijen staat het volgende vast. Partijen hebben een koopovereenkomst gesloten waarbij [gedaagde] [bedrijfsnaam 1] aan [eiseres] heeft verkocht. De koopakte die [eiseres] en [gedaagde] daartoe hebben getekend bevat het concurrentiebeding zoals neergelegd in artikel 7.5 van deze akte (verder ook: het concurrentiebeding). [eiseres] en [gedaagde] hebben vóór het sluiten van de koopovereenkomst besproken dat deze koopakte een bepaling over non-concurrentie zou bevatten. Aldus heeft [gedaagde] zich jegens [eiseres] contractueel verbonden tot (een vorm van) non-concurrentie. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

5.4.

Tussen partijen staat wel ter discussie hoe het concurrentiebeding moet worden uitgelegd. [gedaagde] heeft zich in dat verband voor zover relevant ook beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Juridisch kader

5.5.

De rechtbank neemt het volgende juridische kader tot uitgangspunt. De vraag hoe (een bepaling in) een overeenkomst moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Voor de beantwoording van die vraag komt het mede aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling, de aard van de overeenkomst en de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.

5.6.

De (onverkorte) toepassing van een overeengekomen concurrentiebeding kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Dit moet wel terughoudend worden beoordeeld. Daarbij dient enerzijds in aanmerking te worden genomen dat het aan eenieder toekomende recht om vrij te kunnen kiezen welke arbeid hij wenst te verrichten, een belangrijk en grondwettelijke vastgelegd recht is (zie artikel 19 lid 3 van de Grondwet). Anderzijds moet acht worden geslagen op het algemene rechtsprincipe dat afspraken (overeenkomsten) in beginsel moeten worden nagekomen.

Uitleg van het concurrentiebeding, beperking op grond van de redelijkheid en billijkheid

5.7.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het concurrentiebeding zo worden uitgelegd dat [gedaagde] zich in ieder geval ertoe heeft verbonden om in de omgeving van [bedrijfsnaam 1] zelf geen horecagelegenheid te exploiteren. De rechtbank leidt dit af uit de formulering van de eerste volzin van het concurrentiebeding, uit het met dat beding beoogde doel – namelijk bescherming van de bedrijfsbelangen van [bedrijfsnaam 1] ( [eiseres] ) – en uit de aard van de overeenkomst die een overdracht van een horecaonderneming inhoudt.

5.8.

Het concurrentiebeding geeft géén informatie over de geldingsduur daarvan. Het is daarom de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is dat het concurrentiebeding permanent geldt. De rechtbank is van oordeel dat het eventuele belang van [eiseres] om [gedaagde] (onverkort) hieraan te houden, zodanig veel minder zwaar weegt dan het belang van [gedaagde] om op de door hem gekozen wijze in zijn inkomen te kunnen voorzien, dat onverkorte toepassing van het concurrentiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat [gedaagde] weinig werkervaring heeft buiten de horeca en dat het niet in de rede ligt dat de klanten van [bedrijfsnaam 1] zich beduidend langer dan een jaar (nadat [gedaagde] vanaf begin 2025 niet meer werkzaam was bij [bedrijfsnaam 1] ) met [gedaagde] verbonden zullen blijven voelen, zodanig dat zij daarom de voorkeur zullen geven aan een door [gedaagde] geëxploiteerde horecagelegenheid boven (het nu door [eiseres] geëxploiteerde) [bedrijfsnaam 1] .

5.9.

Het voorgaande in aanmerking nemende oordeelt de rechtbank dat gelding van het concurrentiebeding voor een langere duur dan anderhalf jaar na levering van [bedrijfsnaam 1] (op 1 augustus 2024) aan [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiervan uitgaande is de periode waarop [eiseres] zich tegenover [gedaagde] op het concurrentiebeding heeft kunnen beroepen, hoe dan ook per 1 februari 2026 verstreken.

Overtreding concurrentiebeding

5.10.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] het concurrentiebeding heeft geschonden. De rechtbank licht dit als volgt toe. Vaststaat dat [gedaagde] begin oktober 2025 van plan was om de nieuwe horecagelegenheid zelf te gaan exploiteren. Pas nadat [eiseres] aan [gedaagde] had laten weten dat dit een schending van het concurrentiebeding zou opleveren, is de officiële exploitant van de nieuwe horecagelegenheid gewijzigd. Ook daarna stond het mobiele nummer van [gedaagde] nog vermeld op de website van de nieuwe horecagelegenheid. Verder is de naam ‘ [bijnaam] ’, waarvan [gedaagde] heeft erkend dat dit zijn bijnaam is, ook na medio oktober 2025 onderdeel blijven uitmaken van de naam van de nieuwe horecagelegenheid. Bovendien heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat [gedaagde] dagelijks in de nieuwe horecagelegenheid aanwezig is, terwijl zijn oom [naam 2] – die een bouwbedrijf exploiteert – dat weinig tot niet is. Daar komt nog bij dat [gedaagde] [eiseres] op 10 december 2025 door een WhatsAppbericht heeft aangeboden om tegen betaling ‘partner’ te worden bij de nieuwe horecagelegenheid. De rechtbank is daarom met [eiseres] van opvatting dat deze omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde] de feitelijke exploitant van de horecagelegenheid is gebleven.

5.11.

[bedrijfsnaam 3] is een horecagelegenheid die is gevestigd op 550 meter (loop)afstand van [bedrijfsnaam 1] . Dit betekent dat de horecagelegenheid binnen een straal van 30 km is gelegen, waardoor het concurrentiebeding is overtreden. De geografische reikwijdte van het concurrentiebeding is naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en moet worden beperkt tot 2 km. Dit betekent echter dat [gedaagde] met de exploitatie van [bedrijfsnaam 3] vanaf eind december 2025 het concurrentiebeding alsnog heeft geschonden. Dat brengt mee dat [gedaagde] de contractuele boete heeft verbeurd.

Matiging van de contractuele boete

5.12.

Op basis van artikel 7.6 van de koopakte (het boetebeding) is bij overtreding van het concurrentiebeding een boete verschuldigd van € 25.000 per overtreding en € 5.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. [eiseres] heeft in haar vordering dit bedrag zelf gemaximeerd op totaal € 95.000. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van het door [eiseres] in totaal gevorderde boetebedrag. Op grond van artikel 6:94 BW is matiging van een contractuele boete mogelijk als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dat is het geval als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De omstandigheden van het geval zijn daarbij uiteindelijk beslissend.

5.13.

De rechtbank acht in dit verband de volgende omstandigheden van belang. Ten eerste hebben partijen niet uitgebreid over het concurrentiebeding en het boetebeding onderhandeld. Het gaat om bepalingen die door de (toenmalige) boekhouder van [eiseres] en [gedaagde] in de koopakte zijn opgenomen. Bovendien is het boetebeding niet gemaximeerd. Ten tweede heeft [eiseres] [bedrijfsnaam 1] ruim een jaar kunnen exploiteren voordat de (eerste) schending door [gedaagde] van het concurrentiebeding plaatsvond. In dat gehele eerste jaar heeft [eiseres] ongestoorde opbrengsten uit haar exploitatie van [bedrijfsnaam 1] gehad en daarbij ook gelegenheid gehad om zelf een band met de klanten van [bedrijfsnaam 1] op te bouwen. [eiseres] heeft verder de door haar gestelde schade door de concurrerende activiteiten onvoldoende onderbouwd na de gemotiveerde betwisting van die schade door [gedaagde] . [gedaagde] heeft er daarbij terecht op gewezen dat [eiseres] uitsluitend cijfers heeft opgevoerd over verschil in omzet van [bedrijfsnaam 1] in de laatste maanden van 2024 ten opzichte van de laatste maanden van 2025, terwijl uitsluitend cijfers over verschil in winst een beeld geven van de eventuele schade. Ook het causale verband tussen de omzetvermindering bij [bedrijfsnaam 1] en de exploitatie van de nieuwe horecagelegenheid is door [gedaagde] gemotiveerd betwist en daardoor onvoldoende onderbouwd door [eiseres] gesteld. De rechtbank acht ten slotte van belang dat sprake is van een wanverhouding tussen de gevorderde boete (€ 95.000) en de koopsom die [eiseres] voor [bedrijfsnaam 1] heeft betaald (€ 120.000).

5.14.

Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat toepassing van het boetebeding zoals gevorderd door [eiseres] leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. [eiseres] heeft haar schade onvoldoende onderbouwd, terwijl de gevorderde boete bijna 80% van de koopsom van [bedrijfsnaam 1] beslaat. De rechtbank zal de boete daarom vergaand matigen. De rechtbank acht een matiging tot nihil echter niet gepast, omdat [gedaagde] met de (voortzetting van de) feitelijke exploitatie van [bedrijfsnaam 3] , na daar door [eiseres] op te zijn gewezen, het concurrentiebeding bewust heeft overtreden. Door dit te doen bestond er in ieder geval de kans op schade waardoor [eiseres] moest optreden om haar rechten te beschermen. Een matiging van de boete tot een bedrag van € 25.000 acht de rechtbank gepast.

Conclusie

5.15.

De conclusie luidt dat de primaire vordering van [eiseres] onder V in zoverre zal worden toegewezen dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van € 25.000 aan contractuele boete. De periode waarvoor [eiseres] zich tegenover [gedaagde] op het concurrentiebeding heeft kunnen beroepen, is per 1 februari 2026 geëindigd en is dus inmiddels verstreken. De primaire vorderingen onder II, III en IV worden daarom afgewezen. [eiseres] heeft geen zelfstandig belang bij de primair onder I gevraagde verklaring voor recht. Daarom wordt ook deze vordering afgewezen.

5.16.

Omdat de primaire vordering V (gedeeltelijk) wordt toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen VI en VII geen behandeling.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.17.

[eiseres] heeft verder € 2.087,25 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [eiseres] heeft echter niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Vordering VIII is dan ook niet toewijsbaar.

Proceskosten

5.18.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden berekend op basis van het toewijsbare boetebedrag van € 25.000. Het meerdere moet [eiseres] voor haar eigen rekening nemen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 127,08

- griffierecht € 3.083,00

- salaris advocaat € 1.672,00 (2 punt × tarief III à € 836 per punt)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

totaal € 5.071,08

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 25.000;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van 5.071,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

1769

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »