RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6815
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] B.V. en [verzoeker 2] B.V., te [vestigingsplaats], verzoekers
(gemachtigden: mr.drs. R. Bassie en mr. J.K.M. Buitenhuis),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: ADO Den Haag (belanghebbende).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een door het college opgelegde last onder dwangsom. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de door verzoekers aangevoerde gronden.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek gedeeltelijk toe en treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat verzoekers gedurende de bezwaarfase slechts gedeeltelijk aan de opgelegde last hoeven te voldoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het volledig voldoen aan de last onder de huidige omstandigheden een te verstrekkende maatregel. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster [verzoeker 2] B.V. exploiteert sinds 2018 een Energie Opslag Systeem (EOS) op de locatie [locatie] te Den Haag. Het EOS betreft een batterijcontainer van circa 12 meter lang en 2,5 meter bereed met toebehoren, die is bedoeld voor de opslag van elektriciteit. Verzoekster biedt deze capaciteit aan aan de landelijke netbeheerder TenneT ten behoeve van balanshandhaving van het elektriciteitsnet.
Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft het college verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers, vergezeld door [naam 1] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] en [naam 3].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming bestreden besluit
3. Bij brief van 20 augustus 2024 heeft het college aan verzoekers een concept maatwerkbesluit toegestuurd. Daarin zijn de maatregelen uit de PGS 37-1 Richtlijn1 als maatwerkvoorschriften voor het EOS opgenomen. Verzoekers hebben een zienswijze ingediend en onder meer aangegeven dat de PGS 37-1 Richtlijn dateert van december 2023 en niet is aangewezen als Best Beschikbare Techniek (BBT). Verder is onder meer aangevoerd dat de EOS is geïnstalleerd in 2018 en niet aan alle maatregelen uit de PGS 37-1 Richtlijn kan en ook niet hoeft te voldoen. Verzoekers hebben vervolgens op verzoek van het college een Formulier Beoordeling Gelijkwaardigheid PGS ingevuld. Verzoekers hebben daarin ten aanzien van een aantal maatregelen uit de PGS 37-1 Richtlijn, waaraan niet kan worden voldaan, verzocht om daarvan af te wijken dan wel gelijkwaardige maatregelen aangevraagd. In een brief van 29 december 2025 heeft het college verzoekers bericht dat de voorgestelde afwijking dan wel gelijkwaardige maatregelen onvoldoende zijn en leiden tot een verhoogd restrisico, met name in geval van een thermal runaway, dat dat uitsluitend acceptabel wordt geacht indien dit risico aantoonbaar wordt beheerst door organisatorische maatregelen, vastgelegd in een noodplan. Vervolgens is per maatregel uit de PGS 37-1 Richtlijn aangegeven welke organisatorische maatrelen moeten worden getroffen, alvorens kan worden ingestemd met afwijking daarvan of met de voorgestelde gelijkwaardige maatregel.
Verzoekers hebben op 9 maart 2026 een noodplan ingediend. Op 13 maart 2026 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) een administratieve controle uitgevoerd. Met de brief van 26 maart 2026 is aan verzoekster [verzoeker 1] B.V. het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen. Omdat het noodplan van 9 maart 2026 nog niet compleet is en nader moet worden uitgewerkt worden onvoldoende maatregelen en voorzieningen getroffen om bij een optredende calamiteit risico's voor de veiligheid en gezondheid van personen in de directe omgeving van het EOS te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Daarmee handelt verzoekster in strijd met de artikelen 22.41, 22.42 en 22.44, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b en e, van het omgevingsplan. Verzoekster kan aan de last voldoen door alsnog een toereikend noodplan in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met de in die voorgenomen last weergegeven herstelmaatregelen. Met de brief van 8 april 2026 hebben verzoekers hun zienswijze daaromtrent kenbaar gemaakt.
Verzoekers hebben op 1 mei 2026 een aangepast noodplan, gedateerd 23 april 2026, ingediend. Met het bestreden besluit heeft het college verzoekster [verzoeker 1] B.V. een last onder dwangsom opgelegd. Het aangepast noodplan van 23 april 2026 is niet toereikend zodat verzoekster nog steeds onvoldoende maatregelen en voorzieningen heeft getroffen om bij een optredende calamiteit risico's voor de veiligheid en gezondheid van personen in de directe omgeving van het EOS te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. De last wordt opgelegd om binnen acht weken te voldoen aan de artikelen 22.41, 22.42 en 22.44, eerste en tweede lid, aanhef en onder b en e, van het omgevingsplan door een toereikend noodplan in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met de in de last vermelde herstelmaatregelen. Als verzoekster daaraan niet voldoet moet zij het EOS buiten bedrijf stellen. Daartoe dient zij de energiedragers (modules) van het EOS te laten verwijderen en af te voeren. Indien verzoekster niet voldoet aan deze last moet zij een dwangsom betalen van € 10.000,- per week met een maximum van € 50.000,-.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
5. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de in de overwegingen van het besluit genoemde begunstigingstermijn tot 1 september 2026 geldt. Daarnaast is op de zitting gebleken dat tot nu toe nog geen dwangsommen zijn verbeurd en dat een controle is voorzien op 15 september 2026
6. Verzoekers stellen dat het verwijderen en afvoeren van de energiedragers, waartoe de last onder meer strekt, onomkeerbaar is. Het energieopslagsysteem kan daarna niet meer in gebruik worden genomen, omdat de energiedragers vernietigd moeten worden, wat betekent dat deze moet worden afgeschreven. De financiële impact daarvan is zeer groot. Daar komt nog bij dat verzoekers de inkomsten mislopen die de batterijen opleveren. Verder kunnen klanten niet meer worden bediend en kan deze EOS geen bijdrage meer leveren aan de stroomvoorziening en balanshandhaving van het elektriciteitsnet. Gelet hierop hebben verzoekers naar het oordeel van voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan; b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Den Haag (het omgevingsplan).
Afdeling 22.3 van het omgevingsplan ziet op milieubelastende activiteiten.
Op grond van artikel 22.42 van het omgevingsplan zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op:
-
het waarborgen van de veiligheid;
-
het beschermen van de gezondheid; en
-
het beschermen van het milieu, waaronder (…..).
Op grond van artikel 22.44, eerste lid, van het omgevingsplan is eenieder die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 22.42 van het Omgevingsplan verplicht:
a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden
gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel
mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit
achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden
gevraagd.
In het tweede lid, onder b, van dit artikel is bepaald dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen. In het tweede lid, onder e, van dit artikel is bepaald dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Beoordeling
8. Verzoekers voeren aan dat de last ten onrechte aan [verzoeker 1] B.V. is opgelegd, omdat zij niet de overtreder is en niets met het EOS te maken heeft. Het is volgens verzoekers een afzonderlijke B.V. die energie inkoopt.
9. Uit het noodplan van 4 maart 2026 blijkt weliswaar dat [verzoeker 2] B.V. het EOS heeft geplaatst en daarvan de eigenaar is, maar nu verzoekers geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel hebben overgelegd, hebben zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangetoond dat [verzoeker 1] B.V. niet als overtreder kan worden aangemerkt. Deze grond slaagt daarom niet.
10. Verzoekers voeren verder aan dat de zorgplicht niet kan dienen als grondslag voor het eisen van een noodplan wegens het afwijken van de PGS 37-1 richtlijn, nu die richtlijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) nog niet van toepassing is verklaard en geen BBT is. Voor zover dat wel mogelijk is is overtreding van de zorgplicht niet aan de orde. Uit de toelichting op artikel 22.44 van het omgevingsplan volgt dat handhavend optreden alleen mogelijk is bij evidente overtredingen van de zorgplicht, waarvan sprake is als onmiskenbaar in strijd is gehandeld met de zorgplicht. Er geldt een hoge drempel om handhavend op te treden op grond van de zorgplicht. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er is een noodplan ingediend en in werking dat herhaaldelijk is aangepast en dat voldoet aan de zorgplicht. In de last wordt niet gemotiveerd waarom dat niet het geval zou zijn. Bovendien is het eisen van een noodplan geen rechtens afdwingbare verplichting en is de opgelegde last rechtsonzeker, omdat deze zodanig onduidelijk en onbepaald is geformuleerd dat verzoekers niet weten welke concrete handelingen zij moeten verrichten om te voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd. Het is niet voldoende duidelijk wanneer een noodplan “toereikend” is. De “herstelmaatregelen” versterken die rechtsonzekerheid alleen maar. Verzoekers vinden, gelet hierop, dat de last om de energiedragers (modules) van het EOS te verwijderen en af te voeren, gelet op de onomkeerbare gevolgen en financiële schade, onevenredig is. Verzoekers hebben aangeboden om als tussenoplossing de EOS uit te schakelen en volledig te ontladen, hetgeen zij ook al hebben gedaan, waardoor eventuele restrisico’s op incidenten aanzienlijk worden verkleind. Het college heeft op dit voorstel niet gereageerd.
11. De stelling van verzoekers dat de zorgplicht niet kan dienen als grondslag voor het eisen van een noodplan wegens het afwijken van de PGS 37-1 richtlijn en, zo ja, of het noodplan wel of niet aan die richtlijn voldoet leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure, omdat daarvoor nader onderzoek nodig is. Dit neemt niet weg dat het naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op zich niet uitgesloten is dat op grond van de specifieke zorgplicht een toereikend noodplan als passende (preventieve) maatregelen als bedoeld in de artikel 22.44, lid 2, onder b en e kan worden geëist. Indien dat ontbreekt, dan kan daartegen in beginsel handhavend worden opgetreden.
12. In de toelichting bij artikel 22.44 van het omgevingsplan is het volgend opgenomen:
“Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal.”
13. Gelet op deze passage en de nota van toelichting bij het Bal2 waar naar wordt verwezen kan handhavend optreden op grond van een specifieke zorgplicht van de artikelen 22.42 en 22.44 alleen als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de met die zorgplicht. Als niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is en het bestuursorgaan ervoor kiest, zoals in dit geval, die verduidelijking niet in de vorm van een maatwerkvoorschrift te geven, dan zal het bestuursorgaan eerst duidelijk moeten maken wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, alvorens handhavend kan worden opgetreden. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als diegene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. Bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht en met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel hoort in ieder geval dat redelijkerwijs te voorzien moet zijn wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt.
14. Het voorgaand betekent dat handhaving wegens het ontbreken van een toereikend noodplan pas mogelijk is als het op 1 mei 2026 ingediende noodplan onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht en als duidelijk aan verzoekers is aangegeven welke tekortkomingen daaraan kleven en welke concrete verbeteringen nodig zijn wil wél sprake zijn van een toereikend noodplan. Nu het gaat om handhaving op grond van het niet treffen van voldoende passende (preventieve) maatregelen als bedoeld in artikel 22.44, tweede lid, onder b en e, van het omgevingsplan, zal zo concreet mogelijk moeten worden aangegeven welke passende maatregelen in het noodplan ontbreken/ontoereikend zijn en welke aanpassingen nodig zijn.
15. Uit de last blijkt dat het college het noodplan pas toereikend acht als bij de verdere uitwerking rekening wordt gehouden met de onder het kopje “herstelmaatregelen” vermelde aandachtspunten en opmerkingen. De voorzieningenrechter kan verzoekers volgen in hun stelling dat een aantal van die opmerkingen zijn geformuleerd als adviezen, bijvoorbeeld om een afschakelbare ventilatie te installeren. Het advies om naast het verbeteren van het noodplan de EOS te verplaatsen of te vervangen kan niet als een herstelmaatregel ten aanzien van het noodplan worden gezien. Verder wordt bij een aantal thema’s slechts aangegeven dat een voldoende onderbouwing ontbreekt en/of een nadere of volledige onderbouwing of nodig is (zoals ten aanzien van de mechanische ventilatiecapaciteit en de bijdrage van het cameratoezicht aan het beheersen van restrisico), zonder dat voldoende duidelijk is waarom dat nodig is en welke eisen daaraan worden gesteld. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet worden betwijfeld of de last op deze onderdelen aan de in rechtsoverwegingen 13 en 14 omschreven maatstaven voldoet dat voldoende duidelijk moet zijn welke concrete aanpassingen verbeteringen nodig zijn wil wél sprake zijn van een toereikend noodplan. De voorzieningenrechter ziet enkel hierin geen aanleiding thans reeds te oordelen dat de last in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Wél zal het college in de heroverweging in bezwaar het nader moeten bezien of en motiveren dat de last voldoet aan die maatstaven.
16. Verzoekers hebben verder gemotiveerd betoogd dat het op 1 mei 2026 ingediende noodplan wel toereikend is en voldoet aan de PSG 37-1 Richtlijn, voor zover al van toepassing, en aan de specifieke zorgplicht. Het college zal ook daar in het kader van de heroverweging in bezwaar een gemotiveerd standpunt over moeten innemen en bezien of de last, al dan niet in aangepaste vorm in stand kan blijven.
17. Gelet op het voorgaande kleven er aan de last wel een aantal gebreken, maar kan de voorzieningenrechter thans niet tot het voorlopig oordeel komen dat de last in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit geheel te schorsen. De voorzieningenrechter acht de opgelegde last voor, zover deze strekt tot het verwijderen en afvoeren van de energiedragers van het EOS, gelet op de onomkeerbare gevolgen, in ieder geval op dit moment wel te verstrekkend. Hij betrekt daarbij dat er immers inmiddels naar aanleiding van de last een nader aangepast noodplan gedateerd 11 augustus 2026 is aangeleverd. De gemachtigde van het college heeft op de zitting aangeven dat niet valt uit te sluiten dat dit noodplan hangende de bezwaarprocedure nog verder kan worden aangepast zodat er uiteindelijk mee kan worden ingestemd.
18. Op grond van de stukken en de reactie van het college ter zitting is voldoende gebleken dat de door verzoekers aangeboden en ook reeds uitgevoerde tijdelijke oplossing, om het EOS uit te schakelen en te ontladen in afwachting van een beslissing op bezwaar aanzienlijk minder risico voor de omgeving met zich mee brengt dan de situatie waarin het EOS in gebruik was. De voorzieningenrechter acht dit daarom een voldoende maatregel voor de duur van de bezwaarprocedure.
Conclusie en gevolgen
19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter het verzoek om het bestreden besluit te schorsen gedeeltelijk toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover daarin is gelast om de energiedragers (modules) van het EOS te verwijderen en af te voeren en dat daarvoor in de plaats wordt gelezen dat de energiedragers worden uitgeschakeld en ontladen.
20. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden en krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigden van verzoekers het verzoekschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek gedeeltelijk toe;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit van 17 juni 2026, voor zover daarin is gelast om de energiedragers (modules) van het EOS te laten verwijderen en af te voeren, tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en bepaalt dat daarvoor in de plaats wordt gelezen dat de energiedragers worden uitgeschakeld en ontladen;
- wijst het verzoek af voor het overige;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: