RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5935
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
de burgemeester van Zoetermeer, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Janssen).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1], [derde-partij 2], [derde-partij 3] en [derde-partij 4], allen uit [woonplaats] (buurtbewoners).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aanlijn- en muilkorfgebod voor alle honden van verzoeker die nog geen aanlijn- en muilkorfgebod hadden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 heeft verweerder aan verzoeker een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd voor al zijn honden die nog geen aanlijn- en muilkorfgebod hadden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Een aantal buurtbewoners die als derde partij aan de procedure deelnemen hebben ook schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verweerder en een aantal buurtbewoners te weten, [derde-partij 1], [derde-partij 2] en [derde-partij 4].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is eigenaar van vier honden van het ras [ras] ([hond 1], [hond 2], [hond 3] en [hond 4]). Een van deze honden, [hond 4], heeft op 30 juni 2025 een ernstig bijtincident met een persoon veroorzaakt. Verweerder kwalificeert dit bijtincident als ernstig en heeft daarom op 3 maart 2026 een aanlijn- en muilkorfgebod aan verzoeker opgelegd voor [hond 4]. Bij brief van 1 april 2026 hebben buurtbewoners verweerder dringend verzocht om ook een aanlijn- en muilkorfgebod voor de andere honden van verzoeker op te leggen. Daarbij hebben zij kortgezegd aangegeven dat zich al drie ernstige bijtincidenten hebben voorgedaan waarvoor aangifte dan wel waarvan melding is gedaan. Naast het incident op 30 juni 2025 hebben zich op 23 juli 2023 en 19 november 2025 ook bijtincidenten met de honden van verzoeker voorgedaan, aldus de buurtbewoners. De buurtbewoners voelen zich niet veilig op straat door de honden van verzoeker.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Verweerder heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek op 8 mei 2026 het voornemen geuit om een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen voor alle honden van verzoeker. Verweerder acht dit noodzakelijk omdat de honden niet goed uit elkaar te houden zijn. Daarmee is het mogelijk om het gebod voor [hond 4] te omzeilen. In het primaire besluit is verweerder hierbij gebleven. Verweerder heeft aangegeven dat indien gedragstesten daartoe aanleiding geven het besluit kan worden heroverwogen.
Wat vindt verzoeker?
5. Verzoeker heeft een risicoanalyse door een kynologisch gedragstherapeut laten uitvoeren bij zijn honden. Daaruit blijkt dat zijn overige honden geen gevaar vormen en in ieder geval niet als gevaarlijk in de zin van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) kunnen worden aangemerkt. Voor twee van zijn honden geeft verzoeker aan dat zij gezondheidsproblemen hebben waardoor het al helemaal niet wenselijk is om hen een muilkorf te laten dragen. Verzoeker is verder van mening dat verweerder zijn onderzoeksplicht naar aanleiding van het handhavingsverzoek niet goed heeft verricht. De buurtbewoners die het handhavingsverzoek gedaan hebben maken zich schuldig aan smaad en laster. Er is sprake van een conflict met deze buurtbewoners. Zo is de echtgenote van verzoeker door een buurtbewoner fysiek aangevallen. Na het incident van 19 november 2025 en het eerste aanlijn- en muilkorfgebod op 3 maart 2026 hebben zich geen incidenten voorgedaan dat een gebod voor zijn andere honden rechtvaardigt.
De honden van verzoeker zijn volgens hem prima van elkaar te onderscheiden. Daarnaast zou de handhaver eenvoudig een hondenchiplezer kunnen gebruiken.
Wat zijn de regels?
6. De regels staan in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang in deze zaak voldoende aannemelijk is. Verzoeker heeft aangetoond dat [hond 1] en [hond 3] medische mankementen hebben. Het dragen van een muilkorf zal volgens verzoeker niet goed zijn voor het welzijn deze honden. Daarnaast gaat het om een belastend besluit dat verzoeker en zijn honden beperkt in hun handelingsvrijheid. De voorzieningenrechter kan verzoekers standpunt dat sprake is van een spoedeisend belang daarom volgen. Voor het betoog van verweerder dat de dierengeneeskundige informatie en de in opdracht van verzoeker uitgevoerde gedragsonderzoeken niet geloofwaardig of niet door een deskundige opgemaakt zijn, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.
8. Op grond van artikel 2:43 van de Apv kan verweerder, indien hij een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, de eigenaar of houder van een hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of terrein van een ander.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat het in dit geval niet gaat om de vraag of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat sprake is van gevaarlijke of hinderlijke honden. Zoals verweerder ter zitting heeft erkend bestaat er geen juridische basis voor het opleggen van het aanlijn- en muilkorfgebod voor de andere honden van verzoeker, nu verweerder niet heeft vastgesteld of de betreffende honden gevaarlijk of hinderlijk zijn. Verweerder heeft er voor gekozen om toch het gebod op te leggen om de onrust die overduidelijk in de buurt heerst, weg te nemen. Daarbij heeft verweerder benadrukt dat er sprake is van een groot conflict in de buurt en dat het zeldzaam is dat een handhavingsverzoek door zoveel (meer dan vijftig) buurtbewoners wordt ondertekend. Ter zitting hebben de buurtbewoners hun zorgen en angsten ook duidelijk toegelicht. Verder heeft verweerder in het verweerschrift uitgelegd dat verzoeker [hond 4] niet in bedwang kon houden tijdens het bijtincident van 30 juni 2025. De kans is daarom groot dat verzoeker ook zijn andere honden niet in bedwang zal kunnen houden. Verweerder heeft verder betrokken dat verzoeker niet wist te vertellen welke van zijn honden betrokken was bij het bijtincident van 23 juli 2023. Dat onderstreept volgens verweerder de noodzaak van een gebod voor alle honden. Daarnaast zijn de door verzoeker overgelegde gedragsrapporten volgens verweerder onvoldoende duidelijk.
10. De voorzieningenrechter acht het niet ondenkbaar dat er ook zonder concrete meldingen of aangiften van een bijtincident, onder omstandigheden een inschatting gemaakt kan worden of een hond gevaarlijk of hinderlijk in de zin van de Apv is. Daarbij is te denken aan een rapport van een kynologisch gedragsdeskundige waaruit mogelijk aanknopingspunten kunnen blijken voor het maken van een dergelijke beoordeling. Nu vaststaat dat er geen concrete meldingen in het dossier zitten die voldoende duidelijk zijn en eenduidig te herleiden tot een van de andere honden van verzoeker, had het op de weg van verweerder gelegen om naar aanleiding van de ontstane onrust in de buurt en in samenspraak met verzoeker zorgvuldig onderzoek uit te (laten) voeren indien hij wilde bezien of een besluit als het onderhavige nodig is. Verweerder heeft dit evenwel nagelaten. De gedragskundige rapporten die eiser nu zelf op eigen initiatief heeft laten opmaken, geven geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de overige honden gevaarlijk of hinderlijk zijn. Dit is anders voor [hond 4] waarvoor verzoeker ook een rapport heeft laten opmaken waarin wordt bevestigd dat [hond 4] in bepaalde situaties onberekenbaar is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan de ingebrachte rapporten te twijfelen. Voor zover verweerder daar kanttekeningen bij heeft geplaatst, leiden die niet zonder meer tot een ander oordeel. Daarbij geldt dat indien verweerder meer regie had willen voeren over de keuze van de deskundige die het onderzoek uitvoert en over de wijze waarop dat gebeurt, dit temeer reden was geweest om het voortouw te nemen en de situatie actief te (doen) onderzoeken.
11. Uit het voorgaande volgt dat de door verweerder gegeven onderbouwing naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond biedt voor de vaststelling dat sprake is van gevaarlijke of hinderlijke honden, zodat evenmin een juridische basis aanwezig is voor toepassing van het aanlijn- en muilkorfgebod zoals geregeld in de Apv. Daarmee heeft de voorzieningenrechter geen andere mogelijkheid dan het besluit van 23 juni 2026 te schorsen omdat het waarschijnlijk niet in stand zal blijven in bezwaar.
12. Uit het dossier en het verhandelde op zitting blijkt dat er angst en onrust heerst in de buurt. Dit is deels het begrijpelijke gevolg van het ernstige bijtincident van 30 juni 2025 waarbij [hond 4] was betrokken en deels van een inmiddels langlopende geschiedenis met andere voorvallen en incidenten die ervoor hebben gezorgd dat de communicatie tussen verzoeker en zijn partner enerzijds en de rest van de buurt anderzijds, zeer moeizaam verloopt en dat sprake is van wantrouwen over en weer. De voorzieningenrechter acht het zorgelijk dat verweerder er onder deze omstandigheden voor heeft gekozen het onderhavige besluit te nemen, terwijl hij zich ervan bewust is dat daar geen juridische basis voor is. Verweerder dient zich immers rekenschap te geven van de belangen van alle inwoners en in dit geval dus zowel van het belang van verzoeker die ervan uit moet kunnen gaan dat een voor hem belastende beschikking op juiste gronden berust, als van het belang van de andere buurtbewoners die erop moeten kunnen rekenen dat de maatregelen die verweerder voorstelt en zo nodig treft niet alleen een oplossing bieden, maar ook juridisch haalbaar zijn.
13. Aangezien de ontstane situatie in de buurt moeilijk te verbeteren lijkt zonder in te zetten op verbetering van communicatie en het herstel van vertrouwen tussen partijen, is het positief dat naast de onderhavige procedure kennelijk buurtbemiddeling vanuit de gemeente is opgestart. De voorzieningenrechter geeft verweerder in overweging om dit zoveel als mogelijk te faciliteren en te bezien in hoeverre het mogelijk is om de onderhavige procedure daarop zo nodig af te stemmen. Een voorbeeld van een oplossingsrichting zou kunnen zijn om de signalen uit de buurt over de overige honden van verzoeker alsnog aan te grijpen om een door alle partijen gedragen gedragskundig onderzoek te laten uitvoeren dat wellicht een basis kan zijn voor praktische afspraken over onderlinge bejegening en risicobeheersing.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 23 juni 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet ook deze vergoeding betalen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het laten opstellen en in de procedure brengen van de rapporten van de kynologisch gedragsdeskundige, voor zover deze zien op de honden waarvoor het gebod bij het bestreden besluit is opgelegd, redelijk is. Het rapport opgemaakt ten aanzien van [hond 4] komt niet voor vergoeding in aanmerking nu het bestreden besluit niet op deze hond ziet. Daarnaast zijn ook de deskundigenkosten zelf onderbouwd en redelijk. Daarom komen de kosten van de door verzoeker ingeschakelde deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb deels voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 358,06 (waarvan € 350,- ziet op de deskundigenrapporten en € 8,06 op reiskosten).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 358,06 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Algemeen plaatselijke verordening Zoetermeer
Artikel 2:43 Gevaarlijke honden
1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod, een muilkorfgebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een muilkorfgebod is opgelegd, is verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en:
c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:41, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.