RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47686
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Khababi),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Procesverloop
1. Bij besluit van 19 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank is daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat de minister het Unierecht onjuist heeft toegepast. Hiertoe voert hij aan dat op grond van artikel 43 van de Procedureverordening de minister niet verplicht is om de asielaanvraag die aan de buitengrens wordt ingediend in de grensprocedure te behandelen. Een geval als bedoeld in artikel 45 van de Procedureverordening doet zich niet voor. De automatische koppeling die de minister maakt tussen een asielaanvraag die is ingediend aan de buitengrens en de grensdetentie volgt niet uit het Unierecht. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat grensdetentie noodzakelijk is en niet met een lichter middel kan worden volstaan. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 20261.
De rechtbank oordeelt als volgt. In werkinstructie 2026/23 (de werkinstructie) staat dat het uitgangspunt is dat iedere vreemdeling die vanaf de buitengrens een asielaanvraag doet en die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten.2 Verder staat vermeld dat in Nederland de asielgrensprocedure altijd is gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is in een noot toegelicht dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen. In de werkinstructie staat verder welke aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure. Een van die uitzonderingen is dat grensdetentie wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is.3 Daarbij wordt verwezen naar artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 (inmiddels artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000), waarin dit ook zo staat. De werkwijze van de minister is dus, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling die aan de buitengrens een asielaanvraag doet maar niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen en dat daarbij in beginsel de maatregel van grensdetentie wordt opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor grensdetentie onevenredig bezwarend is (verdere uitzonderingen daargelaten).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze werkwijze niet in strijd met het (ver)nieuw(d)e Unierecht, zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 5 augustus 2026.4 Op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening bestaat de bevoegdheid om een asielverzoek te behandelen in een grensprocedure als dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode.5 Verder blijkt uit artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn, waarin staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. Verder geldt dat de werkwijze niet in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de herziene Opvangrichtlijn, waarin is opgenomen dat een lidstaat een verzoeker in bewaring mag houden als dit noodzakelijk blijkt en op grond van een individuele beoordeling minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de (destijds geldende) Procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet om in beginsel alle aan de buitengrens geuite asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen.6 Het is ook vaste rechtspraak dat veel gewicht toekomt aan het grensbewakingsbelang omdat toepassing van een lichter middel dan grensdetentie in de regel tot toegangsverlening zal leiden.7 Daarmee is de noodzaak van de maatregel van grensdetentie in beginsel gegeven. De werkwijze houdt daarnaast in dat steeds wordt beoordeeld of bijzondere individuele omstandigheden maken dat een lichter middel moet worden toegepast. Van een categorische uitsluiting van een lichter middel is daarom geen sprake. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de Procedureverordening in een aantal gevallen de grensprocedure verplicht stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat deze vaste rechtspraak thans niet meer geldt.
Eiser heeft verder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat grensdetentie onevenredig bezwarend voor hem is en om die reden een lichter middel had moeten worden toegepast. Eisers stelling in beroep dat hij gedocumenteerd is, bij aankomst op Schiphol zijn originele en geldige Egyptische paspoort heeft overgelegd, meerdere malen Nederland is ingereisd en zich daarbij heeft gehouden aan de geldende regels, maakt niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor artikel 45 van de Procedureverordening niet van toepassing zou moeten zijn. De minister heeft daarom het grensbewakingsbelang van groter gewicht kunnen achten en heeft geen lichter middel hoeven toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.8
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.