ECLI:NL:RBAMS:2026:9118

Datum uitspraak
05-06-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/13/787615 / KG ZA 26-380
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering tot opschorting opzegging bankrelatie in prive tot arrest hof in andere zaak, aangaan zakelijke rekening met vennootschappen. Afgewezen onvoldoende onderbouwd en gebrek aan belang

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/787615 / KG ZA 26-380 MK/EvK

Vonnis in kort geding van 5 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats],

eisende partij bij dagvaarding van 12 mei 2026,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. H.J. Bos,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ABN,

advocaat: mr. B.W. Wijnstekers en mr. G.W.H. Katgert.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 22 mei 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. ABN heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: [eiser] met mr. Bos en mr. D. Hulsewé, en namens ABN [naam 1], [functie 1] en [naam 2] [functie 2] met mr. Wijnstekers en mr. Katgert, die beiden het woord hebben gevoerd. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1995 in privé klant bij ABN. [eiser] is werkzaam in de maritieme (defensie)sector.

2.2.

Sinds 2021 doet ABN uit hoofde van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) onderzoek naar het gebruik van de bankrekening van [eiser].

2.3.

Eind 2021 heeft ABN [eiser] bericht dat zij de bankrelatie zou beëindigen, omdat zij het klantonderzoek niet in positieve zin kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar wettelijke verplichtingen uit hoofde van de Wwft. [eiser] is toen een kort geding gestart. Die procedure is geëindigd in een minnelijke regeling, die inhield dat de bank de relatie met [eiser] zou voortzetten en [eiser] aanvullende informatie aan de bank zou verstrekken.

2.4.

Eind 2022 heeft [eiser] drie vennootschappen opgezet: [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. (hierna: de vennootschappen). [eiser] heeft ABN (volgens ABN vanaf oktober 2024) verzocht zakelijke rekeningen te openen voor deze vennootschappen.

2.5.

Naar aanleiding van die aanvragen heeft ABN verder klantenonderzoek verricht naar de zakelijke activiteiten van [eiser]. ABN heeft meerdere keren vragen gesteld aan [eiser] en er hebben meerdere keren besprekingen tussen partijen plaatsgevonden.

2.6.

Bij dagvaarding van 12 januari 2026 hebben [eiser] en de vennootschappen ABN gedagvaard en gevorderd dat ABN zou worden veroordeeld om zakelijke betaalrekeningen te openen voor de vennootschappen, te verklaren in welke interne- en/of externe registers ABN [eiser] en de vennootschappen had opgenomen en het volledige klantdossier van [eiser] en de vennootschappen te verschaffen.

2.7.

Bij brief van 16 januari 2026 heeft ABN de aanvraag van de zakelijke rekeningen van de vennootschappen definitief afgewezen.

2.8.

Op 21 januari 2026 vond de mondelinge behandeling in het kort geding plaats. Partijen hebben toen afgesproken om nogmaals in overleg te gaan. ABN heeft aanvullende vragen gesteld aan [eiser] en [eiser] heeft ten behoeve van een bespreking een notitie inclusief bijlagen opgesteld met beantwoording van de aanvullende vragen van ABN.

2.9.

Bij brief van 3 maart 2026 heeft ABN de definitieve afwijzing van de aanvraag van de zakelijke rekeningen van de vennootschappen herhaald, omdat het gros van de vragen volgens ABN nog steeds niet (onderbouwd) was beantwoord.

2.10.

Op 2 maart 2026 hebben [eiser] en de vennootschappen de voorzieningenrechter verzocht de mondelinge behandeling voort te zetten. Op 17 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen en op 31 maart 2026 is vonnis gewezen. In dit vonnis zijn (onder meer) de vorderingen van [eiser] en de vennootschappen tot het openen van zakelijke rekeningen voor de vennootschappen afgewezen.

2.11.

Bij brief van 14 april 2026 heeft ABN aangekondigd de bancaire relatie met [eiser] in privé te beëindigen per 15 juni 2026. In de brief heeft ABN toegelicht waarom zij tot dit besluit is gekomen. Hierin staat, voor zover relevant:

“(…) 7. Op dit moment zijn de Vennootschappen niet actief. De gelden die uiteindelijk binnenkomen op uw privérekeningen bij de Bank vinden hun oorsprong in uw ondernemingsactiviteiten in (voornamelijk) Pakistan. Naar die ondernemingsactiviteiten heeft de Bank in het kader van de aanvraag voor de zakelijke rekeningen van de Vennootschappen onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek is voor de Bank gebleken – hetgeen door de voorzieningenrechter in het Vonnis is gesanctioneerd – dat (onder andere) de herkomst van de middelen onvoldoende kon worden vastgesteld (zie ook hierna in hoofdstuk 2). Daarnaast constateerde de Bank nog andere Wwft- en integriteitsrisico’s ten aanzien van uw ondernemingsactiviteiten.

8. Na het klantenonderzoek en een grondige beoordeling moet de Bank u daarom helaas meedelen dat zij niet aan verplichtingen uit hoofde van de Wwft kan voldoen, waardoor zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht is omde bancaire relatie met u te beëindigen. De Bank kan verder ook niet vaststellen dat u voldoet aan het Defensiebeleid. Het Defensiebeleid is het resultaat van toezichtrechtelijke verplichtingen op de Bank om weloverwogen beleid te formuleren voor ESG-risico’s en dit beleid strikt toe te passen op nieuwe en bestaande klanten, waardoor zij tevens de relatie met u moet opzeggen. Afsluitend heeft de Bank op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden een ongeclausuleerde bevoegdheid om de bancaire relatie met u te beëindigen. Zij hoeft daar in beginsel geen redenen voor te geven.

(…)

2.1.

Onvoldoende inzicht in de aard en opbouw van de zakelijke activiteiten

12. Zoals nader toegelicht in paragraaf 2.1. van de Brief [de definitieve afwijzing

van de zakelijke bankrekeningen van 3 maart 2026, vzr.] brengt de context van uw zakelijke activiteiten integriteits-, sanctie- en dual-use risico’s met zich mee en is het daarom voor de Bank noodzakelijk om een contractuele en feitelijke onderbouwing te zien van de rol en aard van uw zakelijke activiteiten. In reactie hierop heeft u gesteld geen documentatie te kunnen leveren vanwege “mondelinge” non-disclosure agreements (hierna: “NDA”). U heeft desgevraagd geen verifieerbaar bewijs voor dergelijke NDAs aangeleverd.

(…)

2.5

Conclusie

18. De Bank heeft ondanks meerdere en opbouwende verzoeken te beperkt inzicht in de zakelijke activiteiten, zakelijke inkomsten en mitigerende maatregelen van uw onderneming. De Bank kan daarom niet beoordelen of u passende maatregelen treft om de (potentiële) integriteits-, sanctie- en dual-use risico’s waaraan u bent blootgesteld voldoende te mitigeren. De Bank kan als gevolg hiervan niet aan haar wettelijke verplichtingen uit hoofde van art. 3 lid 2 sub c en d Wwft voldoen, hetgeen ertoe leidt dat de Bank de bancaire relatie met u moet opzeggen (art. 5 lid 3 Wwft). Bovendien voldoet u niet aan het Defensiebeleid van de Bank en is voorzienbaar dat u daar ook niet aan zult voldoen. De Bank is op grond van toezichtrechtelijke eisen verplicht om het Defensiebeleid na te leven en uit dien hoofde de bancaire relatie te beëindigen. Verder is het haar in elk geval op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden toegestaan om de bancaire relatie op te zeggen. (…)”

2.12.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 20 april 2026 appel ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 31 maart 2026. Het hof behandelt dit als een spoedappel. ABN heeft op 26 mei 2026 haar memorie van antwoord ingediend. Er is nog geen mondelinge behandeling bepaald.

2.13.

Op 5 mei 2026 heeft de advocaat van [eiser] ABN verzocht om de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé op te schorten totdat in het spoedappel arrest is gewezen. ABN heeft dit verzoek op 7 mei 2026 afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. ABN te bevelen om de bancaire relatie met [eiser] op gelijke voet en zonder nadere voorwaarden voort te zetten, totdat het door het hof Amsterdam in de zaak met nummer 200.368.016/01 te wijzen arrest in kracht gewijsde zal zijn gegaan;

II. ABN te veroordelen in de reële kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Totdat het arrest van het hof in het spoedappel over de aanvraag van de zakelijke rekeningen van de vennootschappen in kracht van gewijsde is gegaan, dient ABN de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé op te schorten. Deze opzegging houdt namelijk verband met het spoedappel. Het betreft dezelfde wederpartij (ABN) en het gaat over dezelfde door ABN aangevoerde argumenten voor het niet openen van de zakelijke rekeningen en de beëindiging van de bancaire relatie met [eiser] in privé: integriteitsrisico, risico op reputatieschade, herkomst van vermogen, sanctierisico en onvoldoende meewerken aan klantenonderzoek. ABN probeert [eiser] financieel kalt te stellen, door haar zelfs haar privébankrekening te ontnemen, lopende het spoedappel. [eiser] heeft een zwaarwegend belang bij behoud van haar bankrekening, nu dit haar enige bankrekening is. Dat belang van [eiser] is groter dan het belang van ABN om nu op korte termijn de bancaire relatie op te zeggen, omdat ABN immers zelf ook lang over het klantenonderzoek heeft gedaan.

3.3.

ABN voert verweer. De met de zakelijke activiteiten door [eiser] (voor het grootste deel) in Pakistan gegenereerde inkomsten komen uiteindelijk bij [eiser] terecht op de bankrekening van [eiser] in privé bij ABN. Daarom is het klantenonderzoek naar de zakelijke activiteiten van [eiser] ook relevant voor [eiser] in privé. ABN heeft haar klantenonderzoek naar [eiser] niet kunnen afronden omdat ABN onvoldoende inzicht heeft in de aard en opbouw van de zakelijke activiteiten en de herkomst en opbouw van de zakelijke inkomsten van [eiser]. [eiser] heeft ondanks meerdere vragen onvoldoende inzicht gegeven over haar zakelijk netwerk en de concrete eindproducten waarin zij bemiddelt. ABN is daarom op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht om de bancaire relatie op te zeggen. ABN hoeft het arrest van het hof in spoedappel niet af te wachten, maar moet, op grond van de Wwft, terstond de bancaire relatie opzeggen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat hier om door [eiser] gevorderde voorlopige voorzieningen. Die zijn toewijsbaar als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter die zal toewijzen en als van [eiser] niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook steeds af van een afweging van de belangen van partijen.

4.2.

De vordering van [eiser] houdt niet in dat beoordeeld moet worden of de opzegging van de bancaire relatie van [eiser] in privé terecht is, maar behelst (alleen) de vraag of ABN deze opzegging moet opschorten tot het hof arrest heeft gewezen in het spoedappel over de aanvraag van de zakelijke rekeningen van de vennootschappen.

4.3.

Uitgangspunt is dat ABN de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé voorshands voldoende heeft onderbouwd. Dit volgt uit de opzeggingsbrief van 14 april 2026 en [eiser] heeft geen concreet verweer gevoerd dat ziet op het niet juist zijn van de opzegging.

4.4.

ABN is niet gehouden deze opzegging op te schorten tot het arrest in spoedappel over de aanvraag van de zakelijke rekeningen van de vennootschappen. Daarvoor bestaat geen rechtsregel en ook een belangenafweging leidt niet tot die door [eiser] gewenste uitkomst. Dit wordt hierna toegelicht.

4.5.

Hoewel de afwijzing van de aanvragen van de zakelijke rekening van de vennootschappen (deels) ziet op dezelfde feiten als de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé, betreft het twee verschillende juridisch kaders. De opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé ziet namelijk op een al bestaande relatie die wordt opgezegd en ten aanzien van de vennootschappen heeft ABN (nog) geen bancaire relatie en is de vraag of zij die moet aangaan. Dat de uitkomst van het spoedappel gevolgen heeft voor de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé staat dus niet vast. Zelfs als de beslissing in het spoedappel een ander licht werpt op de feiten waarop ABN de aanvraag van de vennootschappen heeft afgewezen, is niet gezegd dat de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] in privé geen standhoudt. Die opzegging is mede gebaseerd op het niet kunnen afronden van klantonderzoek, ondanks dat [eiser] meermaals in de gelegenheid is gesteld nadere informatie te verstrekken. Waarom dit punt anders wordt na de beslissing in het spoedappel is niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Overigens is het bij dit alles ook nog maar de vraag in hoeverre er in een spoedappel van een kort geding meer helderheid komt over onderliggende feiten.

4.6.

Een belangenafweging maakt het voorgaande niet anders. [eiser] heeft aangevoerd dat haar belang zwaarder moet wegen dan het belang van ABN bij handhaving van de opzegging omdat zij reeds 31 jaar klant is bij ABN en zij geen andere bankrekening heeft. Dit is echter een onvoldoende zwaarwegend belang. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting gezegd dat zij niet heeft geprobeerd om ergens anders een bankrekening aan te vragen dus staat niet vast dat zij niet elders kan bankieren. Het belang van ABN weegt bovendien in dit geval zwaarder omdat de Wwft van haar vereist dat zij de bancaire relatie beëindigt als zij het klantenonderzoek niet kan afronden. Dat is mede daarom van groot belang omdat de gelden die binnenkomen op de privérekening van [eiser] hun oorsprong vinden in de ondernemingsactiviteiten waar ABN onvoldoende inzicht in heeft gekregen. Het klopt ten slotte dat het klantenonderzoek lang heeft geduurd, maar ABN heeft voldoende toegelicht dat de reden hiervoor is dat het onderzoek zich heeft verplaatst naar de vennootschappen toen zij een verzoek deden tot het openen van zakelijke rekeningen.

4.7.

De conclusie is dan ook dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

4.8.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »