RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/5547
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B. Blanckenburg),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om met haar kinderen in de kortdurende (nood)opvang te mogen verblijven. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, in die zin dat verzoekster en haar kinderen zo snel mogelijk tot de noodopvang worden toegelaten, tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Verzoekster is in juni 2024 met haar dochter [naam dochter] (momenteel 8 jaar) vanuit Suriname naar Nederland gekomen om voor haar zieke vader te zorgen en tevens om [naam dochter] een band te laten krijgen met háár vader. Zij hebben onder meer tijdelijk bij haar zus gewoond in [plaats] . Sinds mei 2025 verblijven zij bij de heer [naam] in [plaats] . Op 30 januari 2026 heeft verzoekster een baby gekregen, [naam baby] . De heer [naam] heeft verzoekster te kennen gegeven dat zij per 20 september 2026 zijn woning moeten verlaten.
Verzoekster heeft daarom op 10 september 2026 een aanvraag ingediend voor toelating tot de kortdurende (nood)opvang in Amsterdam. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 september 2026 afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de bindingscriteria en er geen redenen zijn om van het beleid af te wijken.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college. Voorafgaand aan de zitting is [naam dochter] gehoord door de voorzieningenrechter.
Na de zitting heeft de griffier op 24 september 2026 de beslissing aan beide gemachtigden per e-mail meegedeeld. Dit is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij op dit moment geen andere plek heeft om met haar kinderen naartoe te gaan. Zij is ingeschreven bij diverse woningcorporaties in meerdere regio’s, maar heeft nog geen woningaanbod gehad. [naam dochter] gaat naar school in Amsterdam en [naam baby] gaat hier naar de BSO. Verzoekster werkt zelf als onderwijzeres op een basisschool in Amsterdam. Het gezin kan niet meer terecht in het eigen netwerk. Teruggaan naar Suriname is op dit moment geen optie, ook omdat de vader van [naam dochter] in beeld is en hij in Nederland woont. Als het gezin dakloos raakt, dreigt het gevaar dat de kinderen uit huis worden geplaatst. Verzoekster stelt dat het college een positieve verplichting heeft om scheiding van moeder en kinderen te voorkomen. Verzoekster vindt dat het college bij de afwijzing ook geen blijk heeft gegeven de belangen van de kinderen te hebben meegewogen alvorens de aanvraag af te wijzen. De fundamentele rechten van de kinderen worden daarmee geschonden. Het bezwaar heeft dus een kans van slagen en er dient een voorlopige voorziening te worden getroffen, inhoudende dat het gezin wordt toegelaten tot de noodopvang.
4. Het college heeft naar voren gebracht dat de noodopvang bedoeld is voor Amsterdamse gezinnen die hier minimaal vier jaar wonen. Dat geldt niet voor verzoekster. De belangen van de kinderen hadden wel beter kunnen worden meegewogen, maar dat kan worden hersteld in bezwaar. Het college wijst erop dat verzoekster zonder goed plan uit Suriname naar Nederland is gekomen. Nu het niet lukt om hier een woning te vinden, dient zij te overwegen weer terug te gaan naar Suriname. Het college kan hier financieel in ondersteunen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster niet zelf voor opvang kan zorgen.
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maar buitenwettelijk begunstigend beleid.1 Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of het college het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van verzoekers niet zijn geschonden. Het college heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden.2 Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Zij krijgen opvang voor de maximale duur van drie maanden, indien zij aan de regiobindingseis voldoen en actief op zoek zijn naar woningen in of buiten Amsterdam. De regiobindingseis houdt in dat ieder lid van het gezin minstens vier jaar in Amsterdam moet wonen, dat wil zeggen ingeschreven zijn in de BRP3. De achtergrond van de regiobindingseis is dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen die een binding hebben met Amsterdam. Zo wordt voorkomen dat gezinnen de noodopvang gebruiken als een manier om zich te vestigen in Amsterdam. Niet is in geschil dat verzoekster en haar kinderen niet voldoen aan deze bindingseis.
De kernvraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of de fundamentele rechten van [naam dochter] en [naam baby] voldoende zijn meegewogen in de besluitvorming. Verzoekster wijst hierbij onder andere naar de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit summier is en dat daarin de belangen van [naam dochter] en [naam baby] niet kenbaar zijn betrokken, terwijl dit op grond van het IVRK wel had gemoeten. De besluitvorming bevat op dit punt een gebrek. Het college heeft ter zitting uitgelegd dat er meer tijd nodig is om de belangen van de kinderen goed in kaart te brengen. Dat wordt in de bezwaarfase gedaan, zodat het gebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. Dit betekent niet per definitie dat de gevraagde voorziening moet worden toegewezen. Verwezen wordt naar de oordeel van deze rechtbank van 24 januari 2025.4
De voorzieningenrechter komt dus toe aan een belangenafweging. De voorzieningenrechter heeft oog voor het belang van het college dat de beperkte mogelijkheden voor noodopvang in de gemeente Amsterdam eerlijk en volgens de regels moeten worden verdeeld. Bovendien gaat het hier om een voorziening op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid, waarbij het risico bestaat van aanzuigende werking indien de bindingseis lichtzinnig ter zijde wordt geschoven. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de gebruikelijk noodopvangvoorzieningen vol zitten, net als het Teleport Hotel en de Social Hub. Als de gevraagde voorziening wordt toegewezen, zal het college elders een “reguliere” hotelkamer voor verzoekster regelen. Dit alles roept bij de voorzieningenrechter de vraag op hoe houdbaar het systeem van de noodopvang nog is. Of daadwerkelijk sprake is van een probleem, in die zin dat Amsterdam te maken heeft met een zeer grote toestroom van gezinnen die niet voldoen aan de bindingseis, is echter uit de toelichting van het college niet concreet gebleken. Dat betekent dat dit punt niet in de belangenafweging wordt meegenomen.
Het belang van verzoekster is te voorkomen dat zij met haar jonge kinderen op straat moet slapen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster in dit geval zwaarder dient te wegen. Daartoe is het volgende van belang. Ter zitting is onder meer gesproken over de vraag of verzoekster daadwerkelijk met haar kinderen op straat zal belanden. Deze vraag is nooit met zekerheid te beantwoorden, aangezien er altijd een mogelijkheid bestaat dat iemand nog wel iets weet te vinden. De vraag is dan echter hoe bestendig dat is en in hoeverre de kinderen dan in een wenselijke situatie terechtkomen.
Niet in geschil is dat het college de belangen van de kinderen ten tijde van het primaire besluit onvoldoende in beeld heeft gebracht. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat is geïnformeerd naar het netwerk van verzoekster en of er toch niet iemand is die tijdelijk onderdak kan bieden. Evenmin is bijvoorbeeld navraag gedaan bij de vader van [naam dochter] om te kijken wat hij kan betekenen. Ook is niet duidelijk geworden of het gezin in beeld is bij de hulpverlening.
Tegen deze achtergrond van vragen en onduidelijkheden slaat de weegschaal uit in het voordeel van de kinderen. Gelet op het IVRK acht de voorzieningenrechter het namelijk noodzakelijk dat waar mogelijk wordt voorkomen dat verzoekster en haar kinderen een zwervend bestaan gaan leiden, met alle mogelijke gevolgen van dien. Enige binding met Amsterdam kan het gezin bovendien ook niet worden ontzegd. Dat leidt ertoe dat de gevraagde voorziening wordt toegewezen.
De voorzieningenrechter betrekt daarbij niet de gestelde vrees dat de kinderen van verzoekster in geval van dakloosheid direct “uithuisgeplaatst” worden. Uit artikel 9 van het IVRK volgt dat ouders en kinderen alleen van elkaar gescheiden worden indien daartoe een noodzaak bestaat in het belang van het kind. Namens verzoekster is aangevoerd dat hiertoe zeker wordt overgegaan bij dakloosheid. Dit is echter een niet onderbouwde stelling die om die reden niet wordt gevolgd.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster en haar kinderen zo snel mogelijk tot de noodopvang worden toegelaten, in ieder geval tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.
Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat verzoekster zich dient te houden aan de voorwaarden die gelden voor verblijf in de noodopvang en ook volgen uit de Nadere Regels5, zoals het niet weigeren van een passende woning (ook buiten Amsterdam).
Verder bepaalt de voorzieningenrechter in aanvulling daarop expliciet dat verzoekster aan haar begeleiders in de noodopvang een overzicht moet verstrekken waaruit volgt bij welke woningcorporaties zij is ingeschreven en op welke plek zij momenteel staat. Zo gaf zij op de zitting aan dat zij in [plaats] al eens op nummer 3 was geëindigd. Ook moet verzoekster inzage geven in haar arbeidscontract en financiële situatie.
De voorzieningenrechter wijst erop dat het college de opvang mag beëindigen wanneer verzoekster niet meewerkt aan deze voorwaarden en zij gaat er vanuit dat het college die mogelijkheid ook zo nodig onderzoekt. De rechtbank heeft zo’n beëindiging ook wel eerder toegestaan.6
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten, omdat het verzoek wordt toegewezen. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, inhoudende dat verzoekster en haar kinderen zo snel mogelijk tot de noodopvang worden toegelaten, in ieder geval tot zes weken na de beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.