Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-253868-25
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 december 2025, 6 maart 2026, 15 mei 2026 (alle pro forma) en 18 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 27 september 2025 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, in de richting van die [aangever] een of meermaals een stekende en/of zwaaiende beweging met een mes heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 september 2025 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen in de richting van die [aangever] een of meermaals een stekende en/of zwaaiende beweging met een mes heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 27 september 2025 te Leiden [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door- een of meermaals een stekende en/of zwaaiende beweging richting die[aangever] te maken met een mes, en/of- die [aangever] een mes te tonen.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrijgesproken moet worden, omdat niet is vast te stellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood bij de aangever was. De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewijsvraag op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken.
Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde
Niet ter discussie staat dat de verdachte en de aangever op 27 december 2025, rond 04:15 uur, bij de woning van de aangever hebben afgesproken. Evenmin staat ter discussie dat de verdachte een groot keukenmes bij zich had in zijn bodywarmer. De verklaringen van zowel de verdachte, de aangever en de getuigen over wat er vervolgens gebeurde lopen uiteen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de verdachte eerst het mes aan de aangever liet zien, waardoor het conflict escaleerde. Ook kan worden vastgesteld dat de verdachte achter de aangever aan is gerend met het mes in zijn hand. Echter, niet buiten gerede twijfel is vast te stellen dat de afstand tijdens het incident zodanig dichtbij was, dat de verdachte de aangever met het mes had kunnen raken, maar dat dit niet is gelukt, omdat de aangever bijvoorbeeld is weggesprongen. Daartoe is het volgende van belang.
De verklaring van de aangever, dat hij door de verdachte zou zijn neergestoken als hij niet opzij was gesprongen en dat hij ook geraakt zou zijn (hij voelde een scherpe korte pijn), wordt onvoldoende ondersteund door ander bewijsmateriaal. Weliswaar had de aangever een scheur aan de achterkant van zijn T-shirt, maar onduidelijk is gebleven waardoor die scheur is ontstaan. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de aangever geen letsel had, hetgeen wel te verwachten zou zijn als aangever was geraakt met een dergelijk mes. Ook de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] bieden onvoldoende steun, omdat deze getuigen wisselend en onvoldoende duidelijk bij de politie en de rechter-commissaris hebben verklaard over de afstand tussen de verdachte en de aangever op de momenten dat de verdachte zwaaiende/stekende bewegingen met het mes maakte en of zij hebben waargenomen dat de aangever had kunnen worden geraakt (en/of is geraakt). Ten aanzien van de video’s (waarop slechts een deel van het incident te zien is) merkt de rechtbank op dat niet te zien is dat de verdachte met het mes zodanig dicht bij de aangever komt, dat er een aanmerkelijke kans was dat de aangever dodelijk of zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen of er een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel was. Zij zal de verdachte daarom van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025327508, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 84 en het vervolgdossier p. 1 t/m 9).
-
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 27 september 2025, voor zover inhoudende (p. 18-20):Ik was 27 september 2025 om ongeveer 01:00 uur klaar. Ik kreeg een bericht via Whatsapp van mijn vriend [verdachte] . Ik noem hem [bijnaam verdachte] . Ik kreeg een bericht van [bijnaam verdachte] om 04:13 uur dat hij naar mijn huis zou komen. Ik ben toen naar beneden gegaan en stond buiten voor [snackbar] . Ik zag dat [bijnaam verdachte] een witte bodywarmer aan had en dat hij met zijn handen de rits openmaakte. Ik zag dat hij een mes vast had. Ik zag toen dat hij met zijn hand het mes uit zijn bodywarmer trok. [bijnaam verdachte] begon mij te volgen met het mes in zijn handen. Hij maakte vijf keer een zwaaiende beweging om mij aan te vallen. Ik ben onwijs geschrokken en maak me heel erg zorgen. Ik ben bang dat hij mij nog een keer zo aan gaat vallen.
-
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 september 2026, voor zover inhoudende:
Ik ben in de nacht van 27 september 2025 naar het huis van [aangever] gegaan. Ik had een mes bij mij. Het mes zat in de linker binnenkant van mijn bodywarmer.
3. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , op 14 april 2026, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende:
2. U vraagt of ik nog weet waar het incident plaatsvond. Voor de Hoogvliet, daar op de hoek van het Levendaal en de Korevaarstraat, bij snackbar [snackbar] . U zegt dat u heeft staan dat het was op zaterdag 27 september 2025. Ja, dat was het weekend voor 3 oktober.
10. U vraagt waar ik mij toen bevond, voor of in de snackbar. We zaten een stukje verderop bij een bushokje. Ik hoorde toen een soort ruzie. Ze renden om een boom heen en zo, achter elkaar. Daarna had ik in de gaten dat één van die jongens een mes trok.
4. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , op 14 april 2026, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende:2. U vraagt in welke stad dat was. In Leiden. Nee. U zegt dat u heeft staan dat het was op 27 september 2025 in of rond de Korevaarstraat in Leiden. Dat klopt. 22. U vraagt op welk moment ik het mes heb gezien. Ik zag de verdachte, de man met de lichte bodywarmer, met die andere persoon bekvechten. Kort daarna, een minuut of twee minuten denk ik, zag ik dat hij met zijn rechterhand naar zijn linkerbinnenzak ging. Op dat moment zag ik een groot mes tevoorschijn komen. 23. U vraagt of ik het mes nog nader kan specificeren. Ja, toen hij het mes uit zijn
bodywarmer pakte, was het mes met de punt naar beneden.
28. Ik heb de verdachte, de man met de lichte bodywarmer, achter het
slachtoffer aan zien rennen.
33. Ik zag hem een aantal keer op het slachtoffer aflopen en stekende bewegingen maken met zijn rechterhand.
Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid verklaringen
De verdediging heeft uitgebreid naar voren gebracht dat de verklaringen van de getuigen onderling van elkaar verschillen en dat de verklaringen bij de politie anders zijn dan die zij bij de rechter-commissaris hebben afgelegd. Volgens de verdediging dient dat ertoe te leiden dat aan de juistheid van de verklaringen getwijfeld moet worden en daarom uiterst behoedzaam met de verklaringen omgegaan moet worden.
De rechtbank overweegt dat, zoals eerder overwogen, wisselend, dan wel onvoldoende duidelijk, is verklaard over de afstand tussen de verdachte en de aangever op het moment dat de verdachte met het mes stekende/zwaaiende bewegingen maakte en of aangever met het mes geraakt is of had kunnen worden. Daartegenover staat dat de getuigen wel concreet zijn over dat zij hebben gezien en/of gehoord dat de verdachte en de aangever eerst aan het bekvechten waren, dat de verdachte daarna een mes trok en dat hij achter de aangever aan is gaan rennen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat dan ook niet tot de conclusie dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn en in het geheel niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat getuigen [getuige 1] en [getuige 3] de aangever niet kennen en in die zin onafhankelijke getuigen zijn. De rechtbank zal de verklaringen van de getuigen voor het bewijs gebruiken.
Heeft de verdachte de aangever bedreigd?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht – voor zover hier relevant – is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en het opzet van de verdachte, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, daarop was gericht.
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte aan de aangever een mes heeft laten zien, dat hij daarna het mes heeft getrokken en achter de aangever aan is gaan rennen. Tijdens het rennen heeft de verdachte zwaaiende bewegingen met het mes gemaakt. De gedragingen van de verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm van zodanige aard en onder zodanige omstandigheden geschied, dat bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar mishandeld zou worden en dat het opzet van de verdachte hierop ten volle was gericht.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 27 september 2025 te Leiden [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door - meermaals een stekende en/of zwaaiende beweging richting die [aangever] te maken met een mes, en- die [aangever] een mes te tonen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat primair sprake is van noodweer, subsidiair van noodweerexces. Verder heeft de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt gesteld sprake is van putatief noodweer, meest subsidiair van putatief noodweerexces.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren van de verdediging moeten worden verworpen, aangezien van een noodweersituatie geen sprake was.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht en de heersende jurisprudentie hieromtrent dient allereerst aannemelijk te zijn dat sprake was van een noodweersituatie, dat wil zeggen: (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was.
De verdachte heeft verklaard dat hij zich moest verdedigen, omdat de aangever een fiets tegen hem heeft aangegooid. Vervolgens zou hij een mes hebben getrokken om de aangever en anderen, die later ook met fietsen naar hem gooiden, op afstand te houden.
De rechtbank volgt de verdachte in die verklaring niet. De verdachte is, zoals hiervoor overwogen, juist degene geweest die aan de aangever het mes heeft getoond, het mes heeft getrokken en achter de aangever aan is gaan rennen. Die gedragingen moeten naar de kern bezien niet als verdedigend, maar als aanvallend worden aangemerkt. Dat vervolgens fietsen naar de verdachte zijn gegooid, kennelijk juist om hem op afstand te houden, maakt dat oordeel niet anders.
Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de gedragingen van verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend zijn aan te merken, kan een beroep op (putatief) noodweer(exces) evenmin slagen. (vlg. hoge Raad 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788).
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar en de verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit en de verdachte uitsluiten.
5 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde feit een gevangenisstraf voor de duur van 140 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, wordt opgelegd. De officier van justitie heeft ook een 38v-maatregel in de zin van een contact- en locatieverbod, voor de duur van één jaar met vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen met een maximum van zes maanden voor iedere overtreding, gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft naar voren gebracht dat bij een bewezenverklaring geen straf hoger dan het voorarrest moet worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging door aan het slachtoffer een mes te tonen en daarmee zwaaiende en stekende bewegingen te maken. Dit vond plaats in de vroege ochtend op straat en meerdere personen waren hiervan getuigen. Dat de verdachte zo heeft gehandeld, kennelijk vanwege een ruzie over geleend geld, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Dergelijke handelingen leveren gevoelens van onveiligheid op, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 februari 2026. Het strafblad van de verdachte is niet van invloed op de op te leggen straf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 27 november 2025 waarin het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Destijds adviseerde de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een e-mail van de officier van justitie waarin zij aangeeft dat zij recent contact heeft gezocht met de reclassering. Dat gesprek gaf een zeer positief beeld over de verdachte. De verdachte heeft hard gewerkt aan de gestelde doelen, komt afspraken na en neemt verantwoordelijkheid. Hij heeft de behandeling bij De Waag goed doorlopen en handvatten gekregen om zijn emoties en impulsen te reguleren. De reclassering heeft aangegeven geen noodzaak meer te zien in het verder opleggen van voorwaarden.
Gelet op de ernst van het feit, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 70 dagen passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen.
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, ziet de rechtbank voor oplegging van een 38v-maatregel, gelet op de omstandigheden dat niet is gebleken dat tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis de verdachte nog contact met het slachtoffer heeft (gehad), de verdachte geen contact meer wenst te hebben met de aangever, en het lage recidivegevaar (gelet op de recente informatie van de reclassering), geen aanleiding.
6 De vordering tot schadevergoeding
De vordering
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering tot schadevergoeding.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering te ingewikkeld is en om die reden een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. De vordering moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag sterk te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelde op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.
Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen in dit geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het meer subsidiair bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,-. Bij die vaststelling betrekt de rechtbank dat de omstandigheden waarbinnen een en ander zich heeft afgespeeld.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever] .
7 De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen mes naar de rechtmatige eigenaar terug mag.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet over het beslag uitgelaten, anders dan de opmerking dat het mes niet van de verdachte is.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de
bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst genoemde voorwerp.
8 De toepasselijke wetsartikelen
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van het meer subsidiaire feit:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 70 (ZEVENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten: één mes.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Bouman, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. Ş. Kara, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.