beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer: FT RK\26.466
beschikking van 11 september 2026
in de zaak van
[verzoeker], in zijn hoedanigheid als curator van de vennootschap naar Duits recht
[vennootschap] Gmbh,
verzoeker,
advocaat: mr. R. Ali,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats],
vestigingsadres: [adres],
verweerster,
advocaat: mr. R.W.A. Brunninkhuis.
Waar deze zaak over gaat
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster. Subsidiair heeft hij verzocht om benoeming van een deskundige in de zin van artikel 371 lid 4 Fw. Beide verzoeken worden door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De procedure
Verzoeker heeft een verzoekschrift, met bijlagen, ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster.
Het verzoekschrift is op 8 september 2026 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- mr. R. Ali, namens verzoeker,
- mr. T.V.J. Bil, namens verzoeker,
- mr. R.W.A. Brunninkhuis, namens verweerster,
- mr. H. Verweij, namens verweerster.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de volgende stukken:
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van mr. Ali;
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van mr. Brunninkhuis.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Standpunten van partijen
Verzoeker stelt dat hij een vordering heeft op verweerster van € 1.800.000,- in hoofdsom, welke inmiddels is opgelopen tot een bedrag van € 2.446.808,49. Verzoeker heeft primair verzocht om faillietverklaring van verweerster. Verzoeker beroept zich voor wat betreft het pluraliteitsvereiste op de gedeponeerde jaarrekening van 2024, waarin een bedrag aan kortlopende schulden van € 881.805,- staat vermeld.
Verzoeker verzoekt subsidiair om benoeming van een deskundige in de zin van artikel 371 lid 4 Fw, nu verweerster geen inzicht in haar vermogenspositie geeft en de door haar gecreëerde onduidelijkheid aan haar faillietverklaring in de weg staat.
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Haar voornaamste verweer is dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, nu niet voldaan is aan het pluraliteitsvereiste.
Subsidiair voert verweerster – samengevat - aan dat een zelfstandig verzoek tot benoeming van een deskundige op grond van 371 lid 4 Fw niet mogelijk is.
3 De beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Het beoordelingskader
Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van een verzoeker is gebleken én is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van die toestand is sprake wanneer de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft en hij niet meer betaalt. Een en ander dient summierlijk te blijken, dat wil zeggen dat zowel de toestand als de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moeten blijken. Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.
Pluraliteitsvereiste
Het bestaan van gestelde steunvorderingen is door verweerster gemotiveerd betwist. Verweerster heeft verklaard dat er geen andere schuldeisers zijn die onbetaald blijven. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van verzoeker op de kortlopende schulden uit de gedeponeerde jaarrekening van 2024 van verweerster niet voldoende overtuigend is om vast te kunnen stellen dat op dit moment sprake is van de voor faillietverklaring vereiste pluraliteit. De rechtbank zal het verzoek tot faillietverklaring daarom afwijzen.
Benoeming deskundige in de zin van artikel 371 lid 4 Fw
De rechtbank komt vervolgens toe aan beoordeling van het subsidiaire verzoek van verzoeker. In artikel 371 Fw is een regeling opgenomen op basis waarvan verzocht kan worden om aanwijzing van een herstructureringsdeskundige, in verband met het aanbieden van een akkoord op grond van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord. Op grond van lid 4 van dit artikel kan de rechtbank – in het kader van het verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige – één of meer deskundigen benoemen om een onderzoek in stellen naar de vraag of sprake is van een toestand als bedoeld in artikel 371 lid 3 Fw.1 De rechtbank is daarin van oordeel dat niet buiten een verzoek ex. artikel 371 lid 1 Fw om, een verzoek ingevolge het vierde lid kan worden gedaan.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat het summiere karakter van het onderzoek binnen de faillissementsprocedure zich verzet tegen het inschakelen van een deskundige.
De rechtbank zal het verzoek tot benoeming van een deskundige in de zin van artikel 371 lid 4 Fw daarom afwijzen.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot faillietverklaring van verweerster af;
- wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige in de zin van artikel 371 lid 4 Fw af.
Dit is een beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met mr. A. de Ronde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.