ECLI:NL:RBAMS:2026:9990

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Zaaknummer
13-130127-26 (EAB I)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW. Afzien toepassing weigeringsgrond voor zowel het verzamelvonnis als de onderliggende vonnissen. Artikel 11 OLW: artikel 6 Handvest van de grondrechten van de EU. Verweer raadsman, dat sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel, verworpen. Geen algemeen reëel gevaar in Polen dat sprake is van schending van het recht op vrijheid en veiligheid doordat het specialiteitsbeginsel niet wordt nageleefd. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar komt de rechtbank dus niet toe. Daarnaast is, gelet op artikel 14, aanhef en onder c, OLW, niet gebleken dat de opgeëiste persoon ten aanzien van het vonnis in zijn vrijheid beperkt is geweest. Heropening van het onderzoek ter zitting om deze zaak gelijktijdig af te doen met EAB II.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-130127-26 (EAB I)

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering van 17 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 april 2026 door the Regional Court in Piotrków Trybunalski, (Sąd Okręgowy w Piotrkowie Tryb.), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres 1] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S. de Goede, waarnemend voor mr. J.C. Sneep, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met parketnummer

13-240016-26 (EAB II).

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak onder verschillende voorwaarden, waaronder handhaving van de door de opgeëiste persoon betaalde borgsom van € 2.000,-.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Piotrków Trybunalski van

12 september 2025 met kenmerk III K 52/25.

Uit het EAB blijkt dat aan het verzamelvonnis de volgende onderliggende vonnissen ten grondslag liggen:

  • een vonnis van the District Court in Opoczno van 25 oktober 2016 met kenmerk II K 490/16;

  • een vonnis van the District Court in Opoczno van 27 september 2018 met kenmerk II K 190/17; en

  • een vonnis van the Regional Court in Piotrków Trybunalski met kenmerk III K 10/24.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk drie jaar én twee jaar en één maand. De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld in het hiervoor genoemde verzamelvonnis en hij moet deze straffen ondergaan in Polen. Van de eerste vrijheidsstraf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en twee dagen. De tweede vrijheidsstraf moet nog geheel worden ondergaan.

De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.3

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Inleiding

De rechtbank dient zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis te toetsen aan artikel 12 OLW, omdat bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt.

4.2

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk III K 52/25 heeft de raadsman bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon niet aanwezig was tijdens de procedure die tot dit vonnis heeft geleid, geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 12 OLW zich voordoet en er ook geen reden is om af te zien van weigering. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit de aanvullende informatie niet volgt dat de opgeëiste persoon in het kader van de procedure, die heeft geleid tot het nieuwe verzamelvonnis, een adresinstructie heeft ontvangen. De opgeëiste persoon kan niet hebben voorzien dat een geheel nieuw verzamelvonnis zou worden gewezen, omdat in een eerdere procedure iets niet goed zou zijn verlopen. Een adresinstructie die in het kader van een eerdere procedure is verstrekt, kan dan ook niet zonder meer worden aangemerkt als een adresinstructie die betrekking heeft op de nieuwe procedure. Het toestaan van de overlevering levert daarom een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.

De raadsman heeft ten aanzien van de twee onderliggende vonnissen met kenmerken II K 490/16 en II K 190/17 geen standpunt ingenomen, omdat de rechtbank daarover al in een eerdere uitspraak heeft geoordeeld en toen de overlevering heeft toegestaan.4

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk III K 10/24 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. In de periode dat de opgeëiste persoon eerder in detentie in Polen verbleef (naar aanleiding van de eerdere overleveringsprocedure) hebben de Poolse autoriteiten deze rechtbank verzocht om uitbreiding van de vervolging voor de feiten waarvoor hij nu in vonnis III K 10/24 is veroordeeld, middels een verzoek tot aanvullende toestemming (AVT). Dit verzoek is vervolgens op 17 januari 2024 afgewezen. Volgens de raadsman betekent dit dat de Poolse autoriteiten zich niet aan de procedure hebben gehouden, nu zij de opgeëiste persoon desondanks voor die feiten hebben vervolgd en veroordeeld. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig was bij de procedure, geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 12 OLW zich heeft voorgedaan en er ook geen reden is om af te zien van weigering. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon in een eerdere procedure in 2023 een adresinstructie zou hebben ontvangen, is daarvoor niet voldoende. Het gaat om een zaak waarin de opgeëiste persoon al op 20 oktober 2023 een aanklacht ontving. Naar het oordeel van de verdediging kan de opgeëiste persoon niet worden tegengeworpen dat hij de adresinstructie niet heeft opgevolgd, omdat niet is gebleken dat deze adresinstructie betrekking had op de procedure die tot dit vonnis heeft geleid.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk III K 52/25 de weigeringsgrond van toepassing, maar is verzocht om daarvan af te zien. De opgeëiste persoon heeft na zijn vrijlating op 8 december 2023 uit de Penitentiaire Inrichting in Polen een adres opgegeven, nadat hij opnieuw een adresinstructie had ontvangen. Een kopie van de beslissing dat bij het eerdere verzamelvonnis sprake is van “loss of legal force”, is op dat adres op 25 juni 2025 aan zijn moeder betekend. Ook verdere correspondentie is vervolgens afgeleverd op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 490/16 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon ter zitting is verschenen. Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 190/17 is volgens de officier van justitie de weigeringsgrond van toepassing, maar is verzocht af te zien van toepassing daarvan. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon is verschenen op het proces. Vervolgens is hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon was op de hoogte van die procedure en werd daarin bijgestaan door een advocaat. Het had daarom op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat over het verdere verloop van de procedure in hoger beroep.

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk III K10/24 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van toepassing is, maar is de rechtbank verzocht daarvan af te zien. De opgeëiste persoon heeft immers een adresinstructie ontvangen waarvoor hij voor ontvangst heeft getekend. De oproep voor de zitting is vervolgens verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon bij zijn vrijlating in Polen in december 2023 heeft opgegeven. Dat indertijd een AVT voor vervolging ter zake van dezelfde feiten is afgewezen, doet hier niet aan af. De afwijzing hield verband met het feit dat er geen nationaal aanhoudingsbevel was en het hoorrecht niet was geëerbiedigd. Inmiddels ligt er een vonnis en brengt overlevering geen schending van het specialiteitsbeginsel met zich mee.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk III K 52/25

Naar aanleiding van de door het openbaar ministerie op 23 juli 2026 gestelde vragen, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 28 juli 2026 in een brief het volgende medegedeeld:

“(…) the proceedings for issuing a cumulative sentence in respect of [opgeëiste persoon] in the case with court file no. III K 52/25 were initiated by the Regional Court in Piotrków Trybunalski ex officio. [opgeëiste persoon] provided the following address: [adres 2] as his address after the release from the penitentiary facility, and court correspondence was sent to him at that address. The convicted person provides their address declaration at the moment of release from the facility. The release from the Remand Centre took place on 8 December 2023. [opgeëiste persoon] was repeatedly informed of the obligation to notify the authorities of any change of his residential address, both at the stage of preparatory and judicial proceedings, in relation to individual convictions as well as in the proceedings concerning the issuance of a cumulative sentence. The convicted person has been convicted in court more than ten times, and over the years he has repeatedly received instructions regarding his rights and obligations.”

Op 19 augustus 2026 heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de verstrekte aanvullende informatie opnieuw vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Op 7 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in een brief het volgende medegedeeld:

“(…) the above proceedings were conducted ex officio due to the partial loss of legal force of the previously issued aggregate judgment in case III K 52/23. In the proceedings in case III K 52/23, [opgeëiste persoon] was duly notified of the trial date (he personally collected the notice on 11 August 2023) and received the necessary instructions. ln connection with the decision issued concerning the loss of legal force of the aggregate judgment, a certified copy thereof was served on the convicted person on 25 June 2025 - by delivery to an adult household member, namely the convicted person’s mother. Further correspondence was sent to the convicted person at the address he indicated upon his release from the penitentiary facility and to that same address the above-mentioned certified copy of the decision was directed - and duly served. It must be emphasised that the obligation to notify the authorities of any change of or to indicate an address for service within the country, rests with the convicted person also at the stage of enforcement proceedings and does not cease upon the issuance of the conviction.”

De rechtbank stelt op grond van het EAB vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis en dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien.5 De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.6De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.

Uit de aanvullende informatie blijkt dat the Regional Court in Piotrkow Trybunalski “ex officio” een procedure is gestart tot verkrijging van een verzamelvonnis, dat een eerder gewezen verzamelvonnis in de zaak met kenmerk III K 52/23 zijn rechtskracht (gedeeltelijk) had verloren en dat daarom een nieuw verzamelvonnis met kenmerk III K 52/25 is gewezen.

In de procedure die tot het eerste verzamelvonnis heeft geleid, is de opgeëiste persoon op 11 augustus 2023 in persoon gedagvaard voor de zitting. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon zich toen in een Penitentiaire Inrichting in Polen bevond. Bij zijn ontslag op 8 december 2023 heeft de opgeëiste persoon een adres in [geboorteplaats] (Polen) opgegeven. Alle oproepen in de procedure die tot het nieuwe verzamelvonnis geleid hebben, zijn naar dat adres verstuurd. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat dit het adres van zijn moeder is. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon herhaaldelijk is geïnformeerd over de verplichting om de autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging, ook in de procedure die heeft geleid tot het eerste verzamelvonnis. Op 25 juni 2025 is een kopie van de beslissing waarbij de rechtskracht van het eerste verzamelvonnis is komen te vervallen, betekend op het opgegeven adres aan de moeder van de opgeëiste persoon. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure die tot het eerste verzamelvonnis heeft geleid en op de hoogte was of in elk geval had moeten zijn van de op 25 juni 2025 ontvangen beslissing dat dit verzamelvonnis zijn rechtskracht had verloren. De rechtbank stelt verder vast dat blijkens de aanvullende informatie de opgeëiste persoon herhaaldelijk is geïnformeerd over zijn plicht om adreswijzigingen door te geven, ook in procedures die betrekking hebben op het nemen (“issuance") van een verzamelvonnis. Hieruit volgt dat de adresinstructie niet was beperkt tot één specifieke verzamelprocedure. Uit de aanvullende informatie blijkt voorts dat deze verplichting niet eindigt met een veroordelend vonnis, maar ook gedurende de tenuitvoerleggingsfase blijft bestaan.

Op 12 september 2025 is vervolgens een nieuw verzamelvonnis met kenmerk III K 52/25 gewezen. De rechtbank leidt hieruit af dat de ambtshalve gestarte procedure die tot dat vonnis heeft geleid, kort na de betekening van de beslissing op 25 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Gelet op die beslissing had de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank kunnen en moeten begrijpen dat er een nieuwe procedure zou volgen en dat, mede gelet op de herhaalde adresinstructies waarvan de reikwijdte hem duidelijk moet zijn geweest, de op hem rustende verplichting om de autoriteiten van een adreswijziging in kennis te stellen, ook ten aanzien van deze procedure bleef gelden. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard dat hij contact met zijn moeder heeft en dat hij nadien geen ander adres heeft doorgegeven.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.3.2

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 490/16

De rechtbank heeft op 3 januari 2023 uitspraak gedaan in een andere overleveringszaak ten aanzien van deze opgeëiste persoon.7 Daarin is ten aanzien van dit vonnis al vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de hiervoor genoemde beslissing heeft geleid.

Naar aanleiding van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)8, gewezen na de hiervoor genoemde uitspraak, heeft het openbaar ministerie op 19 augustus 2026 aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld, omdat uit de beschikbare informatie bleek dat de bij dit vonnis opgelegde straf aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd. Uit de nadien verstrekte aanvullende informatie van 7 september 2026 blijkt dat de vrijheidsstraf aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon was opgelegd en dat bij beslissing van 11 juli 2017 met kenmerk II Ko 466/19 de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf is bevolen.

Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW.9

Uit het arrest van het HvJ EU van 23 maart 202310 volgt echter dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf dient te worden onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 7 september 2026 blijkt dat de veroordeling van the District Court in Opoczno van 27 september 2018 met kenmerk II K 190/17 heeft geleid tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank verwijst in dat verband naar de hierna volgende paragraaf 4.3.3. Dit vonnis zal namelijk in die paragraaf worden getoetst aan artikel 12 OLW, omdat het eveneens aan het verzamelvonnis ten grondslag ligt.

4.3.3

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 190/17

De rechtbank heeft op 3 januari 2023 uitspraak gedaan in een andere overleveringszaak ten aanzien van deze opgeëiste persoon.11 Daarin is ten aanzien van dit vonnis al vastgesteld dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep en dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat die beslissing in hoger beroep is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kon de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank zag in voormelde uitspraak echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en heeft dat in die uitspraak toegelicht. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar overwegingen in paragraaf 3.1 van de uitspraak. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.4.4

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk III K10/24

Naar aanleiding van de door het openbaar ministerie gestelde vragen van 23 juli 2026, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als onderdeel van haar brief van 28 juli 2026 een ingevuld D-formulier verstrekt. De rechtbank stelt op basis van die aanvullende informatie vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien.12 De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.13De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.

In de toelichting op het D-formulier is aangegeven dat de correspondentie in deze procedure gestuurd is naar het adres dat de opgeëiste persoon had opgegeven bij het verlaten van de Penitentiaire Inrichting. Naar aanleiding van het ingevulde D-formulier heeft het openbaar ministerie op 19 augustus 2026 nadere vragen gesteld. Uit de verstrekte aanvullende informatie van 7 september 2026 blijkt dat de zaak met kenmerk III K 10/24 oorspronkelijk gezamenlijk met een medeverdachte werd behandeld onder een ander kenmerk, te weten: III K 75/23. In die procedure heeft de opgeëiste persoon op 20 oktober 2023 een afschrift van de aanklacht ontvangen alsmede een adresinstructie. Daarbij is hij geïnformeerd over de verplichting om de autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging, evenals de mogelijkheid dat de rechtszaak bij zijn afwezigheid zou worden gevoerd. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van die instructie getekend. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon na zijn vrijlating uit de Penitentiaire Inrichting in Polen een adres heeft opgegeven en dat verdere correspondentie vervolgens naar het door hem opgegeven adres is verstuurd. Als gevolg van een “result of the exclusion of the reporting judge” is de zaak van de opgeëiste persoon vervolgens afzonderlijk behandeld en heeft deze een nieuw kenmerk gekregen, te weten: III K 10/24.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafprocedure die tot de beslissing heeft geleid, waardoor hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks het door hem opgegeven adres, toch niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Het feit dat de aanklacht en de instructies, nadat de zaak verder werd behandeld onder kenmerk III K 10/24, blijkens de aanvullende informatie niet opnieuw aan de opgeëiste persoon zijn verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. De opgeëiste persoon wist immers dat er een procedure tegen hem liep waardoor het op zijn weg lag om zich van het verdere verloop van die procedure op de hoogte te houden. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard dat het adres dat hij na zijn vrijlating had opgegeven het adres van zijn moeder betreft, dat hij nog contact heeft met haar en dat hij nadien geen ander adres heeft doorgegeven. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie; en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest)

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.14 Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.15

7 Artikel 11 OLW: artikel 6 Handvest

7.1

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich, onder verwijzing van een publicatie van prof. mr. dr. V.H. Glerum16 en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Hermida Paz tegen Spanje17, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het vonnis met kenmerk III K10/24 sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel. De tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf is volgens de raadsman in strijd met artikel 6 Handvest en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank heeft immers op 17 januari 2024 geen aanvullende toestemming gegeven voor uitbreiding van de vervolging. Desalniettemin is ten aanzien van de feiten alsnog een vonnis gewezen met als gevolg dat de opgeëiste persoon een gevangenisstraf moet uitzitten waarvoor nu de overlevering wordt verzocht. De opgeëiste persoon mocht echter, gelet op de weigering van de rechtbank om aanvullende toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging, ervan uitgaan dat ten aanzien van deze feiten geen vonnis meer zou volgen.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie staat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg. Artikel 11 OLW ziet immers op de vraag of de overlevering zal leiden tot een flagrante schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. De omstandigheid dat in het verleden mogelijk sprake is geweest van een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel, brengt op zichzelf niet mee dat de overlevering thans zal leiden tot flagrante schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. Daarnaast kan van een schending van het specialiteitsbeginsel volgens de officier van justitie slechts sprake zijn indien de opgeëiste persoon in zijn vrijheid was beperkt. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. De bij het vonnis met kenmerk III K10/24 opgelegde straf dient immers nog volledig te worden uitgezeten. De opgeëiste persoon heeft voor deze feiten immers niet in voorarrest gezeten.

7.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat, voordat kan worden toegekomen aan een beoordeling van het individuele gevaar op schending van het recht op vrijheid en veiligheid – zo begrijpt de rechtbank artikel 6 Handvest –, eerst moet worden onderbouwd dat in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat dat sprake is van een dergelijke schending doordat het specialiteitsbeginsel niet wordt nageleefd. De raadsman heeft echter geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die daarop duiden. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon dat de door de raadsman genoemde rechten in Polen zijn geschonden, komt de rechtbank dus niet toe.

Daar komt bij dat uit artikel 14, aanhef en onder c, OLW volgt dat overlevering niet wordt toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van enige maatregel die de vrijheid beperkt ter zake de betreffende feiten. De bij het vonnis opgelegde vrijheidsstraf dient nog volledig te worden uitgezeten. Gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon ten aanzien van dit vonnis in zijn vrijheid beperkt is geweest. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

8 Heropening van het onderzoek ter zitting

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met parketnummer 13-240016-26 (EAB II). Het onderzoek in die zaak zal bij tussenuitspraak van heden worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, omdat er nadere vragen dienen te worden gesteld in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW. De rechtbank wil beide zaken gelijktijdig afdoen en zal daarom ook deze zaak voor onbepaalde tijd aanhouden. Indien namelijk nu einduitspraak zou worden gedaan inzake EAB I waarbij de overlevering wordt toegestaan, zou de opgeëiste persoon binnen tien dagen daarna feitelijk aan Polen moeten worden overgeleverd. De rechtbank acht dit onwenselijk, omdat een feitelijke overlevering in de weg zou staan aan een inhoudelijke afdoening van EAB II.

Verlenging van de beslistermijn

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 90 dagen van EAB II verstrijkt op 23 november 2026 terwijl de termijn van 90 dagen van EAB I verstrijkt op 12 oktober 2026. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze specifieke situatie, gelet op wat hiervoor is overwogen, sprake van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Om die reden zal de rechtbank de beslistermijn in deze zaak verlengen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

9 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13-240016-26 (EAB II).

VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 11 december 2026).

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de – geschorste – overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.

BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting. De zaak met parketnummer 13-240016-26 (EAB II) moet uiterlijk voor 9 november 2026 opnieuw op zitting worden ingepland. Dit betekent dat deze zaak (EAB I) eveneens uiterlijk voor 9 november 2026, en dus tegelijkertijd met de zaak met parketnummer 13-240016-26 (EAB II), moet worden ingepland.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »