Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/057774-26 en 09/313223-25 (tul)
Datum uitspraak: 15 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats],
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.C. Rous, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/aan die [aangeefsters] te richten/tonen;
2
hij op of omstreeks 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk HS, model XD-9, kaliber 9 x 19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
bijbehorende munitie van categorie III, kaliber 9 x 19 mm voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 45,1 gram 2-MMC, althans een substantie die is afgeleid van 2-fenethylamine aanwezig heeft gehad.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026062264, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (proces-verbaal VGL (pagina 1 t/m 63), aanvullend procesdossier (pagina 1 t/m 28) en proces-verbaal FO vooronderzoek DNA Dacty vuurwapen (p. 1 t/m 3).
Voor feiten 1 en 2
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1], opgemaakt op 23 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 14-16):
[verdachte] en ik woonden samen op het adres [adres] te 's-Gravenhage. Op maandag 23 februari 2026 wilde ik spullen ophalen. Toen ik aankwam lopen zag ik dat [verdachte] zijn vuurwapen trok. Ik heb niet gezien waar hij het betreffende wapen vandaan haalde. Ik zag dat hij het wapen op mij en op mijn zus richtte. Ik denk dat het wapen iets kleiner was dan die van de politie.
Ik zag dat [verdachte] richting de [straatnaam 1] liep. Ik vermoed dat hij toen het wapen heeft verstopt.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2], opgemaakt op 23 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 18-20):
Vandaag 23 februari 2026 was ik bij de (oude) woning van mijn zusje. Ik zag dat [verdachte] een vuurwapen pakte. Ik zag dat hij het vuurwapen op ons beide richtte. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij mij en mijn zusje zou gaan doodschieten.
Ik zag dat [verdachte] linksaf liep de [straatnaam 1] op.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 27-28):
Op 23 februari 2026 liet ik mijn politiespeurhond zoeken in de [straatnaam 2] vanaf het portiek van [huisnummer] in de richting van [straatnaam 1]. Ik zag dat mijn politiespeurhond melding maakte in een nis onder een balkon. Ik zag dat hij melding maakte op een zwart vuurwapengelijkend voorwerp welke daar lag. Collega [naam] heeft het vuurwapengelijkend voorwerp in beslag genomen en veilig gesteld voor verder forensisch onderzoek.
4. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 24 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 59-63):
Soort wapen: PistoolMerk: HSModel: XD-9Kaliber: 9 x 19 mm
Dit is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.
SIN-nummer: AATJ6400NL
In het vuurwapen was een patroonmagazijn geplaatst. Ik zag dat deze gevuld was met scherpe munitie, kaliber 9 x 19 mm. Tevens zag ik dat er een patroon in de kamer aanwezig was.
Soort: pistoolmunitieKaliber: 9 x 19 mmAantal: 13 stuks
De aangetroffen patronen is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 1-3 (proces-verbaal FO vooronderzoek DNA Dacty vuurwapen)):
SporendragerSIN: AATJ6400NLObject: Vuurwapen (pistool)
Veiliggestelde sporen:
SIN: AATE4308NLEpitheelVoorkant pistool en voorste deel in loop
6. Het geschrift, te weten “Rapport Forensisch DNA-onderzoek”, opgemaakt op 23 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 21-25 (aanvullend procesdossier)):
Bemonstering: AATE4308NL
DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.
Mogelijke donor van DNA: [verdachte]
Berekening van de bewijskracht
Bemonstering AATE4308NL:
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende personen.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Voor feit 3
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 februari 2023, voor zover inhoudende (p. 26):
Op 23 februari 2026 bevond ik mij met een doorzoeking Wet wapens en munitie belast aan de [adres] te [plaats 1]. Ik bekeek de gangkast waar ik meerdere jassen in zag hangen. In een donkergrijze herenjas voelde ik dat de inhoud van de zak wat zwaarder woog dan de andere zijde van deze jas. Hierop besloot ik in de zak te voelen en trof een doorzichtige plastic zak aan met hierin witte bollen, verpakt in doorzichtig verpakkingsmateriaal.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 26-27 (aanvullend procesdossier)):
SIN : AATV0920NL
Object omschrijving : een ziplockzak van IKEA met hierin crèmekleurige kristalachtige poeder en brokken.
Nettogewicht : 45,1 gram
9. Het geschrift, te weten “Rapport NFiDENT”, opgemaakt op 6 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 28 (aanvullend procesdossier)):
Kenmerk : AATV0920NL
Omschrijving FO : kristalachtig poeder en brokvormig, creme, uit 45,1 gram;
Conclusie : bevat 2-MMC
2-MMC (2-methylmethcathinon) valt onder lijst IA van de Opiumwet onder de stofgroep ‘Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’.
10. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 1 september 2026, voor zover inhoudende:
De jas waarin de drugs is aangetroffen was mijn jas.
Bewijsoverwegingen
t.a.v. feit 1 en 2
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters
De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van aangeefsters niet betrouwbaar zijn omdat er – in de kern – verschillen zouden bestaan in de waarnemingen van beide getuigen en omdat de getuigen zussen betreffen. De rechtbank overweegt dat zij behoedzaam omgaat met de verklaringen van de getuigen. De getuigen zijn immers zussen. De verklaringen zijn echter direct na het incident, onafhankelijk van elkaar, afgelegd en de getuigen verklaren vergelijkbaar over de handelingen van de verdachte. De door de verdediging genoemde verschillen in de waarnemingen van de getuigen zien slechts op ondergeschikte punten die niet afdoen aan de verdere inhoud van de verklaringen. De verklaringen zijn bovendien gedetailleerd, voldoende concreet en vinden steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank is aldus van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters voldoende betrouwbaar zijn, en verwerpt het verweer van de verdediging.
Bedreiging met een vuurwapen
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de aangeefsters voor zijn woning met een vuurwapen heeft bedreigd door het vuurwapen op hen te richten. Vervolgens is de verdachte kort na de bedreiging de straat uitgelopen. Na aankomst van de politie is met behulp van een speurhond de looproute van de verdachte gevolgd. In de straat achter de woning van de verdachte is vervolgens door de speurhond een vuurwapen aangetroffen. Op het wapen is DNA aangetroffen, waarbij het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer dat DNA afkomstig is van verdachte en twee willekeurige onbekende persoon, dan wanneer dat DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. Het aantreffen van het DNA van verdachte op het wapen duidt er dus op dat de verdachte het vuurwapen in handen heeft gehad.
t.a.v. feit 3
Opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen
In de woning van de verdachte is 45,1 gram 2-MMC aangetroffen. De verdachte heeft ontkend iets met deze drugs te maken te hebben. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist van de drugs, nu deze in de zak van een herenjas is aangetroffen in de gangkast in zijn woning en de verdachte zelf op de terechtzitting heeft verklaard dat dat zijn jas was. De rechtbank is hiermee van oordeel dat de verdachte de beschikkingsmacht en wetenschap heeft gehad van de aangetroffen 45,1 gram 2-MMC.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een vuurwapen op die Ganesh te richten;
2
hij op 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk HS, model XD-9, kaliber 9 x 19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie van categorie III, kaliber 9 x 19 mm voorhanden heeft gehad;
3
hij op 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten 45,1 gram 2-MMC aanwezig heeft gehad.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) met [aangeefster 1] en [aangeefster 2] wordt opgelegd. Bovendien heeft de officier van justitie een locatieverbod gevorderd voor de straat waar zich de woning van de moeder van mevrouw [aangeefster 1] bevindt, omdat [aangeefster 1] daar woonachtig is. De bijzondere voorwaarden en gevorderde maatregel dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van de reeds door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode overschrijdt. Bovendien heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een locatie- en contactverbod niet nodig zijn.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van zijn ex-partner en haar zus met een vuurwapen. De bedreiging heeft zich afgespeeld op de openbare weg, waarna de verdachte het vuurwapen in de wijk onder een balkon heeft verborgen. De bedreiging heeft blijkens de slachtofferverklaringen van de aangeefsters grote indruk op hen gemaakt en ernstige gevoelens van angst veroorzaakt. De verdachte heeft dus een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Vuurwapenbezit leidt meer dan eens tot vuurwapengebruik. Bovendien heeft de verdachte een doorgeladen vuurwapen onbewaakt en voor derden toegankelijk onder een balkon verborgen. Ook dat levert onaanvaardbare risico’s op. De verdachte heeft tevens 45,1 gram 2-MMC opzettelijk aanwezig gehad. Deze strafbare feiten zijn door de verdachte gepleegd terwijl hij nog in een proeftijd liep. Dat alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 augustus 2026, waaruit volgt dat de belaste jeugd van de verdachte hem vandaag de dag op
verschillende leefgebieden in negatieve zin beïnvloedt. Het recidiverisico kan door de reclassering niet worden ingeschat, omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. De reclassering merkt op dat de verdachte de afgelopen jaren gewerkt heeft aan het op orde krijgen en houden van zijn leven zonder intenties tot criminele activiteiten. Volgens de reclassering heeft de verdachte vooral hulp nodig bij het verwerken van zijn traumaverleden en het aanleren van de juiste vaardigheden hoe hiermee om te gaan. Bovendien heeft de verdachte hulp nodig bij het verkrijgen van een vorm van stabiele huisvesting en het inventariseren en oplossen van zijn schulden. De reclassering adviseert derhalve bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en aflossing schulden.
Straftoemeting
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat zowel aansluiting gezocht bij soortgelijke zaken als bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. In die oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor bedreiging met een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden vermeld en voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) in de openbare ruimte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. In dit geval houdt de rechtbank er rekening mee dat het bewezenverklaarde vuurwapenbezit en de bedreiging met een vuurwapen op dezelfde dag hebben plaatsgevonden en daarmee in zekere zin met elkaar verband houden. In de oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van 45,1 gram 2-MMC vermeld een gevangenisstraf van drie tot vijf weken.
Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren .
De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal aan die voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van (vergelijkbare) strafbare feiten, voorts aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een contactverbod met [aangeefster 1] en [aangeefster 2], en een locatieverbod dat de verdachte zich niet op [straatnaam 3] te [plaats 2] mag begeven.
De maatregel zal gelden voor de duur van twee jaar en voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of opnieuw een strafbaar feit zal plegen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7 De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel
Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.295,38, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.795,38 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.
Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.885, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar zijn voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. Voor wat betreft de materiële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, dan wel moeten worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de uit de bewezenverklaring blijkende feiten en omstandigheden en gelet op het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Vordering [aangeefster 1]
Materiële schade
De benadeelde partij heeft als schade gevorderd de vervangingswaarde van de kleren en meubels die zijn achtergebleven in de woning van de verdachte. De huurovereenkomst voor de woning van de verdachte is door de verhuurder beëindigd, waarop de woning is ontruimd. Er is volgens de benadeelde partij geen gelegenheid geweest om haar spullen terug te krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat er geen voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering, voor zover deze ziet op de vergoeding van de gevorderde materiële schade, zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft onder verwijzing naar een ‘overzicht journaalregels’ van haar zorgverzekering voldoende gemotiveerd dat zij onder behandeling staat van een psycholoog vanwege psychologische klanten die mede zijn ontstaan in reactie op de bewezenverklaarde bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank is dit aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank stelt aldus op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat [aangeefster 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. Dat de klachten mede zijn ontstaan en in stand worden gehouden door andere factoren, maakt dit niet anders. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade vaststellen op een bedrag van € 750,00.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en daarom is hij tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1].
Vordering [aangeefster 2]
Materiële schade
De benadeelde partij heeft als materiële schade gevorderd het eigen risico van haar zorgverzekering, ter hoogte van € 385. Deze schadepost is echter wat de rechtbank betreft – gezien de betwisting van de verdediging – onvoldoende onderbouwd, nu de benadeelde partij geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de benadeelde partij het eigen risico reeds heeft voldaan ofwel waaruit de verplichting tot voldoening van het eigen risico blijkt. De rechtbank zal de vordering, voor zover deze ziet op de vergoeding van de gevorderde materiële schade, om die reden niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft met de brief van HSK van 17 augustus 2026 onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel (PTSS) en dat de klachten mede zijn ontstaan in reactie op de bewezenverklaarde bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank is dit aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank stelt aldus op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat [aangeefster 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. Dat de klachten mede zijn ontstaan en in stand worden gehouden door andere factoren, maakt dit niet anders. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade vaststellen op een bedrag van € 750,00.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en daarom is hij tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2].
8 De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 april 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/313223-25 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 16 januari 2026 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. De vordering tot tenuitvoerlegging voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbaar feiten en dus de algemene voorwaarden van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken heeft overtreden.
9 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 a en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst IA;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (VEERTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er een beschikbare plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het verwerken van een traumaverleden, het vergroten van sociale- en cognitieve vaardigheden en agressiebeheersing;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Huis en Haard 3 van het Leger des Heils of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering opstelt; en
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, en de reclassering en/of een hulpverlenende instantie daarbij inzicht in zijn financiën en schulden geeft;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
Maatregel ex artikel 38v Sr
legt voorts op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (TWEE) JAREN:
-
zich niet zal bevinden op [straatnaam 3] te [plaats 2]; en
-
op geen enkele wijze contact - direct of indirect - zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1], geboren op [geboortedatum 2] 2000, en [aangeefster 2], geboren op [geboortedatum 3] 1998;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (ÉÉN) WEEK voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) MAANDEN, waarbij de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van [aangeefster 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 750,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van [aangeefster 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 750,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2026, gewezen onder parketnummer 09/313223-25, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Hengeveld, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Gent, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.