ECLI:NL:RBDHA:2026:29401

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
SGR 25/3892
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Participatiewet. Terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing herzieningsverzoek besluiten tot ontheffing van de arbeidsverplichting. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/3892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.H.E. Wanrooij),

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van een deel van de bijstandsuitkering die eiser heeft ontvangen op grond van de Participatiewet (Pw) en de weigering twee besluiten tot ontheffing van de arbeidsverplichting uit het verleden te herzien. Eiser is het niet eens met de besluiten van het college. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 30 december 2024 (primair besluit 1) heeft het college een bedrag van € 3.568,70 aan te veel ontvangen bijstand over de maanden augustus, september en oktober 2024 van eiser teruggevorderd. De bijstandsuitkering van december 2024 is door het college volledig ingehouden om daarmee een deel van het terug te vorderen bedrag te voldoen. Het restant van de vordering wordt afgelost door een maandelijkse inhouding. Ook is aan eiser een waarschuwing opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

2.1.

Hangende het bezwaar heeft het college met het besluit van 17 februari 2025 (primair besluit 2) primair besluit 1 gedeeltelijk aangepast door de volledige inhouding van de uitkering van december 2024 terug te draaien.

2.2.

Het bezwaarschrift gericht tegen primair besluit 1 heeft het college op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen primair besluit 2.

2.3.

Met het bestreden besluit van 15 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard, maar primair besluit 1, zoals dat is gewijzigd met primair besluit 2, in stand gelaten.

2.4.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.5.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser ontvangt sinds 15 juli 2005 een bijstandsuitkering van het college. Sindsdien is hij op basis van verschillende medische adviezen ontheven geweest van arbeidsverplichtingen.

3.1.

Met de besluiten van 11 december 2017 en 16 januari 2019 is de bijstandsuitkering van eiser ongewijzigd voortgezet met een ontheffing van arbeidsverplichtingen. Aan deze besluiten heeft het college onder meer een rapportage psychodiagnostisch onderzoek ten grondslag gelegd, welke op 14 maart 2013 is vastgelegd door het sociaal-medisch adviesbureau Argonaut.

3.2.

Eiser heeft in een gesprek op 28 oktober 2024 aangegeven dat hij werkzaam is en dat hij zijn bijstandsuitkering wil beëindigen. In dit kader heeft het college aan eiser verzocht om de relevante loonstroken te overleggen in verband met de terugvordering van de inkomsten uit werk over de maand oktober 2024. Op 20 november 2024 heeft eiser bij het college gemeld dat hij tijdens de proefperiode is ontslagen en heeft hij verzocht om voortzetting van zijn bijstandsuitkering.

3.3.

Uit onderzoek van het college is gebleken dat eiser sinds september 2024 inkomsten uit werk ontving. Ook heeft het college geconstateerd dat op 10 december 2024 door een administratieve fout ten onrechte een bedrag van € 2.982,46 aan eiser is uitbetaald. Dit heeft geleid tot de volgende besluitvorming.

3.4.

Met primair besluit 1 heeft het college een bedrag van € 3.568,70 aan te veel ontvangen bijstand over de maanden augustus, september en oktober 2024 teruggevorderd van eiser. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser over de maanden september 2024 en oktober 2024 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die verrekend moeten worden met zijn bijstand. Dit heeft geleid tot een terugvordering van € 586,24. Daarnaast heeft eiser als gevolg van een administratieve fout van het college op 10 december ten onrechte een bedrag van € 2.982,46 aan bijstand over de maanden augustus, september en oktober 2024 ontvangen. Het college heeft de bijstandsuitkering over de maand december 2024 volledig ingehouden en eiser moest het restant van de vordering maandelijks aflossen. Daarnaast is aan eiser een waarschuwing opgelegd vanwege het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Eiser heeft namelijk zijn inkomsten over de maand september 2024 niet aan het college doorgegeven.

3.5.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen primair besluit 1, heeft het college met primair besluit 2 de inhouding van de bijstandsuitkering van december 2024 ongedaan gemaakt. Voor het overige is primair besluit 1 in stand gelaten.

3.6.

Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat naar aanleiding van het bezwaar is vastgesteld dat de verrekening van de terugvordering in één keer onjuist was. Dit is hersteld met primair besluit 2. Hiermee is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser. De overige bezwaren van eiser, over de rapportage psychodiagnostisch onderzoek van Argonaut en de manier waarop het college hem in het verleden heeft behandeld, zien op gebeurtenissen uit het verleden en kunnen niet meer inhoudelijk aan de orde komen, aldus het college.

Wat vindt eiser?

4. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, feitelijk onjuist en onevenredig zwaar is. Ten aanzien van de terugvordering voert eiser aan dat hij zelf bij het college heeft gemeld dat hij een baan had gevonden en heeft verzocht om per 1 november 2024 de bijstandsuitkering stop te zetten. Door een fout van het college is de bijstand echter door blijven lopen. Daarnaast had eiser niet redelijkerwijs kunnen begrijpen dat hij het bedrag van € 2.982,46 op 10 december 2024 ten onrechte ontving. Eiser ontvangt vaker wisselende bedragen van het college en omdat zijn klantmanager afwezig was kon hij dit niet navragen. Daarnaast zijn de gevolgen van de terugvordering onevenredig. Eiser staat onder bewind en moet rondkomen van leefgeld. Het had op de weg van het college gelegen om maatwerk te leveren.

4.1.

Ten aanzien van de besluiten van 11 december 2017 en 16 januari 2019 tot ontheffing van de arbeidsverplichting voert eiser aan dat het college onzorgvuldig handelt door deze besluiten niet te herzien en zich te blijven beroepen op de rapportage van Argonaut van 14 maart 2013.

Wat oordeelt de rechtbank?

Was de terugvordering rechtmatig?

5. Niet in geschil is dat eiser ten onrechte een bedrag van € 3.568,70 te veel aan bijstand uitbetaald heeft gekregen. Dit kwam grotendeels door een administratieve fout van het college, maar ook ten dele doordat eiser in de maanden september 2024 en oktober 2024 heeft gewerkt en deze inkomsten niet juist zijn verrekend.

5.1.

Anders dan eiser betoogt heeft het college niet het verzwijgen van werkzaamheden, maar artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Pw aan de terugvordering ten grondslag gelegd. Het college kan kosten van bijstand op grond van dit artikel terugvorderen als de bijstand ‘anderszins onverschuldigd is betaald’ en voor zover eiser dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Deze bepaling is onder meer bedoeld voor gevallen waarin het bestuursorgaan een administratieve vergissing heeft begaan bij de uitbetaling van de bijstand, zoals in dit geval aan de orde is.1

5.2.

In tegenstelling tot hetgeen eiser aanvoert is de rechtbank van oordeel dat eiser redelijkerwijs kon begrijpen dat hij het bedrag van € 2.982,46 op 10 december 2024 ten onrechte ontving. Het uitbetaalde bedrag is meer dan tweemaal zo hoog als de reguliere bijstandsuitkering van eiser en is op een ongebruikelijk moment in de maand op de rekening van eiser gestort. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat het college eiser met de e-mail van 18 december 2024 heeft geïnformeerd over de fout. Gelet op het voorgaande was het college in beginsel bevoegd om dit bedrag van eiser terug te vorderen.

Is het terugvorderingsbesluit evenredig?

6. De bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, van de Pw is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een belangenafweging moet maken. Volgens artikel 2, eerste lid, onder b, van de Beleidsregel Terugvordering en Verhaal maakt het college in beginsel gebruik van deze bevoegdheid tot terugvordering.

6.1.

Op grond van artikel 3:4 van de Awb moet het college de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en toetsen of de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Eiser voert aan dat de terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 oktober 2022.2 In deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad van State van 2 februari 20223, waarin een kader is geformuleerd voor de toetsing van op een discretionaire bevoegdheid berustende besluiten aan het evenredigheidsbeginsel.

6.2.

Een terugvordering op grond van artikel 58 van de Pw is gericht op herstel in de rechtmatige toestand. Niet in geschil is dat eiser bijstand uitbetaald heeft gekregen waar hij geen recht op had. Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij weinig te besteden heeft en inmiddels moet rondkomen van leefgeld omdat hij onder bewind is gesteld. Het enkele feit dat eiser weinig te besteden heeft, is op zichzelf echter onvoldoende om aan te nemen dat het terugvorderingsbesluit onevenredig is. Eiser heeft niet nader onderbouwd welke nadelige gevolgen de terugvordering voor hem heeft en waarom sprake is van een onevenwichtige afweging van de betrokken belangen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor hem onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat eiser onterecht aan bijstand heeft ontvangen.

6.3.

Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het terugvorderingsbedrag met primair besluit 1, zoals dat is gewijzigd met primair besluit 2, wordt teruggevorderd met een maandelijkse inhouding op de uitkering ter hoogte van € 67,27. Het college houdt hierbij, zoals het ook verplicht is te doen, rekening met de beslagvrije voet zodat dit voor eiser beperkte financiële gevolgen heeft. Bovendien heeft het college de vordering niet gebruteerd, omdat eiser geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de vordering. Hiermee heeft het college geen blijk gegeven van een onevenwichtige belangenafweging.

Had het college de besluiten tot ontheffing van de arbeidsverplichting moeten herzien?

7. Op zitting heeft eiser verduidelijkt dat hij mede heeft beoogd om een verzoek om herziening van de besluiten van 11 december 2017 en 16 januari 2019 in te dienen. Het college heeft de weigering de besluiten te herzien gemotiveerd met verwijzing naar artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in beroep beoordelen of het college de besluiten tot ontheffing van de arbeidsverplichting had moeten herzien.

7.1.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid, van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

7.2.

Volgens vaste rechtspraak4 toetst de bestuursrechter bij toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.5

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen. Eiser heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de besluiten tot ontheffing van de arbeidsverplichting onjuist waren. Evenmin is gebleken dat sprake is van een evident onredelijk besluit. Van nieuwe feiten of omstandigheden of onmiskenbare onjuistheid van de besluiten waarvan herziening wordt gevraagd is de rechtbank dan ook niet gebleken.

Beoordeling van de overige gronden

8. Ten aanzien van de overige gronden die eiser aanvoert merkt de rechtbank op dat zij in beroep slechts beoordeelt of het bestreden besluit juist is genomen. De gronden die eiser aanvoert over de handelswijze en communicatie vanuit het college in de jaren voorafgaand aan de genoemde besluiten, hebben geen betrekking op het geschil dat hier ter beoordeling voorligt. De rechtbank laat deze daarom onbesproken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit ongewijzigd in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Vrusch, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »