Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3274 (echtscheiding) en FA RK 26-1974 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/684523 (echtscheiding) en C/09/700362 (verdeling)
Datum beschikking: 3 september 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 29 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kievit te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. van der Heide-Boertien te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het aanvullend verzoekschrift van 19 januari 2026, van de vrouw;
- het gewijzigde verzoekschrift van 23 juli 2026, van de vrouw.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken, maar zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 30 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat en ondersteund door een tolk;
-
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Namens de man zijn pleitnotities met salarisstroken overgelegd. Na de zitting heeft de rechtbank het F9-formulier met bijlagen van 31 juli 2026 ontvangen van de man.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 26 juni 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
-
de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] , en beveelt mitsdien dat de man die woning uiterlijk op 13 juli 2025 dient te verlaten en verder niet mag betreden;
-
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] aan de vrouw zullen worden toevertrouwd.
Verzoek en verweer
Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
-
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
-
een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de man omgang heeft met de kinderen:
-
op maandag van 15:30 uur tot 18:00 uur;
-
op dinsdag van 11.00 uur tot 18.00 uur;
-
op woensdag van 11.00 uur tot 18.00 uur;
-
op donderdag van 15:30 uur tot 18:00 uur;
-
op zondag in de oneven weken van 11.00 uur tot 18.00 uur,
in de echtelijke woning;
-
een verdeling van de vakantie te bepalen, inhoudende dat:
-
de man tijdens de zomervakantie iedere woensdag en zondag van 11.00 uur tot 18.00 uur omgang heeft met de kinderen;
-
partijen de overige schoolvakanties bij helfte verdelen, waarbij partijen uiterlijk zes maanden voor het begin van de desbetreffende schoolvakantie overeenstemming moeten hebben bereikt, dan wel – indien het partijen niet lukt om overeenstemming te bereiken – te bepalen dat de kinderen de eerste helft van de vakantie bij de man is en de tweede helft van de vakantie bij de vrouw.
-
te bepalen dat de man gehouden is een bedrag van € 214,- per kind per maand aan de vrouw te betalen ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , met ingang van 1 augustus 2025, dan wel een door de rechtbank te bepalen ingangsdatum;
-
vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft op de zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna -voor zover nodig- zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan De rechtbank stelt vast dat door partijen geen door hen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 lid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid de vrouw in haar verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd dat het voor partijen gedurende de procedure redelijkerwijs niet mogelijk is gebleken om een door hen beiden akkoord bevonden en ondertekend ouderschapsplan aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan deze processuele eis uit artikel 815 lid 2 Rv en de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft op de zitting ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van de kinderen toewijzen.
Zorgregeling en verdeling van de schoolvakanties
Uit de stukken en het verhandelde op de zitting volgt dat de man en de kinderen op dit moment contact hebben op maandag en donderdag van 15.30 uur tot 18.00 uur en op dinsdag en woensdag van 11.00 tot 18.00 uur, waarbij het contactmoment plaatsvindt in de woning van de vrouw, nu de man niet over eigen woonruimte beschikt. De vrouw heeft verzocht deze regeling in de beschikking op te nemen. Verder geeft de vrouw aan dat het wenselijk zou zijn als de man een groter deel van de zorg over de kinderen voor zijn rekening neemt, in het bijzonder tijdens een weekenddag. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de man vanaf september 2026 ook telkens op de eerste zaterdag van de maand van 11.00 uur tot 18.00 omgang zal hebben met de kinderen in de woning van de vrouw. Partijen hebben afgesproken dat voornoemde regeling ook tijdens de schoolvakanties doorloopt.
De rechtbank benadrukt dat het in het belang van de kinderen is dat het voor hen duidelijk en voorspelbaar is wanneer zij door welke ouder verzorgd worden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat beide partijen zich aan de voornoemde regeling houden en dat zij enkel in onderling overleg van deze regeling afwijken.
Op de zitting is verder besproken dat partijen opnieuw met elkaar in overleg kunnen treden over de zorg- en vakantieregeling wanneer de man over eigen woonruimte beschikt.
Kinderalimentatie Ingangsdatum De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen. Vooropgesteld wordt dat in het algemeen behoedzaam gebruik dient te worden gemaakt van de bevoegdheid om de alimentatie over een periode in het verleden en dus met terugwerkende kracht vast te stellen, vanwege de veelal ingrijpende gevolgen voor de onderhoudsplichtige.
De vrouw verzoekt 1 augustus 2025 als ingangsdatum te hanteren, omdat partijen op dat moment uit elkaar zijn gegaan en de man vanaf dat moment rekening had kunnen houden met een te betalen bijdrage, gelet op de brief die de advocaat van de vrouw op 31 juli 2025 aan de man heeft gestuurd met de vraag om zijn financiële gegevens te overleggen. De rechtbank vindt het niet redelijk om 1 augustus 2025 als ingangsdatum te hanteren omdat uit voornoemde brief onvoldoende blijkt met welk bedrag de man vanaf dat moment rekening had moeten houden.
De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij de datum van de indiening van het aanvullend verzoekschrift, waarin de vrouw de rechtbank verzoekt om een kinderalimentatie van € 214,- per kind per maand vast te stellen. De rechtbank zal zodoende 19 januari 2026 als ingangsdatum hanteren.
Behoefte
Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het Rapport Alimentatienormen en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van de ouders ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. Nu partijen op 1 augustus 2025 uit elkaar zijn gegaan zal de rechtbank het tarief 2025-II hanteren. Aan de zijde van de man gaat de rechtbank uit van een jaarinkomen van € 51.096,- in 2025, zoals volgt uit zijn jaaropgaven 2025. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 3.274,- per maand.
Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto arbeidsinkomen van € 3.630,- per maand in 2025, zoals volgt uit haar salarisspecificaties van juni, juli en augustus 2025. De rechtbank houdt verder rekening met een vakantietoeslag van 8%, een eindejaarsuitkering van afgerond € 303,- per maand, een ingehouden pensioenpremie van afgerond € 353,- per maand, een aanvullende pensioenpremie van afgerond € 4,- per maand en een netto WGA-premie van afgerond € 15,- per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.314,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt dus € 6.710,- per maand (€ 3.274,- + € 3.314,-), inclusief een kindgebonden budget van € 122,-. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.534,- per maand voor de kinderen in 2025. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte € 1.605,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht man Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank wederom uit van een jaarinkomen van € 51.096,- in 2025, omdat de jaaropgaven 2025 een beter beeld geven van het inkomen van de man dan de drie recente sterk van elkaar verschillende weekspecificaties die zijn overgelegd. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank zijn NBI op € 3.307,- per maand.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 3.307,- – (€ 992,- + € 1.365,-)] = € 665,- per maand.
Draagkracht vrouw Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank wederom uit van een arbeidsinkomen van € 3.630,- per maand in 2025, alsmede van de voornoemde vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en premies. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget berekent de rechtbank haar NBI op € 4.020,- per maand.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 4.020 – (€ 1.206,- + € 1.365,-)] = € 1.014,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (€ 665,- + € 1.014,- =) € 1.679,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de man: 665 / 1.679 x 1.605 = 636
het eigen aandeel van de vrouw: 1.014 / 1.679 x 1.605 = 969
samen 1.605
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 636,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 969,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook het Rapport Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. De rechtbank neemt bij de vaststelling van de zorgkorting in aanmerking dat de man de kinderen in de woning van de vrouw thuis verzorgt en dat de vrouw op de zitting heeft aangegeven dat zij ervoor zorgt dat er voldoende eten en drinken in huis aanwezig is. De man heeft dit niet betwist. Gelet daarop vindt de rechtbank het redelijk om een zorgkorting van 5% te hanteren. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel (0,05 x € 1.605,- =) € 80,-. De door de man te betalen bijdrage bedraagt voor de kinderen samen afgerond (€ 636,- – € 80,- =) € 556,- per maand, zijnde € 278,- per kind. Zodra de man over eigen woonruimte beschikt en de kinderen daar zal ontvangen, zal de man automatisch verblijfskosten voor zijn rekening nemen en zal de zorgkorting aangepast moeten worden overeenkomstig de zorgregeling zoals die dan zal gaan lopen. De rechtbank rekent erop dat partijen met behulp van hun advocaten en deze beschikking in staat zullen zijn de hoogte van de kinderalimentatie uit aangehechte berekening op dat punt in onderling overleg aan te passen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man, met ingang van 19 januari 2026, te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 278,- per kind per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2013. Het Nederlandse recht kende toen nog als huwelijksgoederenstelsel de algehele gemeenschap van goederen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat er tussen partijen sprake is van een gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap moet op grond van artikel 1:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij helfte tussen partijen worden verdeeld.
Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
29 april 2025, namelijk de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen en de eisen van redelijkheid en billijkheid niet anders met zich brengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen gesteld die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken en de volgende schulden die in de gemeenschap vallen:
-
de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] ;
-
de inboedel;
-
de betaal- en spaarrekeningen;
-
eventuele schulden – de private leaseauto;
Ad a. de echtelijke woning
Op de zitting geeft de vrouw aan dat zij de woning wenst over te nemen. De man stemt hiermee in. Partijen hebben ook overeenstemming over een makelaar voor de taxatie van de woning, te weten [makelaar] , die de woning bindend voor partijen zal taxeren. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen. Op de zitting is besproken dat de vrouw in de gelegenheid gesteld moet worden om de woning over te nemen. Aan de vrouw zal daarbij een termijn van vier maanden na datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking worden gegeven om aan te tonen dat zij in staat is om de woning tegen de getaxeerde waarde over te nemen, met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en uitkoop van de man. Slaagt de vrouw hier niet in, dan zal de woning worden verkocht aan een derde, waarna partijen de over-/onderwaarde delen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.
Ad b. de inboedel
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen.
Ad c. de betaal- en spaarrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de man en de vrouw de op eigen naam staande betaalrekeningen voortzetten zonder verrekening van de saldi. Verder zijn partijen het erover eens dat de spaarrekening op naam van de vrouw aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting dat de vrouw de helft van het saldo per peildatum aan de man betaalt.
Ad d. eventuele schulden – de private leaseauto
Naar weten van de vrouw bevinden zich geen schulden in de gemeenschap, behoudens de hypothecaire lening verbonden aan de echtelijke woning. Mocht desondanks een schuld bekend worden, dan is de vrouw van mening dat de schuld geheel voor rekening komt van de partij die de schuld is aangegaan.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw een private leaseauto in gebruik heeft. De man heeft dit niet weersproken. Gezien het hiervoor geformuleerde standpunt van de vrouw waartegen de man geen verweer heeft gevoerd, stelt de rechtbank vast dat de vrouw de uit de private lease overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen als eigen schuld voor haar rekening neemt, zonder nadere verrekening. Van andere in de gemeenschap vallende schulden is niet gebleken, zodat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te ’ [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*bepaalt dat de voornoemde minderjarigen omgang hebben met de man in de woning van de vrouw:
-
op maandag van 15:30 uur tot 18:00 uur;
-
op dinsdag van 11.00 uur tot 18.00 uur;
-
op woensdag van 11.00 uur tot 18.00 uur;
-
op donderdag van 15:30 uur tot 18:00 uur;
-
vanaf september 2026 ook elke eerste zaterdag van de maand van 11.00 uur tot 18.00 uur,
waarbij de regeling doorloopt tijdens de schoolvakanties;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 januari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de voornoemde minderjarigen van € 278,- per maand per kind zal betalen, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
* stelt de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast:
- met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en polis(sen)
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week een gezamenlijke opdracht aan de makelaar-taxateur Hans Scheenstra Makelaardij tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen;
b) de vrouw dient binnen vier maanden na datum inschrijving echtscheidingsbeschikking aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
- de inboedel van de echtelijke woning wordt aan de vrouw toegedeeld, zonder nadere verrekening;
- door de man en de vrouw worden de uitsluitend op eigen naam staande bankrekeningen voortgezet, zonder verrekening van de saldi;
- het saldo van de spaarrekening op naam van de vrouw wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting de helft van het saldo per peildatum aan de man te betalen;
- stelt vast dat de vrouw de uit de private lease overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen als eigen schuld voor haar rekening neemt, zonder nadere verrekening;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 september 2026. |