ECLI:NL:RBDHA:2026:29453

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
SGR 25/8879
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. College heeft de omgevingsvergunning mogen verlenen. De vergunning bevat voldoende waarborgen, zoals voorschriften en bouwtekeningen, dat de garage niet als woning zal worden omgezet of gebruikt.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/8879

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] C.V. en [eiser], uit

[plaats], respectievelijk eiseres en eiser, tezamen eisers

(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),

en

het college van Burgemeester en Wethouders van Westland, het college

(gemachtigde: mr. J.C. Meijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een garage met bergzolder en overkapping aan [adres]

. Eisers zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [vergunninghouder] (vergunninghouder) heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een bijgebouw aan [adres]. Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een schuurkas door een garage met bergzolder en overkapping.

2.1.

Met het bestreden besluit van 4 november 2025 op het bezwaar van eisers is het college met een nadere motivering bij de verlening gebleven.

2.2.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, tevens gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een schuurkas. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet (Ow). De omgevingsvergunning is verleend voor een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’, omdat het bouwplan in strijd is met de artikelen 5.2.1, onder c en h, 9.1.1, onder h, en 9.3.2 van de planregels. Zo voldoet de garage met een inhoud van 720 m3 niet aan de maximale inhoud van een bijgebouw van 300 m3, wordt de garage voor de voorgevel gerealiseerd en bedraagt de afstand van de garage tot de boveninsteek van de vaarweg Nieuwe Water minder dan de toegestane 4 meter, namelijk 2,64 meter.

3.1.

Met het bestreden besluit van 4 november 2025 is het college bij de verlening gebleven, maar heeft het besluit nader gemotiveerd op advies van de commissie bezwaarschriften Westland (commissie). Volgens de commissie is geen sprake van vervanging, aangezien de oorspronkelijke schuurkas niet onder het overgangsrecht valt. De grootte van de schuurkas kan dus niet worden meegewogen bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het realiseren van de garage.

3.2.

Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat gelet op de ligging van de woning aan de achterzijde van het perceel, het voor vergunninghouder niet mogelijk is vergunningvrij een bijbehorend bouwwerk op te richten. De voorzijde van het perceel bevat een NEZ en een groene zone, en het bouwplan heeft een afstand van 66 meter van het hart van de weg. Volgens het college wordt het straatbeeld met het bouwplan om die redenen niet verstoord. Verder is het perceel 6600 m2 groot en is de garage met een oppervlakte van 150 m2 ondergeschikt aan het perceel en de woning, waardoor de woning het belangrijkste gebouw op het perceel blijft.

Overgangsrecht Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

4.1.

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 juli 2024. Dat betekent dat in dit geval de Ow van toepassing is.

Toetsingskader

5. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.1

5.1.

Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.

Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunning op ziet, waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen ‘Reparatiebesluit Glastuinbouwgebied Westland’ en ‘[bestemmingsplan]’ van kracht. Die bestemmingsplannen maken sinds 1 januari 2024 dus deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Westland (het omgevingsplan).

5.3.

Op grond van artikel 7.1 van het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ hebben de gronden waar de aanvraag op ziet de bestemmingen ‘Waarde-Archeologie’ en ‘Wonen’.

Heeft het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogen verlenen?

5.4.

De rechtbank stelt vast, zoals ook ter zitting door eisers bevestigd, dat het geschil zich toespitst op de vraag of de verleende omgevingsvergunning voldoende waarborgen bevat dat de garage niet gebruikt zal worden als woning. Eisers hebben de overige gronden ter zitting ingetrokken, zodat die geen bespreking meer behoeven.

5.5.

Aan de omgevingsvergunning zijn de volgende voorschriften verbonden:

- Het aangevraagde en vergunde bijgebouw mag niet gebruikt worden als woning;

- Het gebruik van het bijgebouw dient ondergeschikt en ondersteunend te zijn aan de hoofdfunctie van de woning [adres];

- Het is niet toegestaan ruimtes in het bijgebouw in te richten als slaapkamer, omdat dit een primaire woonfunctie is.

5.6.

Uit de bouwtekeningen bij de aanvraag valt niet af te leiden dat de garage voor iets anders gebruikt zal worden dan voor het stallen van (rij-)voertuigen. De begane grond van de garage is een grote ruimte zonder onderverdeling met daarboven een zolder, die ook niet in kleinere ruimtes is onderverdeeld. Woonvoorzieningen zoals een badkamer of keuken zijn niet ingetekend. De vergunninghouder is verplicht zich aan de voorschriften van de vergunning en de bouwtekeningen te houden. Voor elke wijziging die als bouwen gezien moet worden, zoals het aanbrengen van muren, zal de vergunninghouder een omgevingsvergunning moeten aanvragen. Zodra het perceel wordt overgedragen aan een nieuwe eigenaar, gaat de omgevingsvergunning voor de garage inclusief voorschriften over op deze nieuwe eigenaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omgevingsvergunning van 4 november 2025 voldoende waarborgen bevat die het gebruik als woning tegenhouden.

5.7.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat het eisers vrijstaat een handhavingsverzoek in te dienen als zich toch signalen van gebruik van de garage als woning voordoen.

5.8.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »