RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer / rekestnummer: 12290230 \ RP VERZ 26-50794
Beschikking van 31 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekende partij] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. A.P. van Dijk,
tegen
[verwerende partij] ,
te 's-Gravenhage,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Stichting,
procederend in persoon.
1 De procedure
De gemachtigde van werknemer heeft op 25 juni 2026 een verzoekschrift ingediend met 9 producties. Op 25 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De Stichting heeft niet schriftelijk gereageerd op het verzoekschrift en was niet aanwezig op de mondelinge behandeling.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
Werknemer, geboren [geboortedatum] 1971, is sinds 15 december 2017 in dienst bij de Stichting. De functie van werknemer is [functie] met een loon van € 3.750,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een jaarlijkse bonus ter grootte van een bruto maandsalaris.
Op 26 maart 2026 heeft de Stichting de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 mei 2026. De aanleiding daarvoor was dat de [partij] bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 geen enkele zetel haalde.
De Stichting heeft bij de opzegging aangegeven dat werknemer een eindafrekening zou ontvangen en een transitievergoeding. De transitievergoeding is niet uitbetaald. Op een later moment heeft de Stichting werknemer een vaststellingsovereenkomst aangeboden met een beëindigingsvergoeding. Werknemer en de Stichting hebben geen overeenstemming bereikt.
Met ingang van 1 juni 2026 ontvangt werknemer een WW-uitkering van het UWV.
3 Het verzoek
Werknemer verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen van € 12.150 en verzoekt om de Stichting te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.050 en een transitievergoeding van € 12.182.
Werknemer legt daaraan het volgende ten grondslag. Volgens werknemer is de opzegging niet rechtsgeldig. Er is geen voorafgaande toestemming voor het ontslag verzocht en verkregen van het UWV. Werknemer vraagt geen vernietiging van de opzegging maar wel toekenning van een billijke vergoeding. Indien eerst toestemming van het UWV zou zijn verzocht en verkregen en de arbeidsovereenkomst vervolgens zou zijn opgezegd met d de juiste opzegtermijn, dan zou de arbeidsovereenkomst nog drie maanden langer hebben geduurd, aldus werknemer. Bovendien is de arbeidsovereenkomst opgezegd met inachtneming van één maand, tegen 30 april 2026, terwijl de opzegtermijn twee maanden is. De WW-uitkering van werknemer wordt dan ook pas uitgekeerd per 1 juni 2026. Om die reden vraagt werknemer een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Ten slotte verzoekt werknemer om veroordeling van de Stichting tot betaling van de transitievergoeding, omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
De Stichting heeft geen verweer gevoerd.
4 De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of de Stichting moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
Billijke vergoeding
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Op grond van artikel 7:669 lid 1 in samenhang bezien met lid 3 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing niet in de rede ligt. Op grond van artikel 7:671a BW is daarvoor voorafgaande toestemming van het UWV nodig. Niet is gebleken dat die toestemming is aangevraagd of verkregen, zodat de Stichting niet tot opzegging kon overgaan. Bovendien heeft de Stichting een opzegtermijn van slechts één maand gehanteerd, terwijl de opzegtermijn twee maanden bedroeg (op grond van artikel 7:672 BW).
Het verzoek van werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is.1 Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.2
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.3 De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 12.150. De kantonrechter volgt werknemer in haar redenering dat het aannemelijk is dat indien eerst toestemming van het UWV zou zijn verzocht en verkregen en de arbeidsovereenkomst vervolgens zou zijn opgezegd met de juiste opzegtermijn, de arbeidsovereenkomst nog drie maanden langer zou hebben geduurd. De billijke vergoeding wordt daarom vastgesteld op een bedrag gelijk aan drie maanden brutoloon inclusief vakantietoeslag.
De Stichting zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 12.150,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.4 De opzegtermijn was niet één maand, maar twee maanden. De vergoeding is daarom gelijk aan het bedrag van het brutoloon over één maand plus vakantietoeslag, te weten € 4.050. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag van deze beschikking.
Transitievergoeding
Het verzoek om de Stichting te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen, nu de Stichting de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd (zie artikel 7:673 lid 1 onder a BW). De transitievergoeding bedraagt € 12.182. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag van deze beschikking.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van de Stichting, omdat het verzoek van werknemer geheel wordt toegewezen en de Stichting dus het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van werknemer worden begroot op € 814 (€ 93 aan griffierecht, € 577 aan salaris gemachtigde en € 144 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de Stichting om aan werknemer een billijke vergoeding te betalen van € 12.150, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt de Stichting om aan werknemer de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.050, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt de Stichting om aan werknemer een transitievergoeding te betalen van € 12.182, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 814, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad5,
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026. |
||