ECLI:NL:RBAMS:2026:9125

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/13/787769 / KG ZA 26-394
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Opzegging bancaire relatie. Geen recht op mondelinge beantwoording van de vragen, schriftelijke beantwoord passend naar de aard van de vragen en het verschaffen van onderliggende documentatie

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/787769 / KG ZA 26-394 EAM/EvK

Vonnis in kort geding van 21 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] (Frankrijk),

eisende partij bij dagvaarding van 19 mei 2026,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. P.H. Pijpelink,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ABN AMRO,

advocaat: mr. J.W. Achterberg.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft op 13 mei 2026 een kort geding aangevraagd, de datumbepaling voor de zitting is drie keer (vanwege omstandigheden) gewijzigd en uiteindelijk met instemming van partijen verplaatst naar 7 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 7 juli 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. ABN AMRO heeft, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord, verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiser] ook een pleitnota. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

  • [eiser] met mr. Pijpelink,

  • namens ABN AMRO: [naam 1] jurist, [naam 2], dossierbehandelaar, met mr. Achterberg.

Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft de Belgische nationaliteit. Hij is 77 jaar oud. Een groot deel van zijn werkzame leven heeft hij als bedrijfsarts gewerkt in Nederland. Na zijn pensionering is hij in Frankrijk gaan wonen. [eiser] bezit vastgoed, dat hij verhuurt.

2.2.

[eiser] was ruim veertig jaar klant bij ABN AMRO. Tot 10 maart 2026 hield hij diverse betaal- en spaarrekeningen (hierna: de betaalrekeningen) aan bij ABN AMRO. Op de bancaire relatie zijn de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: de ABV) van toepassing verklaard.

2.3.

In 2017 is [eiser] naar Frankrijk verhuisd wat tot gevolg had dat hij internationale klant werd. Op verzoek van ABN AMRO heeft [eiser] via een vragenformulier schriftelijk antwoord gegeven op diverse vragen. Ook heeft [eiser] toen een zogenoemd ‘Risk assessment form’ (hierna: RAF) ingevuld. Op basis daarvan was de conclusie van ABN AMRO op dat moment dat de klantrelatie duidelijk was en het risico neutraal.

2.4.

Begin 2025 is ABN AMRO een klantonderzoek gestart naar [eiser] vanwege ongebruikelijke bijschrijvingen en contante opnamen; in de periode van 15 maart 2024 tot en met 6 januari 2025 wordt in totaal € 230.000,- op zijn betaalrekening bijgeschreven van een Belgische rekening op naam van ‘[naam rekening]’, en in de periode 12 februari 2024 tot en met 7 maart 2025 wordt in totaal € 28.770 in contanten opgenomen van zijn betaalrekening.

2.5.

ABN AMRO heeft geprobeerd in maart 2025 telefonisch in contact te komen met [eiser], om toe te lichten dat zij vragen heeft in het kader van haar klantonderzoek, maar dat is niet gelukt. ABN AMRO heeft daarom bij brief van 19 maart 2025 vragen gesteld aan [eiser], die zij, na het uitblijven van een reactie, heeft herhaald bij brief van 2 april 2025.

2.6.

Op 3 april 2025 ontving ABN AMRO een briefje van [eiser] waarin hij geen antwoord gaf op de gestelde vragen, maar heeft geschreven: “Graag aanmaning AFZIEN van blokkering rekeningen / betaalpas. Motivatie: Mijn pensioen SVB en aanvullend pensioen NN is bij ABN AMRO ondergebracht.”

2.7.

Op 9 april 2025 heeft ABN AMRO nogmaals geprobeerd telefonisch contact te krijgen met [eiser], maar zij kreeg geen gehoor. ABN AMRO heeft daarom besloten om de betaalrekeningen tijdelijk te blokkeren. Op 14 april 2025 heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met ABN AMRO vanwege de blokkade. ABN AMRO heeft toen telefonisch enkele vragen met hem doorgesproken. [eiser] heeft toegelicht dat de bijschrijvingen afkomstig zijn van zijn Belgische betaalrekening en dat hij op zijn betaalrekening bij ABN AMRO huurinkomsten ontvangt van zijn Nederlandse vastgoed en dat hij ook vastgoed in België en Frankrijk heeft. De contante opnamen betreffen een aanvulling op zijn inkomen, voor dagelijks gebruik.

2.8.

Naar aanleiding van de antwoorden van [eiser] heeft ABN AMRO bij e-mail van 28 augustus 2025 laten weten dat zij haar klantenonderzoek voortzet. Op 3 september 2025 heeft ABN AMRO [eiser] geprobeerd te bellen en bleek hij (wederom) niet bereikbaar. ABN AMRO heeft bij brief van 3 september 2025 hem verzocht een belafspraak te maken en zijn aanvullende vragen gesteld. [eiser] heeft in reactie hierop verwezen naar zijn antwoorden die hij 14 april 2025 telefonisch heeft gegeven. ABN AMRO heeft vervolgens rappelbrieven met de (nieuwe) vragen gestuurd op 17 september, 19 september en 3 oktober 2025. In deze brieven staat telkens welke informatie en/of documenten ABN AMRO van [eiser] verlangt en hoe hij deze kan aanleveren: via Internetbankieren of de app, of per post naar het antwoordnummer. Deze brieven bleven onbeantwoord.

2.9.

Op 16 oktober 2025 heeft [eiser] ten kantore van ABN AMRO in [plaats], in gesprek met de heer [naam 3] (specialist vermogen bij ABN AMRO), mondeling toelichting gegeven op de gestelde vragen over zijn vermogen en vastgoed in Nederland en het buitenland. Die antwoorden heeft [naam 3] vastgelegd in een brief van 16 oktober 2025.

2.10.

Naar aanleiding van de door [eiser] gegeven toelichting heeft ABN AMRO bij brief van 23 oktober 2025 aanvullende vragen gesteld. ABN AMRO heeft [eiser] verzocht om haar per vastgoedobject te informeren over (1) de aankoopdatum, (ii) de koopsom en (iii) wijze van financiering (verdeling eigen vermogen/hypotheek). Ook heeft ABN AMRO hem gevraagd om toe te lichten welke maatregelen hij treft om de integriteit/moraliteit van de partijen waarmee hij zaken doet te waarborgen. [eiser] is verzocht om vóór 6 november 2025 de informatie en documenten te verstrekken.

2.11.

Op 3 november 2025 heeft [eiser] (kort) geantwoord, waarbij hij heeft verwezen naar zijn antwoorden van 14 april 2025 en 16 oktober 2025. Daarnaast heeft hij gevraagd om een uitnodiging voor een toelichting op kantoor.

2.12.

ABN AMRO heeft bij brief van 6 november 2025 de vragen van de brief van 23 oktober 2025 herhaald en verzocht vóór 20 november 2025 de informatie en documenten aan te leveren. Ook in deze brief staat hoe hij de informatie en/of documenten kan aanleveren: via Internetbankieren of de app, of per post naar het antwoordnummer.

2.13.

Op 10 december 2025 heeft ABN AMRO [eiser] per brief geïnformeerd dat zij de bancaire relatie opzegt per 10 februari 2026 omdat zij, wegens uitblijven van antwoorden van [eiser] op de door haar gestelde vragen, haar klantenonderzoek niet kan afronden. In de brief staat verder dat [eiser] binnen 14 dagen bezwaar kan maken tegen de beëindiging als hij het hier niet mee eens is, en verder: “De medewerkers van de bank zullen uw vragen met betrekking tot deze brief niet persoonlijk of telefonisch beantwoorden. Reageert u daarom uitsluitend schriftelijk en gebruik hiervoor bovenstaand adres. U krijgt binnen vier weken antwoord op uw brief.”

2.14.

[eiser] heeft vervolgens bij brieven van 22, 27 december 2025 en 5 januari 2026 verzocht om een fysieke afspraak met [naam 3] op het kantoor van ABN AMRO in [plaats].

2.15.

ABN AMRO heeft bij brief van 8 januari 2026 de ontvangst van deze brieven van [eiser] bevestigd en herhaald dat medewerkers van de bank zijn vragen met betrekking tot de brief niet persoonlijk of telefonisch zullen beantwoorden.

2.16.

Bij brief van 14 januari 2026 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de bancaire relatie. Verder staat in de brief dat uitstel/herziening van de opzegging noodzakelijk is omdat hij diverse partijen hierover moet berichten, voor zijn AOW de sociale verzekeringsbank (SVB), Nationale Nederlanden (NN) voor zijn pensioen en nutsbedrijven voor zijn huurders.

2.17.

Op 22 januari 2026 heeft ABN AMRO [eiser] bericht dat uitstel wordt verleend en de bancaire relatie per 10 maart 2026 zal worden beëindigd.

2.18.

[eiser] heeft hierna nog meerdere malen per brief contact gezocht met ABN AMRO en verzocht om een gesprek. ABN AMRO heeft hem niet uitgenodigd voor een gesprek, maar zond hem kopieën toe van eerdere verzonden brieven, waarin was toegelicht dat een gesprek met een medewerker niet mogelijk was.

2.19.

Op 4 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] ABN AMRO aangeschreven. In deze brief stond (onder meer) dat [eiser] zich tegen beëindiging van de bancaire relatie verzette, hij gedupeerd zou raken als deze zou worden beëindigd, hij de zaak in goed onderling overleg wilde regelen en ABN AMRO verzocht om contact op te nemen.

2.20.

Bij e-mail van 13 maart 2026 heeft ABN AMRO [eiser] bericht dat zij de klacht (het bezwaar) van [eiser] had onderzocht maar zij haar besluit niet zou wijzigen.

2.21.

Op 13 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] ABN AMRO verzocht om afgifte van het klantendossier van [eiser]. ABN AMRO antwoordde diezelfde dag dat [eiser] alle stukken had.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert (samengevat) bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. ABN AMRO te gebieden [eiser] opnieuw permanent, althans voor de duur van één (1) jaar, toegang tot zijn bankrekeningen te geven zodat hij die weer volledig kan gebruiken, onder meer door deze te kunnen raadplegen op afstand en betalingen te kunnen ontvangen en te kunnen doen, op straffe van een dwangsom;

II. ABN AMRO te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten;

III. kosten rechtens.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. ABN AMRO voert twee gronden aan voor opzegging van de bancaire relatie: het niet kunnen afronden van het klantenonderzoek (artikel 5 lid 3 Wwft) en haar contractuele opzeggingsbevoegdheid (artikel 35 ABV). ABN AMRO maakt ten eerste niet duidelijk op welke van deze gronden zij haar opzegging baseert. [eiser] stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van beide artikelen, zodat de opzegging onterecht is en ABN AMRO de relatie met haar moet voortzetten.

De opzegging op grond van artikel 35 ABV is onzorgvuldig en daarmee in strijd met artikel 2 ABV, de zorgplicht van de bank. Er heeft geen, dan wel geen zorgvuldige, belangenafweging plaatsgevonden. Ook de klachtenafhandeling van [eiser] tegen de opzegging van de bancaire relatie heeft ABN AMRO onzorgvuldig gedaan.

Ook de opzegging op grond van artikel 5 lid 3 Wwft kan geen stand houden. ABN AMRO heeft ten eerste niet aangegeven met welk doel zij het klantenonderzoek naar [eiser] heeft ingesteld en of hem dus terecht die vragen werden gesteld. Verder betwist [eiser] dat het onderzoek niet kon worden voltooid; hij werkte juist wel mee en was bereid en beschikbaar om vragen te beantwoorden. [eiser] heeft meerdere keren aangeboden om de vragen te beantwoorden tijdens een gesprek bij de vestiging van ABN AMRO in [plaats]. ABN wilde daar geen gebruik van maken, dat is haar keus, maar dan kan [eiser] niet worden tegengeworpen dat het klantenonderzoek niet kon worden afgerond. De opzegging is tot slot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar op grond van de volgende omstandigheden. In 2017 heeft ABN AMRO na het door [eiser] ingevuld RAF formulier nog geoordeeld dat het risico ‘neutraal’ was en in de acht jaar nadien is niets veranderd. Bovendien zijn de gevolgen van de opzegging voor [eiser] buitengewoon groot: hij lijdt grote schade door verlies van zijn bankrekening, want de SVB kan zijn AOW niet uitbetalen en NN zijn pensioen niet omdat hij geen Nederlandse bankrekening heeft, en andere banken willen geen bankrelatie met hem omdat hij in het buitenland woont.

3.3.

ABN AMRO voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Toetsingskader

4.1.

Een vordering tot voortzetting van een bankrelatie kan in kort geding worden toegewezen als voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van de eisende partij zal volgen en als van de eisende partij niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.2.

Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien.

4.3.

Op grond van artikel 35 van de ABV – die op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn – heeft de bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de zorgplicht van de bank die zij bij haar dienstverlening in acht moet nemen, waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen (artikel 2 lid 1 ABV). Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek; zie HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929).

Klantenonderzoek niet kunnen afronden (artikel 5 lid 3 Wwft)

4.4.

Ten eerste heeft ABN AMRO voldoende toegelicht waarom zij het klantenonderzoek naar [eiser] is gestart en hem de vragen zijn gesteld. Er waren (grote) bijschrijvingen en contante opnamen van zijn bankrekening (zie 2.4). [eiser] heeft een vastgoedportefeuille in Nederland, België en Frankrijk en ABN AMRO heeft toegelicht dat dat integriteitrisico’s met zich brengt. Daarom heeft zij daar vragen over gesteld. [eiser] heeft (uiteindelijk) mondeling toelichting gegeven op 14 april 2025 (zie 2.7) en 16 oktober 2025 (zie 2.9). ABN AMRO heeft daarna echter nog aanvullende, nieuwe vragen gesteld, over onder meer wanneer de vastgoedobjecten zijn aangekocht, wat de koopsom was en hoe de objecten zijn gefinancierd. Die vragen heeft [eiser] onbeantwoord gelaten. [eiser] heeft in reactie op deze vragen bij brief van 3 november 2025 gevraagd om een gesprek met een medewerker van ABN AMRO op het kantoor in [plaats] en verder niet inhoudelijk gereageerd op de vragen. ABN AMRO heeft daarom bij brief van 6 november 2025 de vragen herhaald. Het was wellicht handiger geweest als ABN AMRO in die brief van 6 november 2025 concreet afwijzend op het verzoek [eiser] tot het geven van een mondelinge toelichting had gereageerd en duidelijk had toegelicht dat de vragen nu alleen nog schriftelijk konden worden beantwoord, maar dat maakt niet dat door dit niet te doen, zij verkeerde verwachtingen heeft gewekt bij [eiser]. Uit de brief van 6 november 2025 blijkt namelijk wel voldoende hoe hij die vragen kon beantwoorden; via Internetbankieren of de app, of per post naar het antwoordnummer. Dat proces heeft (bovendien) ook al in alle brieven gestaan van ABN AMRO waarin zij vragen heeft gesteld aan [eiser], dus dit kon voor hem geen verrassing zijn. Daarnaast zijn de aan [eiser] voorgelegde vragen naar hun aard vragen die zich het best lenen voor schriftelijk beantwoording, met name waar het gaat om vragen met betrekking tot onderliggende documentatie. Dat kan nu eenmaal niet mondeling worden toegelicht. Daarvoor had [eiser] de schriftelijke onderbouwing moeten verstrekken zoals een koopovereenkomst of financieringsdocumentatie.

ABN heeft inderdaad in het begin van het klantenonderzoek de mondelinge toelichting van [eiser], die door een medewerker van ABN AMRO schriftelijk is vastgelegd, toegestaan. ABN AMRO heeft echter verduidelijkt ter zitting dat bij de start van klantenonderzoek eerst telefonisch contact wordt gezocht en een gesprek mogelijk is, maar dat vervolgens het schriftelijk traject van start gaat waarbij concrete onderbouwing nodig is van de klant door middel van documentatie. Bovendien moet ABN AMRO haar klantenonderzoek ook gedocumenteerd vastleggen, om dat nadien aan derden zoals de toezichthouder (DNB) en het OM inzichtelijk te kunnen maken. Dat brengt mee dat ABN AMRO geen genoegen kan nemen met slechts een mondelinge toelichting van haar klant aan haar relatiemanager op een bankfiliaal.

4.5.

Doordat het voor [eiser] voldoende duidelijk had moeten/kunnen zijn dat de vragen schriftelijk moesten worden beantwoord – en hij hier ook voldoende kans voor heeft gehad – maar desondanks de vragen onbeantwoord heeft gelaten, heeft ABN AMRO het klantenonderzoek niet kunnen afronden. Dat maakt dat ABN AMRO de bancaire relatie rechtmatig heeft opgezegd op grond van artikel 5 lid 3 Wwft.

Contractuele opzeggingsgrond (artikel 35 ABV) en belangenafweging

4.6.

Verder mocht ABN AMRO ook de bancaire relatie opzeggen op grond van artikel 35 ABV, vanwege de door haar toegelicht integriteitsrisico’s. Dat is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [eiser] heeft immers, onbetwist, nog een Belgische bankrekening bij BNP Paribas Fortis. Door beëindiging van de bancaire relatie met ABN AMRO wordt [eiser] dus niet van het betalingsverkeer afgesloten. Zijn stelling dat de SVB zijn AOW niet kan uitbetalen en NN zijn pensioen niet omdat dit geen Nederlandse bankrekening is, is onvoldoende. [eiser] heeft toegelicht ter zitting dat het inmiddels ook gelukt is dat zijn AOW (via de deurwaarder) aan hem wordt uitbetaald. Volgens [eiser] weigert NN om zijn pensioen op de Belgische bankrekening uit te betalen, maar dit is een blote stelling. [eiser] heeft dit niet met enige bewijs onderbouwd. ABN AMRO heeft dan ook betwist dat dit niet mogelijk zou zijn, zij heeft toegelicht dat dit via de website (eenvoudig) is aan te vragen.

Slotsom en proceskosten

4.7.

De conclusie is dan ook dat ABN AMRO de bancaire relatie met [eiser] mocht beëindigen. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.8.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »