RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/13896
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , eisers
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
(gemachtigde: A.L. Dastjerdi),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Franca).
Procesverloop
Verweerder heeft met de besluiten van 12 mei 2023 (de primaire besluiten) de aanvraag van eisers voor een visum kort verblijf afgewezen.
Met het bestreden besluit van 26 november 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder bij deze afwijzing gebleven.
Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep (AWB 23/13896) ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 9 februari 2024 is dit beroep - met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak is verzet (AWB 23/13896 V) ingesteld door eisers.
Dit verzet is op 23 juli 2024 op zitting behandeld en is vervolgens bij uitspraak van 24 juli 2024 gegrond verklaard. Daarmee is de eerdere uitspraak op het beroep van 9 februari 2024 vervallen en is het onderzoek in deze beroepszaak hervat.
Met het besluit van 13 februari 2025 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en medegedeeld dat opnieuw op het bezwaar beslist zal worden.
Namens eisers is na herhaalde contactverzoeken niet meer gereageerd op het intrekkingsbesluit en de wens tot handhaving van deze beroepsprocedure.
De rechtbank ziet aanleiding om uitspraak te doen zonder zitting.1
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid beroep
2. Nu het bestreden besluit is ingetrokken en daarmee de gewenste vernietiging van dat besluit is bereikt, is verweerder in zoverre aan het beroep van eisers tegemoetgekomen en hebben eisers geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. Het beroep dient om die reden niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Proceskostenveroordeling
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Zowel het bezwaar als het beroep zijn namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Nu ook anderszins niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bestaat daarvoor in dit geval geen grond.
Griffierecht
4. Er bestaat op grond van artikel 8:41, zevende lid van de Awb aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van €184,- vergoedt. Uit het door verweerder overgelegde declaratieformulier bij het intrekkingsbesluit van 13 februari 2025 blijkt dat verweerder dit erkent en dat de uitbetaling hiervan al in gang is gezet.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eisers vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J.
Roks, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.