ECLI:NL:RBAMS:2026:9264

Datum uitspraak
18-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12236384 CV EXPL 26-7170
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering terugbetaling krediet/lening. Hoofdsom wordt toegewezen want gedaagde erkent te moeten betalen. De boeterente wordt gedeeltelijk toegewezen want rente over rente kan in dit geval niet. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat eiser niet heeft gesteld en onderbouwd dat gedaagde in verzuim was. De beslag- en proceskosten worden toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12236384 \ CV EXPL 26-7170

Vonnis van 18 september 2026

in de zaak van

SVEA CAPITAL B.V.,

gevestigd te Gouda,

eisende partij,

hierna te noemen: Svea,

gemachtigde: mr. J. Driessen,

tegen

[gedaagde] (VOORHEEN H.O.D.N. [handelsnaam gedaagde]),

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 mei 2026 met producties,

- het proces-verbaal van de rolzitting van 21 mei 2026 waarop [gedaagde] mondeling van antwoord heeft gediend,

- de betalingsbewijzen die de schuldhulpverlener van [gedaagde] op 21 mei 2026 heeft toegezonden,

- de aanvulling op het mondelinge antwoord van 4 juni 2026, met producties,

- het tussenvonnis van 2 juli 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 2 april 2025 hebben OPR-Finance B.V. (hierna: OPR) en eenmanszaak [handelsnaam gedaagde], destijds de eenmanszaak van [gedaagde], een kredietovereenkomst gesloten (hierna: de kredietovereenkomst). Het betreft een rekeningcourantkrediet met een limiet van € 15.000,00. Deze is aangegaan voor onbepaalde tijd. In de kredietovereenkomst staat onder andere het volgende:

“(…)

De leninggever en de leningnemer zijn op het moment van ondertekening van deze overeenkomst een rekening courantkrediet overeengekomen. De kredietlimiet is €15.000,00.

(…) De minimale opname is €200,00.

(…)

De leningnemer is verplicht het opgenomen krediet in maandelijkse termijnen af te lossen. De minimale maandelijkse aflossing bedraagt 4% van het opgenomen krediet met een minimum van €200,00 per maand. (…)

De leningnemer is een rente van 3.5% per maand verschuldigd over het opgenomen krediet.

(…)

Voor het gebruik van de kredietfaciliteit is leningnemer een opnamevergoeding van 3% van het opgenomen krediet verschuldigd.

(…)

Indien de leningnemer in gebreke blijft met enige betalingsverplichting onder, of in verband met, deze kredietovereenkomst of sprake is van een opeisingsgrond genoemd in artikel 12 of 13 van de Algemene Voorwaarden OPR-Bedrijfskrediet Flex dan is de leninggever onder meer gerechtigd om onmiddellijke aflossing van het opgenomen krediet, eventuele opnamevergoeding en (boete)rente te vorderen,

(…)”

2.2.

Op de kredietovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Daarin staat het volgende:

“(…)

5. Achterstallige betaling

Indien enig verschuldigd bedrag op grond van de kredietovereenkomst niet op de vervaldatum wordt betaald door de leningnemer, is de leningnemer verplicht boeterente te betalen over de totale achterstallige som vanaf de vervaldatum van de relevant factuur tot aan de betalingsdatum, ongeacht of de leninggever het OPR-Bedrijfskrediet Flex heeft opgeëist op grond van de kredietovereenkomst. De boeterente bedraagt 13,9% per jaar over het opgeëiste bedrag. Het opgeëiste bedrag bevat de volgende componenten: het resterend krediet, de maandrente van 5% over het opgenomen krediet tot het moment van opeising en de onbetaald gebleven opnamevergoeding van 3%.

Indien betaling uitblijft na verzending van (een) betalingsherinnering(en) dan kan de lening volledig worden opgeëist en in dat geval draagt de leninggever haar vordering op de leningnemer over aan een derde. Over het opgeëiste bedrag blijft boeterente van 13,9% per jaar verschuldigd en wordt incassokosten van 15% berekend, te verhogen met een bedrag gelijk aan de btw aangezien OPR zelf niet btw-plichtig is.

(…)

12. Opeising wegens betalingsachterstand

De leninggever heeft het recht het OPR-Bedrijfskrediet Flex, geheel of gedeeltelijk onmiddellijk en zonder rechtelijke tussenkomst op te eisen, indien de leningnemer aflossing van het opgenomen krediet of betaling van de opnamevergoeding, (boete)rente of andere kosten op grond van de kredietovereenkomst op een vervaldatum nalaat. OPR-Finance B.V., heeft het recht om bij een betalingsachterstand bij het opeisbaar stellen van de lening, om de eventuele nog lopende en niet vervallen facturen ook direct over te dragen. (…)”

2.3.

Op 10 mei, 10 juni, 10 juli, 10 augustus en 12 september 2025 hebben OPR (mei tot en met augustus) en Svea (september) facturen gestuurd voor maandelijkse termijnbetalingen, bestaande uit aflossing, vertragingsrente en rente.

2.4.

Op 22 augustus 2025 heeft Svea een e-mail gestuurd naar [gedaagde] waarin staat dat Svea per 13 augustus 2025 diverse bedrijfsactiviteiten van OPR heeft overgenomen, waaronder de kredietovereenkomst met [gedaagde]. Dit betreft de kredietovereenkomst (inclusief limiet en looptijd), de bijbehorende algemene voorwaarden, eventuele borgstellingen en alle andere rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen OPR en [gedaagde].

2.5.

Op 10 september 2025 heeft de schuldhulpverlener van [gedaagde] een bedrag betaald aan OPR van € 750,00.

2.6.

Op 8 oktober 2025 heeft de incassogemachtigde van OPR/Svea een e-mail gestuurd naar [gedaagde] waarin staat dat zij het gehele krediet opeist in verband met een betalingsachterstand. Het totale bedrag betrof, volgens de e-mail, € 16.900,52.

2.7.

Op 12 november 2025 hebben de schuldhulpverlener van [gedaagde] en de incassogemachtigde van OPR/Svea per e-mail contact gehad over een betalingsregeling. De regeling die tot stand is gekomen hield in dat er € 750,00 per maand zou worden afgelost.

2.8.

Op 13 november en 15 december 2025 heeft de schuldhulpverlener van [gedaagde] een bedrag van € 750,00 overgemaakt naar de incassogemachtigde van OPR/Svea.

2.9.

Op 4 maart 2026 heeft de schuldhulpverlener van [gedaagde] een brief gestuurd naar de incassogemachtigde van OPR/Svea met daarin een minnelijk voorstel om tegen finale kwijting een bedrag van € 1.377,82 te betalen, waarbij hij heeft geschreven dat een WSNP-situatie onvermijdelijk is als het niet komt tot een akkoord met de crediteuren. Svea is niet akkoord gegaan met het voorstel en heeft conservatoir beslag gelegd op het onverdeelde aandeel van [gedaagde] in het eigendom van de woning aan de [adres] te [plaats].

3 Het geschil

3.1.

Svea vordert - samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van

  1. € 18.010,54 tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de contractuele rente van 13,9% per jaar vanaf 6 april 2026 tot aan de dag der voldoening, uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgtocht,

  2. de proces-, beslag- en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis.

3.2.

De vordering van Svea is als volgt opgebouwd:

  • Saldo van de lening op 8 april 2026 € 14.650,52

  • Rente tot 6 april 2026 € 673,72

  • Buitengerechtelijke kosten € 2.686,30

Totaal € 18.010,54

3.3.

[gedaagde] erkent dat zij aan Svea moet betalen. Zij heeft toegelicht dat zij vanaf 2020 kampte met een gokverslaving, waardoor er problematische schulden zijn ontstaan, waaronder bij de Belastingdienst. Inmiddels is zij na behandeling van haar verslaving abstinent en gaat het beter. De schuldenproblematiek moet echter nog worden opgelost, waarvoor zij hulp krijgt van schuldhulpverlening.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De lening moet worden terugbetaald

4.1.

Svea heeft gevorderd dat [gedaagde] het restant van het opgenomen krediet aan haar terugbetaald, dat op 8 april 2026 € 14.650,52 bedroeg. [gedaagde] heeft erkend dat ze dat moet terugbetalen. Dat bedrag zal dus worden toegewezen.

De boeterente wordt gedeeltelijk toegewezen

4.2.

Svea heeft ook de contractuele vertragingsrente gevorderd op grond van de algemene voorwaarden. Daarin staat dat deze contractuele rente (Svea noemt dit een boeterente) 13,9% per jaar over het opgeëiste bedrag bedraagt. Het opgeëiste bedrag bestaat volgens de algemene voorwaarden uit het resterend krediet, de maandrente en de onbetaald gebleven opnamevergoeding. Volgens Svea is de boeterente tot 6 april 2026 € 673,72. Dat deel wordt toegewezen, want [gedaagde] heeft hier geen verweer tegen gevoerd.

4.3.

Svea heeft echter ook boeterente gevorderd over het totale bedrag van € 18.010,54, waar dus het bedrag van € 673,72 al in zit. Dat betekent dat zij rente over rente vordert. Dit kan alleen als dit tussen partijen is overeengekomen, en dat is hier niet het geval. Nergens in de overeenkomst of de algemene voorwaarden staat dat Svea gerechtigd is om boeterente over boeterente in rekening te brengen. Boeterente wordt immers niet genoemd als onderdeel van het “opgeëiste bedrag”. De boeterente van 13,9% per jaar vanaf 6 april 2026 wordt dus toegewezen over de hoofdsom van € 14.650,52 (en dus niet over € 18.010,54), tot de dag der voldoening.

De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen

4.4.

Tot slot heeft Svea een bedrag gevorderd van € 2.686,30 aan buitengerechtelijke incassokosten. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij op grond van de algemene voorwaarden recht heeft op buitengerechtelijke incassokosten van 15% over het opgeëiste bedrag (zie 4.2). Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Daartoe geldt het volgende.

4.5.

Buitengerechtelijke incassokosten kunnen alleen worden toegewezen als er sprake is van verzuim. De kantonrechter moet zelf nagaan of Svea aan haar stelplicht heeft voldaan en dus voldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat [gedaagde] in verzuim is gekomen.1 In dit geval heeft Svea niet gesteld dat [gedaagde] vanaf een bepaalde datum in verzuim is met het terugbetalen van het opgeëiste bedrag. Zij heeft wel verwezen naar de e-mail van 8 oktober 2025 waarin zij het restant van het krediet heeft opgeëist, maar daarin staat geen uiterste betaaldatum genoemd. Dat voldoet dus niet. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.

Beslag- en proceskosten

4.6.

Svea vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 368,18 voor kosten deurwaardersexploten, € 735,00 voor griffierecht en € 216,00 voor salaris gemachtigde (gelet op de overeenkomsten tussen het verzoekschrift en de dagvaarding 0,5 punt × € 432,00), totaal € 1.319,18.

4.7.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Svea heeft € 1.504,00 aan griffierecht betaald voor deze procedure. Zij heeft echter ook al € 735,00 aan griffierecht betaald voor het verzoekschrift conservatoir beslag. Bij het in rekening brengen van het griffierecht in de hoofdzaak is geen rekening gehouden met het al betaalde griffierecht voor het verzoekschrift conservatoir beslag. Dat deel van het griffierecht zal door de rechtbank aan Svea worden gecrediteerd. Dat betekent dat er nog € 769,00 betaald moet worden door [gedaagde] (€ 1.504,00 - € 735,00).

4.8.

De proceskosten van Svea worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

152,92

- griffierecht

€

769,00

- salaris gemachtigde

€

864,00

(2 punt × € 432,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.929,92

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Svea te betalen een bedrag van € 15.324,24, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 13,9% per jaar over € 14.650,52, met ingang van 6 april 2026, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.319,18, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.929,92, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak en te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling en te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

bepaalt dat een bedrag van € 735,00 aan griffierecht door de rechtbank aan Svea zal worden gecrediteerd,

5.5.

verklaart de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »