RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/711400 / JE RK 26-1509
Datum uitspraak: 4 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming 'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarige
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H. Devkinandan uit Zoetermeer,
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, zijnde de gecertificeerde instelling die de voorlopige ondertoezichtstelling uitvoert.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,zijnde de beoogde gecertificeerde instelling.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 augustus 2026;
- het rapport van de Raad van 25 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
[naam 1] namens de Raad;
-
de moeder met haar advocaat;
- [naam 2] namens Stichting Leger des Heils.
Namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden is niemand verschenen.
Omdat de gegevens van de oom moederszijde, waar [de minderjarige] op dit moment woont, bij de rechtbank niet bekend waren, heeft de rechtbank aan de Raad gevraagd om de oom te informeren dat hij als informant aanwezig kan zijn bij de zitting. Hij is niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] de gelegenheid geboden om haar mening te geven, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft op dit moment bij haar oom moederszijde.
Op 9 juni 2026 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Bij beschikking van 22 juni 2026 is de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 9 september 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen van Stichting Leger des Heils voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad maakt zich zorgen over de opvoedsituatie en ontwikkeling van [de minderjarige] . De Raad ziet een moeder die goed voor [de minderjarige] wil zorgen en haar wil beschermen, maar periodes onvoldoende beschikbaar en stabiel is gebleken. Ten tijde van het onderzoek door de Raad was de moeder grotendeels opgenomen in een GGZ-instelling (Parnassia) na een incident op straat waarbij zij verward gedrag vertoonde in het bijzijn van [de minderjarige] . Uit het onderzoek blijkt dat er al langere tijd zorgen zijn en dat het een kwetsbaar gezinssysteem betreft. De Raad vindt het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer zicht houdt op [de minderjarige] en bekijkt wat zij nodig heeft. De afgelopen periode heeft [de minderjarige] bij haar oom gewoond. Het is belangrijk dat ze daar kan blijven tot het contact tussen [de minderjarige] en de moeder is hersteld en er voldoende passende hulp is in de thuissituatie om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen.
4 De standpunten
De moeder verzet zich niet tegen de maatregelen, maar heeft wel gevraagd om de ondertoezichtstelling te bekorten tot zes of negen maanden. De redenen daarvoor zijn dat het veel beter gaat met de moeder en dat zij openstaat voor hulpverlening, waaronder ambulante zorg van Parnassia. Omdat de verwachting is dat [de minderjarige] op korte termijn weer thuis kan wonen, namelijk zodra de moeder haar woning heeft opgeknapt, is de ondertoezichtstelling voor een lange periode niet noodzakelijk. De moeder heeft er geen bezwaar tegen dat [de minderjarige] tot die tijd bij haar oom blijft wonen. Zij is dankbaar dat er goed voor [de minderjarige] wordt gezorgd en dat zij nu weer goed contact met elkaar hebben.
5 De beoordeling
Uit de stukken volgt dat de nationaliteit van [de minderjarige] en de moeder onbekend is. Daarom beoordeelt de rechter nadrukkelijk de bevoegdheid om van het verzoek kennis te nemen. De Nederlandse rechter is bevoegd, omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] op het moment van indiening van het verzoek is gelegen in Nederland.1 De Nederlandse rechter past Nederlands recht toe.2 De kinderrechter in de rechtbank Den Haag is bevoegd omdat de woonplaats van de moeder in het arrondissement van deze rechtbank is gelegen.3
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling.4 De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd door de gebeurtenissen die zij op jonge leeftijd meemaakt. In het bijzonder het incident waarvan [de minderjarige] getuige was en waarna de moeder tijdelijk is opgenomen. Maar ook daarvoor waren er al zorgen over het gedrag en handelen van de moeder, gericht tegen of in het bijzijn van [de minderjarige] , blijkt uit zorgmeldingen in de afgelopen jaren. Het schetst een beeld dat het periodes goed en periodes minder goed met de moeder gaat. De kinderrechter ziet dat de afgelopen tijd gevoelens van spanning, onveiligheid en angst de overhand hebben genomen bij de moeder en dat zij keuzes heeft gemaakt die van directe invloed zijn op de ontwikkeling van [de minderjarige] . Zo is [de minderjarige] een periode niet naar school gegaan en heeft de moeder met [de minderjarige] op verschillende plekken verbleven. Het is belangrijk dat wordt gekeken hoe dit in de toekomst kan worden voorkomen of tijdig kan worden gesignaleerd, zodat het gezin passende hulp kan krijgen. Na het incident hebben de moeder en [de minderjarige] elkaar een tijd niet kunnen zien, terwijl zij altijd samen zijn geweest en een hechte band met elkaar hebben. [de minderjarige] heeft stabiliteit en voorspelbaarheid gemist en dat moet nu zorgvuldig hersteld worden. Daarvoor is van belang dat [de minderjarige] een fijne vaste plek heeft, naar school kan gaan, vrienden kan maken en kan verwerken wat er is gebeurd.
Positief is dat het momenteel beter gaat met de moeder, dat zij weer thuis is en ambulante hulp accepteert. De moeder geeft aan dat zij minder stress ervaart, beter slaapt en haar medicatie inneemt. De situatie is dusdanig verbeterd dat [de minderjarige] en de moeder weer dagelijks contact hebben. De moeder is bezig met het opknappen van de woning zodat [de minderjarige] een fijne plek heeft om naartoe terug te keren. Niet ter discussie staat dat de moeder een betrokken ouder is die het beste wil voor [de minderjarige] . Wel staat voor de kinderrechter voldoende vast dat de moeder door omstandigheden soms niet in staat is de juiste keuzes te maken en [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Daarom is van belang dat nu wordt gewerkt aan de voorwaarden om ervoor te zorgen dat het goed blijft gaan. Het opknappen van de woning is daar een onderdeel van, maar de kinderrechter vindt het ook belangrijk dat iemand de moeder kan helpen bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . En dat er goede afspraken worden gemaakt om te voorkomen dat opnieuw onveiligheid ontstaat.
Ondanks de prille positieve ontwikkelingen ziet de kinderrechter onvoldoende aanleiding de ondertoezichtstelling voor een kortere periode te verlenen dan verzocht, zoals door de moeder is bepleit. Gelet op de hiervoor genoemde ernst van de gebeurtenissen en de langdurige aanloop is naar het oordeel van de kinderrechter sprake van een kwetsbare opvoedsituatie. Er is tijd en zorgvuldigheid nodig om die te verbeteren in het belang van [de minderjarige] . De ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is daarom passend.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij haar oom moederzijde.5 Met de betrokkenen is de kinderrechter het eens dat [de minderjarige] niet overhaast kan terugkeren naar de moeder. Niet alleen om praktische redenen, gelegen in het eerst opknappen van de woning, maar ook omdat de terugkeer naar huis zorgvuldig moet gebeuren, voor zowel [de minderjarige] als de moeder. De kans dat het met hen beiden goed blijft gaan is dan zo groot mogelijk. De gecertificeerde instelling zal de moeder daarin ondersteunen en de belangen van [de minderjarige] in het oog houden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden als iemand in hoger beroep gaat.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.6
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 4 september 2026 tot 4 september 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 4 september 2026 tot 4 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier, en op schrift gesteld op 21 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.