ECLI:NL:RBDHA:2026:28052

Datum uitspraak
25-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.54098
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Grensdetentie, artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, eiser valt onder de Amb-verordening, onderuikrisico.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.54098

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de ambtenaar belast met grensbewaking,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000, het beroep gegrond.

Over de vrijheidsontnemende maatregel

2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, kan aan een vreemdeling die aan de grens een asielaanvraag indient, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang (de asielgrensprocedure).

2.1.

Een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Dat staat in artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In diezelfde bepaling staat dat de maatregel niet wordt opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

2.2.

De ambtenaar wijst erop dat eiser in het bezit is van een Italiaanse, nationale identiteitskaart. Volgens de ambtenaar is de Asiel -en Migratiebeheerverordening (Amb-verordening) op eiser van toepassing is. Om die reden geldt, naast de eis dat de asielgrensprocedure wordt toegepast, het vereiste dat sprake moet zijn van een onderduikrisico.1 De ambtenaar stelt in de maatregel dat sprake is van een onderduikrisico. Als gronden2 vermeldt de ambtenaar dat eiser:

f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

In beroep

3. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed.

Onderduikrisico

4. Eiser voert aan dat de ambtenaar onvoldoende toelicht waarom sprake is van een onderduikrisico. Ten eerste is grond f niet ten grondslag gelegd aan de maatregel nu deze niet is aangekruist. Verder stelt eiser dat de ambtenaar grond s ten onrechte tegenwerpt. Eiser heeft namelijk aangegeven dat zijn echtgenote in Italië verblijft. De ambtenaar had moeten onderzoeken of zij eisers onderhoud en terugreis kon bekostigen. Daar komt bij dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, waardoor hij onder de financiële verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers valt.

4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel grond f inderdaad niet is aangekruist bij de opsomming van de gronden zoals die volgen uit artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000. Direct onder deze opsomming, bij de motivering van de gronden, is grond f echter wel genoemd en uitgeschreven.3 De rechtbank oordeelt dat daarmee voldoende duidelijk is dat ook deze grond ten grondslag ligt aan de maatregel. Daar komt bij dat de ambtenaar er terecht op wijst dat grond f wel is aangekruist op de informatiefolder die aan eiser is uitgereikt. Eiser heeft de feitelijke juistheid van grond f niet betwist. Verder betwist eiser de feitelijke juistheid van grond r niet. Grond r is naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht. Gronden f en r zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en zijn samen voldoende om de maatregel te dragen. Daaruit volgt het bestaan van een onderduikrisico. Wat eiser aanvoert over grond s hoeft daarom niet besproken te worden.

Voortgang asielprocedure

5. Eiser wijst verder op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 10 september 2026.4 De rechtbank oordeelt daarin dat voor Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt te betogen dat hij niet kan worden overgedragen aan Italië.

5.1.

De beroepsgrond slaagt niet. Als wordt besloten om eiser over te dragen aan Italië, zal de vraag of voor Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel eerst in het beroep tegen dat te nemen besluit beoordeeld moeten worden. Anders dan bijvoorbeeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 maart 20265 kan in dit geval niet gezegd worden dat de grensdetentie met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het doel van grensbewaking niet dient, omdat in het geheel geen overdracht kan plaatsvinden.

6. Eiser is op 15 september 2026 gehoord en de ambtenaar heeft tijdens de zitting aangegeven dat op 22 september 2026 een besluit wordt genomen op eisers aanvraag. Eiser voert hiertegen aan dat die termijn onwaarschijnlijk is. Eiser meent namelijk dat hij aanvullend moet worden gehoord, omdat aan hem geen vragen zijn gesteld over zijn verblijf buiten de Europese Unie.6

6.1.

Deze beroepsgrond kan niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat. Dat- en of eiser aanvullend moet worden gehoord staat nog niet vast. Vooralsnog staat het voornemen om op 22 september 2026 op eisers asielaanvraag te beslissen.

Lichter middel

7. Eiser voert aan dat de ambtenaar moet motiveren waarom niet met een lichter middel wordt volstaan. Daarbij wijst eiser naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 20267 en zittingsplaats Roermond van 31 juli 20268 en 10 augustus 2026.9

7.1.

Wat eiser aanvoert, slaagt niet. De rechtsvraag die eiser opwerpt is namelijk beantwoord in de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026.10 Daarin overweegt de Afdeling dat, zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de beoordeling van de ambtenaar of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Eiser voert aan dat er hotels zijn bij Schiphol en daarmee een realistisch alternatief voorhanden is, maar dit volgt de rechtbank niet. Niet is onderbouwd dat die hotels realistische alternatieven zijn in voormelde zin. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.11

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »