RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12103978 \ CV EXPL 26-2028
Vonnis van 16 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Pinarbasi-Ilbay.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 januari 2026 met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 14 april 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 3 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van de zijde van [eisers]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Op 1 april 2024 hebben partijen een overeenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop van goodwill en inventaris van de onderneming [bedrijf] V.O.F., gevestigd aan [adres] (hierna: de overeenkomst). [eisers] traden op als verkopers, [gedaagde] was de koper.
De afgesproken koopsom betrof € 35.000,00. In de overeenkomst is verder opgenomen dat [gedaagde] ten tijde van ondertekening van de overeenkomst € 2.000,00 zou betalen en dat de overige € 32.000,00 uiterlijk op 10 juni 2024 door haar zou worden betaald.
[gedaagde] heeft na de eerste betaling van € 2.000,00 (in ieder geval) nog € 8.000,00 betaald.
De gemachtigde van [eisers] heeft op 15 december 2025 een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin zij gesommeerd is om tot betaling over te gaan van € 25.000,00 binnen vijftien dagen nadat de brief bij haar is bezorgd. De gemachtigde heeft tevens geschreven dat als geen tijdige betaling plaatsvindt, [gedaagde] wettelijke rente en incassokosten verschuldigd is, die laatste ter hoogte van € 1.240,25 (inclusief btw).
De gemachtigde van [eisers] heeft [gedaagde] opnieuw gesommeerd per brief van 5 januari 2026. In de brief staat dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 29.031,75 inclusief buitengerechtelijke incassokosten van € 1.025,00 (exclusief btw) en wettelijke rente van € 2.791,50 moet betalen binnen acht dagen na dagtekening van de brief.
Op 13 januari 2026 heeft de gemachtigde van [eisers] opnieuw een sommatie gestuurd waarin staat dat de deurwaarder een dagvaarding aan [gedaagde] zal betekenen, maar dat [gedaagde] dit kan voorkomen door € 29.068,32 te betalen binnen vijf dagen na dagtekening van de brief.
[gedaagde] heeft geen betalingen verricht naar aanleiding van de sommaties.
3 Het geschil
[eisers] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
-
€ 25.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf 27 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening,
-
de proceskosten,
-
de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat zij nog moet betalen, maar heeft gesteld dat zij bovenop de betaalde € 10.000,00, nog € 2.000,00 heeft betaald. Verder heeft zij de kantonrechter verzocht een betalingsregeling op te leggen, maar dat verzoek heeft zij ter zitting ingetrokken. Tot slot heeft [gedaagde] betoogd dat de rente en proceskosten gematigd moeten worden, omdat veroordeling tot betaling daartoe naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter is (absoluut) bevoegd
De kantonrechter dient – ook zonder daartoe strekkend verweer – op grond van artikel 72 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ambtshalve te toetsen of zij absoluut bevoegd is in zaken waarin de vordering ten hoogste € 25.000,00 beloopt.
Hoewel de vordering van [eisers] oorspronkelijk een hoger beloop had dan € 25.000,00, is de kantonrechter toch bevoegd op grond van artikel 93 sub a Rv. [eisers] hebben namelijk afstand gedaan van het meerdere (in dit geval de buitengerechtelijke incassokosten en de rente tot aan de dagvaarding).
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
[gedaagde] heeft erkend dat zij nog moet betalen aan [eisers] , maar betwist de hoogte van het bedrag dat zij nog verschuldigd is. Zij heeft gesteld dat zij niet slechts € 10.000,00 heeft betaald, maar ook nog € 2.000,00 en dat zij dus € 23.000,00 verschuldigd is en niet € 25.000,00.
[eisers] heeft daar terecht tegen aangevoerd dat [gedaagde] daarvan geen betalingsbewijzen heeft overgelegd. [gedaagde] draagt de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat zij bevrijdend een bedrag heeft betaald. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat zij haar stelling niet kan onderbouwen door bankafschriften of een ander betaalbewijs. Dit betekent dat haar verweer wordt verworpen, waardoor de kantonrechter er vanuit gaat dat zij in totaal € 10.000,00 heeft betaald, en niet € 12.000,00.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 25.000,00.
Geen matiging van de rente
[eisers] hebben over de hoofdsom wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 27 januari 2026. [gedaagde] heeft betoogd dat de kantonrechter de gevorderde rente moet matigen omdat toewijzing van de volledige vordering strijdig is met de redelijkheid en billijkheid. Er is namelijk sprake van betalingsonmacht en [gedaagde] heeft onvoldoende financiële draagkracht om de vordering te voldoen.
Er is geen reden om de wettelijke rente te matigen. Wettelijke rente is een schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Feit is dat [eisers] lang (hebben) moeten wachten op hun geld. Daartegenover is de betalingsonmacht van [gedaagde] , die zij verder bovendien niet heeft onderbouwd met stukken, onvoldoende reden om tot het oordeel te komen dat een veroordeling tot betaling van de wettelijke rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Tot slot hebben [eisers] door de vordering te beperken tot de hoofdsom van € 25.000,00 [gedaagde] in feite al een bedrag aan rente “kwijtgescholden”.
Gelet op het voorgaande zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 27 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Zij heeft echter betoogd dat de proceskosten moeten worden afgewezen, althans dat deze gecompenseerd moeten worden, in verband met haar betalingsonmacht. De kantonrechter gaat daar niet in mee. [eisers] hebben moeten procederen om betaling af te dwingen, waardoor zij recht hebben op vergoeding van de proceskosten.
De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
753,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.154,00 |
(2 punten × € 577,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.204,02 |
De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 27 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.204,02, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten van € 144,00 vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026. |
||