ECLI:NL:RBDHA:2026:28886

Datum uitspraak
15-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
SGR 26/2915
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping bij een autowasserij; artikel 1:2, eerste lid, Awb; eiser is geen belanghebbende, omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde activiteit; bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard; beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2915

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het College van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. G. Chkadua).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 2 maart 2026. Met dit besluit is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit bezwaar was gericht tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een overkapping ten behoeve van stofzuigerplaatsen bij autowasserij [bedrijfsnaam] aan de [adres].

1.1.

Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van het college

2. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij volgens het college geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. Het college stelt zich op het standpunt dat de afstand tussen de woning van eiser en de locatie van de vergunde overkapping, ongeveer 110 meter bedraagt. Deze afstand is volgens het college te groot om eiser als belanghebbende aan te merken. Daarnaast is het college niet gebleken dat eiser gevolgen van enige betekenis zal ondervinden en onderscheidt hij zich in onvoldoende mate van anderen. Het college concludeert dan ook dat eiser noch een rechtstreeks, noch een persoonlijk belang heeft bij het plaatsen van de overkapping.

Het standpunt van eiser

3. Eiser betoogt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het college had hem als belanghebbende moeten aanmerken. Volgens eiser moet bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is niet uitsluitend worden gekeken naar het afstandscriterium, maar moet de bredere woon- en leefomgeving in beschouwing worden genomen. Eiser stelt dat de gevolgen van het plaatsen van de overkapping verder reiken dan alleen zijn appartement en dat ook zijn directe leefomgeving wordt geraakt. Hij vreest dat het plaatsen van de overkapping zal leiden tot ernstige overlast door een toename van het aantal straatraces, geluidsoverlast door auto’s en harde muziek en tot een gevoel van onveiligheid door groepen hangjongeren.

Het oordeel van de rechtbank

4. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Hierbij is van belang dat er sprake is van een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit.

4.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.1 Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dit uitgangspunt. Indien iemand geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, heeft hij geen persoonlijk belang bij een besluit. Hij onderscheidt zich in dat geval onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er sprake is van gevolgen van enige betekenis, moet er worden gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de activiteit die wordt toegestaan door het besluit. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.2

4.2.

De rechtbank overweegt dat in het geval van eiser niet is gebleken van een voldoende persoonlijk, rechtstreeks betrokken belang bij de verleende vergunning. Eiser heeft niet gemotiveerd betwist dat zijn woning op ongeveer 110 meter afstand ligt van de vergunde overkapping. Voor zover al aangenomen kan worden dat eiser feitelijke gevolgen ondervindt van de realisatie van de overkapping, heeft het college terecht aangenomen dat deze gevolgen niet van enige betekenis zijn. De door eiser gevreesde overlast van straatraces en hangjongeren is niet terug te voeren op de activiteit die met het primaire besluit is vergund. Het besluit ziet uitsluitend op het plaatsen van een overkapping en bevat geen toestemming voor de overlastgevende activiteiten die eiser vreest. Ook aan deze gestelde overlast kan eiser daarom geen belanghebbendheid ontlenen. Voor zover ter plaatse sprake is van illegale straatraces en daarmee gepaard gaande overlast voor de omgeving, is dit een kwestie van handhaving. De rechtbank overweegt dan ook dat het college eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt bij de verleende omgevingsvergunning.

5. Het betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Uit het voorgaande volgt dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van

S.C.M. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »