RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/781460 / HA ZA 26-24
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
INPUBLIC VENTURES B.V,
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: InPublic,
advocaten: mr. G.J. Kerver en mr. K.C. Mensink,
tegen
[gedaagde] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. R.M. Leeuwenburgh en mr. A.J. Rijsterborgh.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 juni 2026,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] heeft InPublic meerdere jaren bijgestaan als advocaat bij verschillende procedures tussen InPublic en Pink and Nelson B.V. (hierna: PN).
InPublic had 10% van de certificaten van PN. Op een gegeven moment hebben InPublic en PN besloten dat InPublic die certificaten zou verkopen aan PN. Daarvoor hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten op 29 juni 2012, waarbij InPublic geadviseerd werd door [gedaagde] .
De prijs van de certificaten (hierna: de verkoopprijs) werd bepaald op basis van (i) de veronderstelde waarde van de onderneming en (ii) de uitkomst van de zogenaamde IJsei-claim, waarover tijdens het opstellen en ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst een procedure aanhangig was bij de rechtbank Amsterdam.
Om de veronderstelde waarde van de onderneming te kunnen waarderen, hebben InPublic en PN twee rapporten laten opstellen, één door MBCF en één door PWC.
De IJsei-claim ziet op een procedure tussen Parkeer Management Nederland C.V. (hierna: PMN), een dochtervennootschap van PN, en de gemeente Amsterdam (hierna: de IJsei-procedure). In die procedure bestond een geschil over de uitleg en toepassing van een nadeelcompensatieregeling tussen PMN en de gemeente Amsterdam. Volgens PMN had zij recht op meer compensatie dan zij reeds van de gemeente Amsterdam (van 2006 tot en met 2008) als voorschotten had ontvangen.
In artikel 3.5 van de vaststellingsovereenkomst staat het volgende opgenomen over de opbrengst van de IJsei-claim, voor zover relevant:
“Ten tijde van het aangaan van de Overeenkomst is een gerechtelijke procedure aanhangig bij Rechtbank Amsterdam tussen Parkeer Management Nederland P.M.N. CV en Gemeente Amsterdam (Stadsdeel Centrum), (…), hierna te noemen: ‘de IJsei-claim’. Partijen zijn overeengekomen dat de koopprijs zal worden verhoogd met 10% van de (eventuele) netto-opbrengst van de IJsei-claim. Onder ‘netto=opbrengst’ wordt in dit artikellid verstaan de bruto opbrengsten die (een of meer van de vennootschappen van) de Groep ontvang(t)/en) in verband met de IJsei-claim, verminderd met (redelijke) kosten en die in direct verband staan met de IJsei-claim.
10% van de ontvangsten door de Vennootschap uit hoofde van de definitieve afwikkeling van de IJsei-claim, of onderdelen/fasen daarvan, onder aftrek van 10% van de tot op dat moment gemaakte kosten in verband met de IJsei-claim zullen met deugdelijke specificatie daarvan binnen 10 dagen door de Vennootschap worden uitgekeerd aan Hylkema Beheer.”
Op 23 juli 2014 oordeelde de rechtbank Amsterdam onder andere dat PMN geen recht had op meer compensatie dan zij reeds van de gemeente Amsterdam als voorschotten had ontvangen.
.
InPublic en PN zijn met elkaar in geschil geraakt, onder andere over de uitleg van artikel 3.5 van de vaststellingsovereenkomst. De discussie over artikel 3.5 spitste zich toe op de vraag of de voorschotten die de gemeente Amsterdam had betaald wel of niet waren meegenomen in de verkoopprijs. Het hof Den Haag heeft op 15 januari 2019 onder meer geoordeeld dat de reeds door de gemeente Amsterdam betaalde voorschottenonderdeel waren van de verkoopprijs.
3 Het geschil
InPublic vordert - samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
i) voor recht verklaart dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, vanwege de door mrs. [advocaat 1] en [advocaat 2] als vertegenwoordigers van [gedaagde] gemaakte beroepsfouten,
-
ii) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 164.040, met wettelijke (handels)rente,
-
iii) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
InPublic legt aan de vordering het volgende ten grondslag. InPublic stelt dat [gedaagde] op twee fronten tekort is geschoten, namelijk (i) bij het zorgvuldig vastleggen van de afspraken tussen InPublic en PN in de vaststellingsovereenkomst en (ii) in het voeren van gebrekkig verweer in de appelprocedure over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Hierdoor heeft InPublic niet de 10% uit de IJsei-claim ontvangen waar zij volgens haarzelf recht op heeft en vordert zij dat bedrag van € 164.000 nu van [gedaagde] .
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] doet een beroep op verjaring. Verder stelt [gedaagde] ten aanzien van het eerste verwijt dat de tekst van de vaststellingsovereenkomst uitvoerig en in nauw overleg met InPublic tot stand is gekomen. Bovendien heeft zij InPublic geïnformeerd dat zij inhoudelijk niet goed op de hoogte was van de IJsei-claim. Met betrekking tot het tweede verwijt, stelt [gedaagde] dat zij wel degelijk en op meerdere plekken in de memorie van enquête verweer heeft gevoerd op het door InPublic aangehaalde specifieke punt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De vorderingen van InPublic zijn niet verjaard en InPublic heeft op tijd geklaagd
[gedaagde] doet een beroep op verjaring ten aanzien van het eerste verwijt van InPublic dat [gedaagde] tekort zou zijn geschoten in haar advisering bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst (artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek, hierna “BW”). Ook stelt [gedaagde] dat InPublic te laat heeft geklaagd, waardoor haar vorderingsrecht zou zijn komen te vervallen (artikel 6:89 BW). Volgens [gedaagde] was InPublic namelijk al in 2013 bekend met de discussies over de uitleg van artikel 3.5 van de vaststellingsovereenkomst, terwijl InPublic pas op 28 oktober 2019 voor het eerst heeft geklaagd bij [gedaagde] . Dat is volgens [gedaagde] niet “binnen bekwame tijd” klagen, zoals bedoeld in artikel 6:89 BW. Ook is tussen 2013 en 2019 de verjaringstermijn van vijf jaar verlopen, aldus [gedaagde] .
InPublic betwist dat de verjaringstermijn is verlopen of dat zij te laat geklaagd heeft. Met InPublic is de rechtbank het eens dat InPublic niet al in 2013 bekend was met de door haar gestelde schade. Pas na het arrest van het hof Den Haag van 15 januari 2019 raakte InPublic bekend met de gestelde schade. Het beroep van [gedaagde] op verjaring slaagt dan ook niet. Daarnaast heeft [gedaagde] niet onderbouwd in welke mate het tijdsverloop invloed heeft gehad op de hoogte van de schade of haar bewijspositie, hetgeen wel nodig is bij een beroep op de klachtplicht. Ook dit beroep slaagt daarom niet.
[gedaagde] is niet tekortgeschoten bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst
InPublic stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar overeenkomst van opdracht omdat de tekst van de vaststellingsovereenkomst niet duidelijk genoeg is. Volgens InPublic was de afspraak dat PN als verkoopprijs over alle opbrengsten van de IJsei-claim 10% moest betalen aan InPublic, dus ook over de voorschotten die de gemeente Amsterdam van 2006 tot en met 2008 al aan PMN had betaald. In de vaststellingsovereenkomst is dit onvoldoende duidelijk opgenomen door [gedaagde] , waardoor InPublic en PN in geschil zijn geraakt over het verschil tussen de opbrengst van de IJsei-claim en de verkoopprijs van de certificaten, aldus InPublic.
[gedaagde] betwist dat zij tekort is geschoten bij het adviseren over en het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft toegelicht dat InPublic nauw betrokken was bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft alle tekstvoorstellen en wijzigingen ter goedkeuring voorgelegd aan InPublic. Verder heeft [gedaagde] tijdens de zitting toegelicht dat zij niet op de hoogte was van de voorschotten van de gemeente Amsterdam. Daarover had InPublic haar nooit geïnformeerd. Bovendien waren er geen andere aanwijzingen op basis waarvan [gedaagde] had kunnen of moeten weten dat de gemeente Amsterdam al betalingen had gedaan die van invloed waren op de IJsei-claim.
De rechtbank vindt dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van haar overeenkomst van opdracht. Zij overweegt daarover als volgt.
De zorgvuldigheidsplicht van een advocaat bij advisering van een cliënt brengt mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Die informatieverplichting strekt er niet toe om de cliënt te beschermen tegen risico’s, maar de cliënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt hoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst en omvang van het betreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan blijk heeft gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn.1
Ter zitting heeft de enig statutair bestuurder van InPublic toegelicht dat hij zich niet kan voorstellen dat hij niet aan [gedaagde] zou hebben verteld dat de gemeente Amsterdam al voorschotten had betaald aan PMN voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Tegelijkertijd heeft hij niet gesteld dat het bij [gedaagde] bekend was dat PMN al geld had ontvangen van de gemeente Amsterdam. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde] wist dat de gemeente Amsterdam voorschotten had betaald.
InPublic heeft verder gesteld dat het aan [gedaagde] zelf te wijten is dat zij niet op de hoogte was van de voorschotten van de gemeente Amsterdam, omdat zij geen stukken heeft opgevraagd bij PMN of PN over de IJsei-procedure. [gedaagde] heeft daarover tijdens de zitting onweersproken gesteld dat zij wel aan InPublic heeft gevraagd of ze stukken moest opvragen, maar dat InPublic dat niet nodig vond.
Omdat [gedaagde] tijdens het opstellen van de vaststellingsovereenkomst door InPublic niet op de hoogte was gebracht van de reeds betaalde voorschotten van de gemeente Amsterdam en InPublic heeft aangegeven dat het niet nodig was dat [gedaagde] stukken zou opvragen bij PMN of PN over de IJsei-claim, kan InPublic [gedaagde] nu niet tegenwerpen dat zij tekort is geschoten in het vastleggen van artikel 3.5 van de vaststellingsovereenkomst. InPublic heeft ook niet betwist dat zij heeft meegelezen met alle concepten en dat [gedaagde] haar alle tekstvoorstellen en wijzigingen ter goedkeuring heeft voorgelegd. Dat [gedaagde] tekort is geschoten bij het adviseren over en het opstellen van de vaststellingsovereenkomst is dan ook niet aangetoond.
[gedaagde] is niet tekortgeschoten bij het voeren van verweer in de appelprocedure
InPublic stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten bij het voeren van verweer in de appelprocedure tussen InPublic en PN, specifiek op het punt of de voorschotten van de gemeente onderdeel waren van de verkoopprijs. PN heeft tijdens de procedure gesteld dat de voorschotten onderdeel waren van de verkoopprijs, omdat het was meegenomen in de waarderingsrapporten van PWC en MBCF. Volgens InPublic heeft [gedaagde] daar alleen een blote betwisting tegenin gebracht, waardoor het hof Den Haag de stellingen van PN heeft gehonoreerd. InPublic onderbouwt dat door de volgende zin uit het arrest van 15 januari 2019 te citeren: “Het verweer vindt steun in de overgelegde rapporten en is door Hylkema c.s. (bestuurder van InPublic) onvoldoende gemotiveerd weersproken.” [gedaagde] had volgens InPublic duidelijker moeten aanvoeren dat de waarderingsrapporten duidelijk laten zien dat de voorschotten geen onderdeel waren van de verkoopprijs.
De rechtbank volgt InPublic niet in haar stelling dat [gedaagde] tekort is geschoten bij het voeren van verweer. [gedaagde] heeft terecht gewezen op vijf alinea’s uit haar memorie van enquête, waarin zij ingaat op de stelling van PN dat de voorschotten van de gemeente onderdeel waren van de verkoopprijs. Van een blote betwisting is dan ook geen sprake. Dat in het arrest staat dat het verweer “onvoldoende gemotiveerd weersproken” is, betekent alleen dat de betwisting onvoldoende gewicht in de schaal heeft gelegd tegen het verweer.
Conclusie en proceskosten
De rechtbank wijst de vorderingen van InPublic af. InPublic krijgt dus geen gelijk.
InPublic moet als in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
6.861,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
4.102,00 |
(2 punten × € 2.051,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
11.152,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van InPublic af,
veroordeelt InPublic in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als InPublic niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt InPublic tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, bijgestaan door mr. F.A. Nusman, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||