ECLI:NL:RBDHA:2026:27700

Datum uitspraak
22-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
09/077044-26, 09/074861-24 (tul) en 09/154048-23 (tul)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling (artikel 285 Sr). Vrijspraak voor belaging en opzetverkrachting. Gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen, met aftrek van het voorarrest. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Toewijzen vordering tenuitvoerlegging inzake 09/154048-23 en verlengen proeftijd met 2 jaar inzake 09/074861-24.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/077044-26, 09/074861-24 (tul) en 09/154048-23 (tul)

Datum uitspraak: 22 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres],

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 juni 2026 (pro forma) en 8 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. J.M. Eelman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Aïssal naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks 20-11-2025 t/m 12-03-2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door- die [aangeefster] veelvuldig (soms 100 maal per dag) te bellen en/of berichten te sturen,- bij die [aangeefster], ongevraagd, voor haar woning te verschijnen,- zich in het park te bevinden waar de kinderen van die [aangeefster] spelen terwijl hij niet in de buurt woont en/of- die [aangeefster] te volgen met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2

hij in of omstreeks 20-11-2025 t/m 12-03-2026 te ’s-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door te zeggen en/of te berichten 'als ik jou niet dood maak ben ik de grootste hoerenzoon' en/of 'jij hebt mij hele leven kapot gemaakt, jij gaat zien ik ga die van jou kapot maken. Ik sla je tanden uit je bek' of woorden van gelijke aard of strekking;

3hij in de periode van 01 september 2025 tot en met 30 september 2025 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, handen/of vuist in de anus van die [aangeefster], terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- het slaan van die [aangeefster] op/tegen de ribben en/of neus en/of jukbeen, in elk geval op/tegen het lichaam en/of gezicht en/of- het zeggen tegen die [aangeefster]: "Dit vind je wel lekker he?", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 en 3 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Vrijspraak

3.3.1.

Feit 1 (belaging)

De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het juridisch kader

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de ten laste gelegde gedragingen zijn aan te merken als belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarbij moet worden beoordeeld of de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster zodanig zijn geweest dat deze zijn aan te merken als een stelselmatige, wederrechtelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat de verdachte de aangeefster in de ten laste gelegde periode duizenden keren heeft gebeld, ook met een anoniem nummer. Uit het dossier blijkt echter niet dat de aangeefster de verdachte in die periode duidelijk heeft gemaakt dat dat contact niet gewenst was. Pas in de drie dagen voordat zij aangifte van belaging deed – en dus aan het einde van de tenlastegelegde periode (8 t/m 11 maart 2026) heeft zij herhaaldelijk telefonisch aan de verdachte gevraagd haar met rust te laten. Bovendien constateert de rechtbank dat de aangeefster in de betreffende periode veelvuldig sms-contact heeft gehad met de verdachte (ruim 20.000 berichten over en weer in de periode van 1 oktober 2025 t/m 12 maart 2026), waarbij zij veel meer berichten naar de verdachte verstuurde dan zij van hem ontving. Uit de processen-verbaal van bevindingen op pagina 152 en 157 blijkt dat de strekking van deze sms-berichten is dat [verdachte] moet ‘opkankeren’, dat zij elkaar ervan beschuldigen ‘een ander te hebben’ en dat zij elkaar ‘willen’. De rechtbank kan de inhoud en betekenis van de over en weer verstuurde berichten niet zelfstandig beoordelen, omdat deze – op een enkele uitzondering na – geen onderdeel uitmaken van het dossier. De berichten die (ter illustratie?) wél in het dossier zitten (de berichten van 3 maart 2026 op pagina 162 van het dossier), hebben inderdaad de hiervoor omschreven strekking. Hieruit volgt dat de aangeefster in de ten laste gelegde periode zelf ook contact heeft gezocht met de verdachte en dat zij wisselende signalen aan de verdachte gaf; enerzijds schrijft zij dat [verdachte] moet ‘opkankeren’ en anderzijds stuurt zij – zelfs nog kort voordat zij aangifte deed van belaging – dat zij [verdachte] ‘wil’. Hoewel de rechtbank zonder meer aanneemt dat het veelvuldige bellen door de verdachte door de aangeefster als zeer onaangenaam en storend is ervaren, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat het voor de verdachte niet voldoende duidelijk hoefde te zijn dat het contact met hem niet gewenst was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wederrechtelijkheid van het verweten contact daarom niet worden vastgesteld.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

3.3.2.

Feit 3 (opzetverkrachting)

De rechtbank is ook met betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het juridisch kader in zedenzaken

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken vaak worden gekenmerkt door beperkt bewijs, omdat bij de veronderstelde seksuele handelingen doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn, te weten de aangeefster en de verdachte. Indien de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, is vaak de verklaring van de aangeefster het enige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige.

Desalniettemin kan in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs toch voldoende zijn voor een bewezenverklaring. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het voldoende is wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten wordt bekrachtigd door andere bewijsmiddelen, mits deze afkomstig zijn uit een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd en er tussen de belastende verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van de aangever voldoende wettig bewijs opleveren.

De rechtbank zal daarom hierna allereerst beoordelen of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Het toetsingskader bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen

Uit de wettelijke bepalingen en de rechtspraak met betrekking tot het bewijsrecht in strafzaken is geen algemeen toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen af te leiden. Wel kunnen uit de rechtspraak criteria worden afgeleid die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen betrokken kunnen worden. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de betreffende verklaringen. Daarnaast kan getoetst worden aan uit overige objectieve bronnen verkregen informatie of gegevens en kan meewegen of de inhoud van de afgelegde verklaringen gelet op de vastgestelde omstandigheden plausibel is. Ook kan daarbij worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring. Daarbij valt te denken aan de psychische belasting van de betrokkene, de mogelijke eigen rol of betrokkenheid bij het ten laste gelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang dan wel motief – persoonlijk, financieel of anderszins – om niet overeenkomstig de waarheid dan wel een daardoor gekleurde voor de verdachte ontlastende of belastende verklaring af te leggen.

De beoordeling van de rechtbank

De aangeefster heeft – toen zij op 12 maart 2026 aangifte deed van belaging – verwezen naar een incident met de verdachte in september 2025. Zij wilde daar verder niets over zeggen. Uit wat zij daarover op dat moment verklaarde, kon echter wel worden afgeleid dat de verdachte zich mogelijk schuldig zou hebben gemaakt aan verkrachting. Reden waarom de politie de aangeefster heeft gevraagd of zij ook daarvan aangifte wilde doen, wat zij op 17 maart 2026 heeft gedaan. In haar aangifte van 17 maart 2026 heeft zij verklaard dat de verdachte haar een half jaar eerder, in de maand september, vanuit het niets beschuldigde dat zij zwanger zou zijn van een zwart kind en hij begon in te slaan op haar ribben, jukbeenderen en neus. Vervolgens zou hij haar in een soort houdgreep hebben genomen en zou zij hebben gevoeld dat hij met zijn vuist voor de helft binnendrong in haar anus. Zij heeft de verdachte op dat moment horen zeggen “Dit vind je wel lekker he” en heeft toen bij zichzelf gedacht “ontspan maar”. Zij heeft verklaard dat haar neus, jukbeen en ribben erg blauw waren en dat haar anus pijn deed en bloedde. De aangeefster zou sindsdien ‘alles laten lopen’ en bij het afvegen nog heel vaak bloed zien.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op enig moment bij de aangeefster thuis verbleef, dat de aangeefster toen huilend en bont en blauw thuiskwam en vertelde dat de verdachte iets bij haar had gedaan dat ze niet wilde. [getuige] heeft vervolgens verklaard dat zij, toen de aangeefster naar het toilet ging, zag dat ‘het helemaal onder het bloed zat’. Zij zou toen aan de aangeefster hebben gevraagd of ze het aan haar wilde laten zien, om te kijken of ze naar het ziekenhuis moest. Zij heeft verklaard toen te hebben gezien dat de anus van de aangeefster helemaal opengescheurd was en ‘helemaal’ onder het bloed zat. Zij heeft tot slot verklaard dat de aangeefster niet normaal kon zitten en een paar weken niet goed heeft kunnen poepen. Aan haar ribben had ze ‘ook echt een aantal weken last’, [getuige] kon echt aan haar zien dat ze pijn had. Het was ook helemaal blauw in het midden van haar torso.

De rechtbank constateert dat de verklaring van [getuige] in lijn is met de verklaringen van de aangeefster en deze op onderdelen ondersteunt.

De rechtbank stelt echter vraagtekens bij de betrouwbaarheid van beide verklaringen. Gelet op de door de aangeefster en de getuige beschreven ernst van het letsel én de beperkingen die dat tot gevolg zou hebben gehad (niet normaal kunnen zitten), acht de rechtbank het moeilijk te begrijpen dat de aangeefster op dat moment geen arts heeft bezocht. Te meer niet, nu de reden waarom de getuige het letsel aan de anus van de aangeefster mocht bekijken kennelijk juist was “om te kijken of ze naar het ziekenhuis moest.” Ondanks dat de aangeefster verklaard heeft sindsdien ernstig te worden belemmerd in haar dagelijks functioneren door haar lichamelijke beperkingen – zij heeft verklaard haar ontlasting niet meer te kunnen ophouden sinds de anale verkrachting – is zij tot op heden niet naar een arts gegaan met deze klachten. Dat zij dat niet heeft gedaan, geeft de rechtbank reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.

Dat de aangeefster niet eerder een arts heeft bezocht omdat zij zich zou schamen, kan de rechtbank moeilijk rijmen met de verklaring van [getuige] dat de aangeefster de verwondingen aan haar anus direct na het incident aan haar zou hebben laten zien. Bovendien is de aangeefster wel naar de huisarts geweest – zij het ruim een half jaar nadat de verkrachting zou hebben plaatsgevonden, en wel een dag vóór het doen van haar aangifte van belaging. Zij heeft de huisarts pas toen verteld over de anale penetratie van een half jaar daarvoor en de lichamelijke klachten die zij daarvan ondervond.

Tegen de huisarts heeft zij op dat moment gezegd dat zij al lange tijd moeizame, vaak dunne, ontlasting had, terwijl zij een kleine week later bij de politie heeft verklaard dat zij haar ontlasting juist niet kan ophouden. Ook dit tast de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster aan.

De huisarts heeft op 11 maart 2026 geen rectaal onderzoek uitgevoerd. Slechts op advies van de zedenpolitie heeft (op 18 maart 2026) een rectaal onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn geen afwijkingen gevonden. In het huisartsenjournaal van 18 maart 2026 staat dat de aangeefster het door de zedenpolitie geadviseerde lichamelijk onderzoek en SOA-screening “graag door de huisarts wilde laten doen”. De huisarts heeft haar een SOA-test meegegeven, maar “pte wilde dit nu niet”. Wel wilde zij graag een uitdraai van het dossier mee. Dit zou er op kunnen wijzen dat de aangeefster met het huisartsjournaal bewijs wilde leveren van de anale penetratie door de verdachte, terwijl zij tegelijkertijd lijkt te hebben willen voorkomen dat in rechte geconcludeerd moet worden dat objectief bewijs van de door haar beschreven klachten niet kan worden verkregen.

Nu bovendien aangeefster en getuige [getuige] samen naar het politiebureau zijn gekomen om aangifte te doen van belaging, zij daar beiden spontaan hebben verklaard over de anale verkrachting van de aangeefster door de verdachte een half jaar daarvoor – terwijl zij werden gehoord over de aangifte van stalking – kan de rechtbank, ook het voorgaande wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster in ogenschouw genomen, niet uitsluiten dat de verklaringen van de aangeefster en getuige [getuige] op elkaar zijn afgestemd. De rechtbank acht de verklaringen dan ook niet bruikbaar voor het bewijs.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 3.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 (bedreiging)

De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL15002026084756, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 251).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], opgemaakt op 12 maart 2026.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 20-11-2025 t/m 12-03-2026 te ’s-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door te zeggen en/of te berichten 'als ik jou niet dood maak ben ik de grootste hoerenzoon' en 'jij hebt mij hele leven kapot gemaakt, jij gaat zien ik ga die van jou kapot maken. Ik sla je tanden uit je bek' of woorden van gelijke aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in haar rapport van 27 augustus 2026, en vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner, door telefonisch uitlatingen te doen waarin hij haar bedreigt met de dood en zware mishandeling. Dit is een ernstig feit, te meer nu de dreigende uitlatingen zijn gedaan in de relationele sfeer. De verdachte heeft door zijn handelen het gevoel van veiligheid en de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster op ernstige wijze aangetast.

Het strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd liep.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 27 augustus 2026, waaruit volgt dat sprake is van kwetsbaarheden binnen het

relationeel functioneren, schuldenproblematiek en van een gemiddeld tot hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod met elektronisch toezicht en dagbesteding.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (hierna: LOVS). Daarin is als uitgangspunt vermeld een geldboete van € 350,00 voor een eenmalige verbale bedreiging. Nu de verdachte de uitlatingen heeft gedaan in de relationele sfeer, acht de rechtbank een geldboete in dit geval niet passend. In beginsel acht zij een taakstraf wel passend. De rechtbank houdt er echter ook rekening mee dat de verdachte al geruime tijd in detentie heeft doorgebracht. Zij zal daarom een gevangenisstraf (van de na te melden duur) opleggen zodat de verdachte, naast de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet ook nog een taakstraf zal moeten uitvoeren. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van twee feiten op de tenlastelegging, zal de rechtbank een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Omdat de rechtbank de voorlopige hechtenis reeds heeft opgeheven en deze beslissing apart is opgemaakt, hoeft de rechtbank daarover niet meer te beslissen.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vordering

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 43.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 700,- aan materiële schade en € 42.500,- aan immateriële schade.

7.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen en subsidiair dat het gevorderde bedrag wordt gematigd.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Gelet daarop zal de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/154048-23 door de politierechter van rechtbank Den Haag op 2 december 2024 voorwaardelijke opgelegde geldboete van € 250,- ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.

De officier van justitie heeft voorts bij vordering van 19 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/074861-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 31 mei 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en verlenging van de proeftijd met twee jaar.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering met parketnummer 09/074861-24 verzocht de proeftijd te verlengen. Ten aanzien van de vordering met parketnummer 09/154048-23 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering met parketnummer 09/154048-23

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 december 2024, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

De vordering met parketnummer 09/074861-24

De rechtbank acht termen aanwezig voor verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 31 mei 2026, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene en de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat hij zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en ook het contactverbod met N. Wernet in zijn proeftijd heeft overtreden.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 december 2024, gewezen onder parketnummer 09/154048-23, te weten een geldboete van € 250,00 subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 31 mei 2024, gewezen onder parketnummer 09/074861-24, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met twee jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.C. Kranenburg, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. J.E. van Essen, rechter,

in tegenwoordigheid van A.E. van Gent en mr. J.E. Stevers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »