ECLI:NL:RBDHA:2026:17832

Datum uitspraak
16-07-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12110078
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringsovereenkomst, CAK, premie.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

I.S. (b)

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Gouda

Zaaknummer: 12110078 \ CV EXPL 26-674

Vonnis van 16 juli 2026

in de zaak van

CZ Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: CZ,

gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 maart 2026 met de daarin genoemde stukken;

- een akte van CZ van 8 april 2026, met producties 2a t/m 4;

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

De mondelinge behandeling vond plaats op 17 juni 2026. Namens CZ is Flanderijn Gerechtsdeurwaarders verschenen, vertegenwoordigd door mr. D. de Waard. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

CZ vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 203,23, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

2.2.

CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar als zorgverzekering en [gedaagde] als verzekeringnemer een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende betalingsverplichtingen. [gedaagde] heeft de premie voor de maand juli 2025 onbetaald gelaten.

2.3.

[gedaagde] voert verweer. Daarbij voert hij aan dat hij pas vanaf januari 2026 een zorgverzekeringsovereenkomst heeft gesloten met CZ en daarvoor niet, waardoor hij niet de premie hoeft te betalen. Hij is wel eerder aangemeld voor een zorgverzekering door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) bij CZ, maar hiervoor heeft hij geen volmacht afgegeven, waardoor hij ook de premie niet hoeft te betalen.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de premie voor de maand juli 2025 aan CZ moet betalen. Dat licht de kantonrechter als volgt toe.

3.2.

Iedereen die in Nederland woont of werkt is verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Dat staat in de wet.1 Er geldt een uitzondering hierop en dat is als er aan iemand een ontheffing is verleend wegens gemoedsbezwaren.2 [gedaagde] heeft niet gezegd dat aan hem een ontheffing wegens gemoedsbezwaren is verleend. Ook in de stukken staat niet dat [gedaagde] een dergelijke ontheffing heeft. De uitzondering is dus niet van toepassing. Dat betekent dat de verzekeringsplicht ook voor [gedaagde] geldt.

3.3.

Het CAK mag namens de overheid mensen die niet verzekerd zijn dwingen toch een verzekering af te sluiten.3 Als een niet-verzekerde blijft weigeren een verzekering af te sluiten, dan kan het CAK als wettelijk vertegenwoordiger namens die persoon een verzekering afsluiten.4 Hiervoor hoeft die persoon geen volmacht te geven en ook niet zelf de overeenkomst af te sluiten.

3.4.

Het CAK heeft namens [gedaagde] een zorgverzekering afgesloten bij CZ. Op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst moet [gedaagde] de verzekeringspremie betalen aan CZ, ook al heeft hij geen volmacht gegeven of zelf een overeenkomst afgesloten.5 CZ heeft voldoende toegelicht dat [gedaagde] een bedrag van € 159,99 voor de maand juli 2025 nog moet betalen. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [gedaagde] dat bedrag moet betalen aan CZ.

3.5.

CZ wil ook dat [gedaagde] de wettelijke rente van € 3,24 aan CZ betaalt. Dit bedrag voldoet aan de wettelijke eisen, zodat [gedaagde] dit bedrag ook moet betalen aan CZ.

3.6.

CZ wil ook dat [gedaagde] een bedrag van € 40,- als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten betaalt. Ook dit bedrag voldoet aan de wettelijke eisen. [gedaagde] moet ook dit bedrag betalen.

3.7.

Dit betekent dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 203,23 moet betalen aan CZ (de premie € 159,99 plus rente van € 3,24 plus incassokosten van € 40).

3.8.

[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten, inclusief nakosten, van CZ betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:

Kosten van de dagvaarding

€ 146,14

Griffierecht

€ 139,00

Salaris gemachtigde

€ 86,00

(2 punten x € 43,00)

Nakosten

€ 21,50

Totaal

€ 392,64

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan CZ een bedrag van € 203,34 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 159,00, met ingang van 14 januari 2026, tot aan de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 392,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.6

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »