ECLI:NL:RBDHA:2026:29313

Datum uitspraak
03-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/709375 / JE RK 26-1271
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/709375 / JE RK 26-1271

Datum uitspraak: 3 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 3] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. S.O. Zengin uit Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026;

  • het advies van de Raad voor de kinderbescherming ex 1:265 lid 3 Burgerlijk Wetboek, ontvangen op 3 augustus 2026;

- het schriftelijke standpunt van de moeder, ontvangen van de advocaat van de moeder op 1 september 2026;

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- [naam] , namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.

2 De feiten

2.1.

Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader. [minderjarige 3] woont bij de moeder.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 7 september 2026. De kinderrechter heeft voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader met gezag tot 7 september 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader met gezag te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.

3.2.

De doelen die ten grondslag liggen aan de noodzaak voor de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Het patroon van complexe echtscheidingsproblematiek bij de ouders is nog niet doorbroken. Er is veel hulpverlening ingezet voor het gezin maar het lukt beide ouders nog onvoldoende om geleerde tools vanuit de hulpverlening en instanties toe te passen in de realiteit. Er wordt gezien dat de kinderen nog met regelmaat worden belast met volwassenproblematiek en dat zij zich nog steeds in een loyaliteitsconflict bevinden. Ook ontbreekt het aan stabiliteit en zijn er nog zorgen over de onderlinge wisselende contacten tussen de verschillende gezinsleden. In het komende half jaar wil de gecertificeerde instelling met het gezin onderzoeken welke mogelijkheden er nog binnen het kader van de ondertoezichtstelling bestaan om de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen weg te nemen en de doelen te behalen. De gecertificeerde instelling is al langere tijd betrokken en er is al veel hulpverlening ingezet, waardoor wordt gezien dat de gezinsleden ook hulpverleningsmoe zijn geraakt. Het is evenwel in het belang van de kinderen dat de hulpverlening die nu is ingezet en waarin een pril begin is gemaakt, in de komende periode nog doorgang vindt. Parallel Solo Ouderschap (PSO), Voorkomen uithuisplaatsing (VUHP) en NIKA zijn betrokken en [minderjarige 2] is vandaag gestart met [hulpverlener] , wat een grote stap is voor hem aangezien hij langdurig is uitgevallen bij zijn school. [minderjarige 2] heeft in januari 2026 verder met VUHP gewerkt aan een plaatsing bij de moeder, maar dit is niet goed verlopen waardoor [minderjarige 2] nu, met toestemming van de moeder, bij de vader woont. De gecertificeerde instelling wil de komende periode de omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] in kaart brengen en onderzoeken waar het woonperspectief van [minderjarige 2] ligt. Ook zal de hulpverlening van NIKA worden voortgezet met betrekking tot [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en de moeder. PSO zal zich blijven inzetten om de kinderen weerbaarder te maken in de situatie en om een nieuw ouderschapsplan met de ouders op te stellen, die aan de rechtbank ter bekrachtiging zal worden voorgelegd. De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling blijft hiervoor noodzakelijk. De moeder heeft aangegeven graag te willen dat de kinderen traumabehandeling krijgen, maar daar is op dit moment bij hen geen draagvlak voor. De machtiging uithuisplaatsing is voor [minderjarige 1] nog nodig zodat hij bij vader kan blijven. Momenteel wordt er met hulpverlening gekeken hoe de uiteindelijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] gewijzigd kan worden en [minderjarige 1] verder zal opgroeien bij zijn vader.

4 De standpunten

4.1.

De vader heeft desgevraagd ingestemd met het verzoek. De vader is van mening dat de ingezette hulpverlening moet worden voortgezet en hierin resultaat moet zijn behaald, alvorens de maatregelen kunnen worden beëindigd. De vader geeft evenwel ook aan dat de gecertificeerde instelling al lange tijd betrokken is en er al veel hulpverlening is ingezet voor het gezin, waardoor hij ook hulpverleningsmoe is geworden. De vader blijft echter bereid om mee te werken, omdat hij er alles aan gedaan wil hebben om de situatie te verbeteren. De vader staat achter het verbeteren van het contact tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en de moeder, aangezien hij het in het belang van de kinderen vindt dat zij contact hebben met beide ouders.

4.2.

Er is door en namens de moeder naar voren gebracht dat zij instemt met de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen maar zij verzoekt daarbij uitdrukkelijk mee te wegen dat enkel monitoring onvoldoende is en dat binnen de verlengde termijn daadwerkelijke, passende en op de kinderen toegespitste hulpverlening dient te worden ingezet. Hiernaast wil de moeder benadrukken dat er onjuistheden staan in het advies van de Raad. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij probeert rust, veiligheid en duidelijke grenzen te bieden in haar thuissituatie. Tegelijkertijd blijkt dat nog passende hulpverlening en begeleiding noodzakelijk blijven, zodat de kinderen leren omgaan met grenzen, emoties en onderlinge communicatie binnen het gezin. Verder heeft de moeder zorgen over het feit at het loyaliteitsconflict bij de kinderen nog niet is doorbroken. In dat kader verzoekt de moeder mee te wegen dat nader onderzocht dient te worden waarom de kinderen steeds opnieuw een beoordelende positie ten opzichte van haar ouderrol lijken in te nemen. Daarbij acht de moeder van belang dat wordt onderzocht of de kinderen deze opvattingen, bewoordingen en interpretaties zelfstandig vormen, passend bij hun leeftijd en ontwikkeling, of dat zij daarin mogelijk worden beïnvloed door bijvoorbeeld vader. De moeder zou graag naast PSO een professional inschakelen die gespecialiseerd is in complexe echtscheidingsproblematiek. Daarnaast acht de moeder het noodzakelijk dat een duidelijke afbakening wordt gemaakt tussen het traject van de gecertificeerde instelling en de ouderondersteuning vanuit PSO. Ook dient nog hulpverlening te worden ingezet ter verbetering van het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en is nog geen toereikende hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ingezet. Met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] gaat de moeder akkoord met het verzoek, maar is hier eigenlijk geen juridische basis voor. De moeder gaat akkoord en geeft toestemming voor [minderjarige 1] om bij zijn vader te wonen.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

5.2.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er bestaan nog steeds forse zorgen over de complexe echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. De kinderen worden hierdoor en door de hiermee gepaarde spanning en onrust belast en verkeren tot op heden in een loyaliteitsconflict. Het is in hun belang dat zij in de komende periode nog kunnen profiteren voor de voor hen noodzakelijke hulpverlening. Voor [minderjarige 2] is het verder van belang dat [hulpverlener] wordt voortgezet zodat er weer kan worden toegewerkt naar een hervatting van zijn schoolgang. Er zijn op dit moment verscheidene andere instanties in diverse stadia van het hulpverleningstraject betrokken voor alle gezinsleden. De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling blijft noodzakelijk om deze trajecten in goede banen te leiden, om erop toe te zien dat zij doorgang vinden en om te onderzoeken of eventuele andere hulpverlening voor het gezin nog noodzakelijk is. Hiernaast blijft verdere inzet van de gecertificeerde instelling op contactherstel tussen de moeder en haar zoons noodzakelijk. De kinderrechter ziet dat het gezin in de afgelopen periode prille positieve stappen heeft gezet, en het van belang is dat deze duurzaam worden bestendigd zodat er rust ontstaat voor de kinderen en kan worden toegewerkt naar een beëindiging van de maatregelen.

5.3.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van zes maanden.2

5.4.

De kinderrechter is verder van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.3 De kinderrechter overweegt daartoe de moeder eerder heeft aangegeven en nu opnieuw ter zitting heeft bevestigd dat zij toestemming geeft om [minderjarige 1] bij de vader te laten wonen. De ouders lijken daarom op één lijn te zitten met betrekking tot dit onderwerp en het belang van [minderjarige 1] voorop te zetten, waar de kinderrechter hen voor complimenteert. De kinderrechter stelt daarom tevens vast dat er geen grondslag meer bestaat voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en wijst dit verzoek dan ook af. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige 1] door deze beslissing meer rust krijgt en zich meer kan focussen op zijn eigen ontwikkeling en toekomst.

5.5.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.4

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 7 maart 2027;

6.2.

wijst af het anders of meer verzochte;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »