RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6392
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A. de Keizer).
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder de aan verzoeker toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken over de periode van 1 mei 2026 tot 25 juni 2026 en deze uitkering per 25 juni 2026 beëindigd.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 september 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en mr. M. Hamidi, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker. Namens verweerder is verschenen haar gemachtigde en [naam 1] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang voldoende aangetoond. Verzoeker heeft inmiddels al vier maanden geen inkomsten en is in een procedure verwikkeld omtrent de uitzetting uit zijn huis.
Verzoeker ontvangt sinds 27 juni 2023 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Daarbij is afgesproken dat de bijstandsuitkering tijdelijk zal worden overgemaakt naar de bankrekening van verzoekers zus, [naam 2] , zodat verzoeker de gelegenheid heeft om een eigen bankrekening te openen. Verzoeker had namelijk geen bankrekening in Nederland en kon deze ook niet openen.
In het kader van een heronderzoek heeft verweerder diverse keren aan verzoeker verzocht nadere gegevens te overleggen. Bij brief van 28 april 2026 is aan verzoeker verzocht het heronderzoeksformulier in te vullen. Bij brief van 20 mei 2026 is aan verzoeker verzocht, naast een ingevuld heronderzoeksformulier, een schriftelijke verklaring in te zenden over het gebruik van de rekening van de zus van verzoeker, een kasboek te overleggen waarin een overzicht wordt gegeven van alle contante inkomsten en uitgaven, een bewijs van betaling te overleggen waaruit blijkt waar het geld vandaan komt waarmee de vaste lasten worden betaald en een kopie van bankafschriften in te zenden van alle buitenlandse betaalrekeningen, waaronder verzoekers Revolutrekening. Bij brief van 8 juni 2026 heeft verweerder nogmaals verzocht bewijsstukken te overleggen over de betaling van de vaste lasten en een bewijs waaruit blijkt op welke wijze verzoekers uitkering van de rekening van zijn zus aan hem wordt overgedragen.
Bij besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aan zijn medewerkingsplicht heeft voldaan. Verzoeker heeft in het kader van het heronderzoek slechts bankafschriften ingeleverd waarop uitbetalingen van de bijstandsuitkering naar zijn zus zichtbaar zijn, maar geen afschriften ingeleverd waarop de bedragen te zien zijn die verzoeker van zijn zus ontvangt en die zij namens hem aan derden voldoet. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat er meerdere bedrijven op naam van verzoeker staan geregistreerd en dat verzoeker eind december 2025 een nieuw bedrijf heeft ingeschreven bij Companies House (Groot-Brittannië). Zonder volledige bankgegevens kan geen deugdelijk onderzoek plaatsvinden naar eventuele inkomsten of vermogen uit deze zakelijke activiteiten. Nu verzoeker verwijtbaar de gevorderde bewijsstukken niet heeft verstrekt, wordt de bijstandsuitkering per 1 mei 2026, zijnde de eerste datum waarop verzoeker heeft verzuimd de gevraagde bewijsstukken te verstrekken, ingetrokken, aldus verweerder.
5. Verzoeker voert aan dat de betreffende bankrekening niet op zijn naam staat, maar op die van zijn zus. Hij is geen rekeninghouder, beschikt niet over de bankpas en heeft dus geen zelfstandige beschikkingsmacht over deze rekening. Zijn zus heeft inmiddels een schriftelijk verklaring en de gevraagde bankafschriften overgelegd. Zij heeft verklaard dat zij contant geld in huis heeft, regelmatig contante betalingen opneemt en dat zij de toekomende bedragen na ontvangst van de bijstandsuitkering aan verzoeker verstrekt. Uit de bankafschriften blijkt volgens verzoeker dat er contante opnames zijn en die ondersteunen haar verklaring dat zij daadwerkelijk over contante gelden beschikte waarmee zij verzoeker contant kon betalen. Daarmee is volgens verzoeker voldaan aan het verzoek van verweerder. Voorts is met de verklaring van de zus dat de uitkering contant is betaald ook aan het verzoek om een kasboek te overleggen voldaan. Wat betreft de vaste lasten heeft verzoeker aangeven dat de huur, inclusief de vaste lasten, door verweerder wordt ingehouden op zijn bijstandsuitkering.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Omdat verzoeker geen bankrekening kon openen in Nederland en verweerder hem toch de gelegenheid wilde bieden om een bijstandsuitkering te ontvangen, is er voor gekozen de bijstandsuitkering van verzoeker over te maken op de bankrekening van zijn zus. In deze situatie mocht verweerder van verzoeker verlangen om inzichtelijk te maken dat de aan de zus overmaakte uitkering wordt besteed aan zijn levensonderhoud en de betaling van de vaste lasten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker daarin onvoldoende geslaagd. Uit bankafschriften van de rekening van de zus, die verzoeker overigens pas eerst in deze voorlopige voorzieningenprocedure heeft overgelegd, blijkt dat er via de geldautomaat geld wordt opgenomen, maar deze opnames corresponderen niet met de bedragen die aan bijstandsuitkering maandelijks op de rekening werden gestort. Bovendien blijkt uit die afschriften niet dat er iedere maand geld wordt gepind. Zo vinden er in de maanden april 2023, mei 2023, november 2024 en december 2024 geen opnames plaats en wordt er over het jaar 2026 alleen in augustus 2026 (na beëindiging van de uitkering) een bedrag van in totaal € 430,- gepind. Aan de verklaring van de zus dat zij maandelijks de bijstandsuitkering, nadat deze is uitbetaald, in contanten aan verzoeker geeft kan de voorzieningenrechter niet die waarde toekennen die verzoeker er aan toegekend wil zien, nu deze gestelde contante uitbetalingen niet objectief verifieerbaar en controleerbaar zijn. Verder blijft onduidelijk hoe de vaste lasten worden betaald. Duidelijk is dat verweerder de huur en de kosten van electriciteit en water van de woning betaald door inhouding op verzoekers uitkering. Van de overige vaste lasten, zoals ziektekostenverzekering en andere verzekeringen en/of abonnementen, is onbekend gebleven hoe deze worden voldaan. Daarnaast is gebleken dat verzoeker beschikt over een buitenlandse bankrekening. Van deze bankrekening heeft verzoeker geen afschriften overgelegd, terwijl hier wel om is gevraagd. Voorts bevat het dossier aanwijzingen dat verzoeker betrokken is bij bedrijven in het buitenland. Verzoeker heeft hier geen enkele duidelijkheid over verschaft. Het gaat om gegevens of bewijsstukken die van belang zijn voor het recht op bijstand, nu deze controleerbare informatie bevatten over verzoekers inkomsten en vermogen. Niet is gebleken dat verzoeker redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken heeft kunnen beschikken.
Nu verzoeker onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aan hem uitgekeerde bijstandsuitkering is besteed en voorts geen informatie heeft verstrekt over de buitenlandse bankrekening en ook niet over zijn betrokkenheid bij buitenlandse bedrijven heeft verzoeker naar het nu lijkt (in elk geval) zijn medewerkingsplicht geschonden. Verweerder heeft dan ook terecht de bijstandsuitkering beëindigd omdat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.
Verzoeker voert aan dat er geen grondslag is voor de intrekking van de uitkering per 1 mei 2026. Verweerder heeft de intrekking laten ingaan op die datum omdat hij volgens verweerder op die datum voor het eerst heeft verzuimd de gevraagde gegevens te verstrekken. Echter, verweerder heeft niet alleen op 28 april 2026 om gegevens verzocht, maar ook nog op 20 mei 2026 en 8 juni 2026. Bovendien vermeldt verweerder zelf dat met hem is afgesproken dat bankafschriften van zijn zus zouden worden overgelegd en dat de zus eerst op 20 mei 2026 door verweerder over de gewenste gegevens is geïnformeerd en toen met de verstrekking heeft ingestemd. Volgens verzoeker valt niet in te zien dat, als er al sprake is van een schending van de medewerkingsplicht, daarvan sprake is op 1 mei 2026.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin. De opschorting van de bijstandsuitkering per 1 mei 2026, waarvan aanvankelijk sprake was, heeft feitelijk nooit plaatsgevonden. Bovendien heeft verweerder na 1 mei 2026 nog nadere informatie bij verzoeker opgevraagd. Dit heeft onder andere er in geresulteerd dat op 20 mei 2026 nog contact is geweest met de zus van verzoeker en dat verzoeker op 9 juni 2026 bankafschriften van zijn zus heeft overgelegd. Pas daarna is in het rapport van 17 juni 2026 door verweerder vastgesteld dat hetgeen verzoeker heeft aangeleverd en de informatie die hij heeft verstrekt, inclusief hetgeen na 1 mei 2026 nog is aangeleverd, onvoldoende was, zodat pas op dat moment reden was om de bijstandsuitkering te in te trekken.
Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de bijstandsuitkering ten onrechte vanaf 1 mei 2026 is ingetrokken. Het besluit van 25 juni 2026 is daarmee in zoverre onjuist. Wel kan de beëindiging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter per 25 juni 2026 stand houden, nu er inhoudelijk reden is om de bijstandsuitkering per die datum te beëindigen. Er is daarom geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst.
Omdat het besluit van 25 juni 2026 gedeeltelijk onjuist is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.