RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3259
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een derde bewonersparkeervergunning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Verweerder heeft verzoeker in eerste instantie met het besluit van 6 maart 2026 op een wachtlijst geplaatst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 16 juni 2026 het besluit van 6 maart 2026 ingetrokken en verzoekers aanvraag voor een derde bewonersparkeervergunning afgewezen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het verzoek om voorlopige voorziening was in eerste instantie gericht tegen het besluit van 6 maart 2026 (plaatsen op een wachtlijst). De gronden van bezwaar hebben dan ook betrekking op dit besluit. Dit besluit is echter vervangen door het besluit van 16 juni 2026 (afwijzen van de aanvraag). Met inachtneming van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het bezwaarschrift van rechtswege mede betrekking op het besluit van 16 juni 2026. Daarmee is voldaan aan het vereiste van connexiteit.
3. Verzoekers oorspronkelijke bezwaargronden sluiten echter inhoudelijk niet aan bij het besluit van 16 juni 2026. De rechtbank heeft verzoeker bij bericht van 15 juli 2026 gevraagd om een kopie van het bezwaarschrift dat gericht is tegen het besluit van 16 juni 2026. Bij bericht van 23 juli 2026 en 12 augustus 2026 heeft de rechtbank verzoeker hierop gerappelleerd. De rechtbank heeft tot op heden geen aanvullend bezwaarschrift van verzoeker ontvangen. De gronden van het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening gaan alleen in op het spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Er worden geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het besluit. Daarmee is het verzoek om een voorlopige voorziening ongegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
|
griffier |
de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.