ECLI:NL:RBDHA:2026:17830

Datum uitspraak
16-07-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
1214949
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis - beroep op dwaling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

I.S. (b)

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Gouda

Zaaknummer: 1214949 \ CV EXPL 26-1056

Vonnis van 16 juli 2026

in de zaak van

Stichting Alrijne Zorggroep,

gevestigd te Leiderdorp,

eisende partij,

hierna te noemen: het Ziekenhuis,

gemachtigde: CVL Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde partij] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 maart 2026;

- de mondelinge conclusie van 16 april 2026;

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

De mondelinge behandeling vond plaats op 17 juni 2026. Namens het Ziekenhuis is CVL Gerechtsdeurwaarders verschenen, vertegenwoordigd door dhr. R. van Leeuwen. [gedaagde partij] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Ziekenhuis is een ziekenhuis in Leiderdorp.

2.2.

Op 12 maart 2025 is [gedaagde partij] van een ladder gevallen, waarna een ambulance is gebeld. De ambulance heeft [gedaagde partij] naar het Ziekenhuis gebracht.

2.3.

In het Ziekenhuis is [gedaagde partij] behandeld op de spoedeisende hulp, waarbij er medische behandelingen zijn verricht bij [gedaagde partij] .

2.4.

De kosten voor de medische behandelingen bedragen € 1.321,95.

2.5.

Op 16 juli 2025 heeft het Ziekenhuis een factuur van € 1.321,95 naar [gedaagde partij] gestuurd. [gedaagde partij] heeft deze factuur, ondanks herhaalde aanmaningen, niet betaald.

3 Het geschil

3.1.

Het Ziekenhuis vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.601,92, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

Het Ziekenhuis legt – zakelijk weergegeven – aan de vordering ten grondslag dat partijen een geneeskundige behandelovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot medische behandelingen bij [gedaagde partij] , op grond waarvan [gedaagde partij] de kosten voor de medische behandelingen moet betalen.

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer. Volgens [gedaagde partij] heeft hij direct tegen de ambulancebroeders gezegd dat hij dakloos is en geen zorgverzekering heeft en dus naar alle waarschijnlijkheid de rekening niet kan betalen. Zowel in de ambulance als in het ziekenhuis is volgens [gedaagde partij] gezegd dat er fondsen bestaan voor mensen die dakloos zijn en geen zorgverzekering hebben. Hierdoor heeft hij besloten zich te laten behandelen in het Ziekenhuis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde partij] met zijn toestemming medische behandelingen heeft ondergaan in het Ziekenhuis. Er is dan ook sprake van een geneeskundige behandelovereenkomst.1 Ook is niet geschil dat [gedaagde partij] de kosten voor de medische behandelingen niet heeft betaald.

4.2.

[gedaagde partij] heeft in zijn mondelinge conclusie toegelicht dat hij na een val van een ladder is afgevoerd in een ambulance, maar toen wel direct heeft uitgesproken dat hij dakloos is, niet verzekerd is en dus de rekeningen naar alle waarschijnlijkheid niet zou kunnen betalen. In de ambulance en in het ziekenhuis zou tegen hem zijn gezegd dat er bepaalde fondsen zijn voor mensen die dakloos zijn en geen zorgverzekering hebben. Hierdoor heeft hij besloten zich wel te laten behandelen in het ziekenhuis, omdat hij ervan uitging dat de kosten hiervoor door een fonds zou worden betaald.

4.3.

De kantonrechter leest in dit verweer een beroep op dwaling, namelijk dat de geneeskundige behandelovereenkomst is gesloten door dwaling, die is veroorzaakt door een mededeling van het Ziekenhuis, en dat die geneeskundige overeenkomst niet zou zijn gesloten bij een juiste voorstelling van zaken.2 [gedaagde partij] heeft volgens de kantonrechter voldoende gesteld dat door (een) mededelingen in de ambulance en in het ziekenhuis dat de kosten voor zijn medische behandelingen konden worden vergoed door fondsen voor mensen die dakloos en onverzekerd zijn, hij heeft ingestemd met de medische behandelingen waardoor een geneeskundige behandelovereenkomst tot stand is gekomen. Als hij had geweten dat de kosten voor zijn medische behandelingen niet zouden worden vergoed door een dergelijk fonds en hij zelf de kosten moest betalen, had hij niet ingestemd met de medische behandelingen en was er geen geneeskundige behandelovereenkomst tot stand gekomen.

4.4.

Het Ziekenhuis heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat bij het Ziekenhuis niets bekend is over dergelijke mededelingen aan [gedaagde partij] en het bestaan van dergelijke fondsen, maar heeft ook toegelicht dat er geen navraag is gedaan bij de desbetreffende ambulancebroeders die [gedaagde partij] naar het Ziekenhuis hebben vervoerd. Ook is niet nagegaan wie destijds de ambulance heeft gebeld, of [gedaagde partij] daadwerkelijk dakloos en onverzekerd was.

4.5.

De kantonrechter leidt uit deze toelichting af dat het Ziekenhuis hetgeen [gedaagde partij] in zijn mondelinge conclusie heeft toegelicht, betwist. De kantonrechter leidt uit deze toelichting echter ook af dat het Ziekenhuis in de mondelinge conclusie van [gedaagde partij] geen beroep op dwaling heeft gelezen, zoals de kantonrechter wel heeft gedaan.

4.6.

De kantonrechter stelt vast dat het Ziekenhuis nog niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verweer van [gedaagde partij] dat er sprake is van dwaling. Om die reden stelt de kantonrechter het Ziekenhuis in de gelegenheid om daar bij akte alsnog op te reageren. [gedaagde partij] mag desgewenst daarna bij antwoordakte reageren op de inhoud van de akte van het Ziekenhuis.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt het Ziekenhuis in de gelegenheid om zich bij akte bestemd voor de rol van 13 augustus 2026 uit te laten zoals overwogen in rechtsoverweging 4.6,

5.2.

stelt [gedaagde partij] in de gelegenheid om bij akte bestemd voor de rol van 10 september 2026 daarop te reageren,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »