vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Privaatrecht
Zaaknummer: 12086781 CV EXPL 26-1500
Vonnis van de kantonrechter van 10 september 2026
in de zaak van:
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ([gemeente]),
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats 3] ,
die te dezen handelen ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [erflater] ,
eisende partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met bijlagen van [eisers] ;
-
de conclusie van antwoord met bijlagen van Dexia;
-
de conclusie van repliek met bijlagen van [eisers] ;
-
de conclusie van dupliek van Dexia.
Hierna is vonnis bepaald.
2 De feiten
De heer [eiser 1] (hierna: Contractant) heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
|
Nr. |
Contractnr. |
Datum |
Naam overeenkomst |
|
I. |
[nummer 1] |
15 november 2000 |
Feestplan |
|
II. |
[nummer 2] |
15 november 2000 |
Feestplan |
|
III. |
[nummer 3] |
15 november 2000 |
Feestplan |
|
IV. |
[nummer 4] |
15 november 2000 |
Feestplan |
|
V. |
[nummer 5] |
15 november 2000 |
Feestplan |
|
VI. |
[nummer 6] |
15 november 2000 |
Feestplan |
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
|
Nr. |
Datum eindafrekening |
Resultaat |
Betaald |
|
I. |
17 mei 2006 |
- € 3.909,83 |
Deels: € 1.217,15 |
|
II. |
17 mei 2006 |
- € 3.909,83 |
Deels: € 365,67 |
|
III. |
17 mei 2006 |
- € 3.909,83 |
Deels: € 365,67 |
|
IV. |
17 mei 2006 |
- € 3.909,83 |
Deels: € 365,67 |
|
V. |
17 mei 2006 |
- € 3.909,83 |
Deels: € 365,67 |
|
VI. |
17 mei 2006 |
- € 3.909,83 |
Deels: € 365,67 |
Volgens opgave van Dexia heeft Contractant op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 15.785,28 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.045,50 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Contractant € 682,44 aan dividenden ontvangen.
[erflater] (hierna: eega) was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten gehuwd met Contractant. Eega heeft Contractant geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten.
Bij brief van 1 september 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft Eega een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten, als bedoeld in artikel 1:89 BW.
Eega is op 24 oktober 2024 overleden.
3 De vorderingen en het verweer
[eisers] vorderen bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
te verklaren voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door Contractant krachtens de overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [eisers] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de termijn in de vernietigingsbrief, althans subsidiair vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der voldoening;
-
Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.
Dexia betwist de vorderingen van [eisers] Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering uit onverschuldigde betaling van [eisers] is verjaard.
Op de stellingen en verweren van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.
4 De beoordeling
Vernietiging
Niet ter discussie staat dat de overeenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.
Het beroep van Dexia op verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling
Dexia stelt dat de door [eisers] ingestelde vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard, omdat Leaseproces niet gevolmachtigd was om namens eega enige verjaring te stuiten en dat niet (voldoende tijdig) een door [eisers] aan Leaseproces verleende volmacht voor het verrichten van een stuitingshandeling is overgelegd, nadat Dexia de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Leaseproces uitdrukkelijk had bestreden.
[eisers] hebben bovengenoemde stellingen van Dexia gemotiveerd betwist. [eisers] wijzen daarbij op de opt-out-verklaring uit 2007 en naar de brieven van Leaseproces uit 2009, 2012, 2016 en 2021, in het bijzonder naar de brieven van 24 januari 2012, 27 oktober 2016 en 19 oktober 2021 (zie: productie J bij conclusie van repliek) voor al haar cliënten (onder wie Contractant) en de eega’s van de betreffende cliënten, waarmee de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia is gestuit. Ook hebben [eisers] een afschrift overgelegd uit de administratie van Leaseproces van de digitaal verleende toestemming/volmacht, die luidt als volgt:
“Ik geef Leaseproces toestemming om de verjaring van de vordering op Dexia te stuiten. Deze toestemming geldt ook voor mijn eventuele partner en/of familieleden.”
Met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de personen die op de bij naam of relatienummer bij de brieven gevoegde lijsten waren vermeld (zoals Contractant), wordt voldaan aan de eisen van een rechtsgeldige stuiting als bedoeld in artikel 3:317 BW. Daarnaast heeft Dexia niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van de volmacht van Leaseproces gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan. Voor een nadere onderbouwing van het voorgaande wordt verwezen naar de arresten van het hof Amsterdam, onder andere van 11 november 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3129 en ECLI:NL:GHAMS:2025:3138). Uit die arresten volgt dat het niet relevant is of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en evenmin of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist, zodat de stellingen van Dexia daarover geen bespreking behoeven. Ten slotte is als gevolg van de op het moment van vernietiging van de overeenkomsten reeds aanhangige collectieve procedure de verjaring van de restitutievordering gestuit en wel tot zes maanden nadat het hof Amsterdam in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie: HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018, en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Uit het voorgaande volgt dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat betekent dat het daartegen gerichte verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen.
De vorderingen van [eisers]
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomsten zijn vernietigd, toewijsbaar is.
Dexia dient aan [eisers] ter zake van de overeenkomsten te betalen al hetgeen Contractant ter zake van de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden, overige uitkeringen, opbrengsten en eventueel een reeds ontvangen (gedeeltelijke) schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). De betreffende bedragen blijken uit de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst waarvan de juistheid niet is weersproken. [eisers] hebben hun vordering becijferd op € 18.148,34. Nu dat bedrag door Dexia niet is betwist gaat de kantonrechter ook van dit bedrag uit.
Wettelijke rente en proceskosten
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde vanaf een termijn van vier weken na de vernietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte, zijnde 30 september 2005. Indien na de genoemde datum betalingen zijn verricht door Contractant, is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van die betaling.
De gevorderde wettelijke rente ter zake van de overeenkomsten is toewijsbaar als volgt.
Dexia is vanaf de bovengenoemde ingangsdatum wettelijke rente verschuldigd over het saldo van hetgeen aan Dexia is betaald, minus hetgeen van Dexia is ontvangen.
Telkens indien na bovengenoemde ingangsdatum door Dexia een bedrag (exclusief wettelijke rente) is betaald ter zake van de overeenkomsten, is vanaf de datum van die betaling de wettelijke rente verschuldigd over hetgeen na aftrek van dat bedrag (exclusief wettelijke rente) nog door Dexia verschuldigd is.
De wettelijke rente is verschuldigd tot aan de datum van de voldoening van het in rechtsoverweging 4.6. genoemde bedrag aan hoofdsom.
Voor zover Dexia in het verleden reeds wettelijke rente heeft voldaan, kan deze in mindering worden gebracht op het totale bedrag aan wettelijke rente dat Dexia op grond van het voorgaande verschuldigd is.
Nadat aan dit vonnis is voldaan, zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.
Dexia zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten (inclusief nakosten), aan de zijde van [eisers] gevallen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 964,94.
5 De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat de overeenkomsten zijn vernietigd;
veroordeelt Dexia om aan [eisers] ter zake de overeenkomsten te betalen een bedrag van € 18.148,34;
veroordeelt Dexia om aan [eisers] te betalen de wettelijke rente die Dexia verschuldigd is ter zake de overeenkomsten op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 4.7 tot en met 4.8.4;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 964,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.