ECLI:NL:RBAMS:2026:8736

Datum uitspraak
03-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
AMS 25/6221
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eigen bijdrage, bezwaar n-o wegens termijnoverschrijding, toetsing aan nieuwe rechtspraak, bezwaar ten onrechte n-o verklaard, verschoonbaarheid, beroep gegrond

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/6221

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas),

en

het CAK , verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Bij het primaire besluit I van 16 januari 2024 heeft verweerder de eigen bijdrage voor beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 vastgesteld met ingang van januari 2024 op € 1.407,80 per maand.

1.1.

Bij het primaire besluit II van 14 januari 2025 heeft verweerder de eigen bijdrage voor beschermd wonen op grond van de Wmo vastgesteld met ingang van januari 2025 op

€ 1.525,35 per maand.

1.2.

Bij het primaire besluit III van 15 januari 2025 heeft verweerder de eigen bijdrage voor beschermd wonen op grond van de Wmo herzien met ingang van januari 2023 op

€ 2.652,40 per maand.

1.3.

Eiser heeft op 27 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

1.4.

Met het bestreden besluit van 23 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.5.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: gemachtigde van eiser. De gemachtigde van verweerder is met kennisgeving niet verschenen. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.7.

Na de zitting heeft de rechtbank bij beslissing van 16 juni 2026 het onderzoek heropend. De rechtbank heeft verweerder de gelegenheid gegeven om binnen twee weken te reageren op de door de gemachtigde van eiser op de zitting overgelegde stukken. Het gaat om een verklaring van eiser van 8 juni 2026 en een proces-verbaal van de zitting van

19 januari 2026 bij het Gerechtshof Amsterdam met als bijlage een schikkingsovereenkomst tussen eiser en verweerder van 19 januari 2026. Verweerder heeft niet gereageerd.

1.8.

Bij brief van 15 juli 2026 heeft de rechtbank partijen kenbaar gemaakt voornemens te zijn het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten. Bij brief van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?

2. Eiser kampt met ernstige psychiatrische problematiek en woont in een zorgappartement van [zorginstelling] (beschermd wonen). Daarvoor dient eiser een eigen bijdrage te betalen. Eiser betaalt deze bijdrage niet. De schuld aan verweerder is inmiddels opgelopen tot € 157.708,16. Hierover liep een civiele procedure bij het Gerechtshof Amsterdam en eisers gemachtigde stond eiser hierin bij. In deze procedure zijn partijen tot een schikking overeengekomen.

2.1.

Op 27 juni 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I, II en III over de hoogte van de eigen bijdrage over de jaren 2023 tot en met 2025. Bij brief van

22 juli 2025 heeft verweerder de gemachtigde van eiser gevraagd om voor 5 augustus 2025 te vertellen wat de reden is voor de termijnoverschrijding in bezwaar. De bezwaartermijn is namelijk zes weken, op grond waarvan eiser respectievelijk uiterlijk 27 februari 2024,

25 februari 2025 en 26 februari 2026 bezwaar had moeten maken tegen de primaire besluiten. Op 4 augustus 2025 heeft de gemachtigde van eiser telefonisch gevraagd om de termijn te verlengen in verband met vakantie. Verweerder heeft de termijn daarop verlengd tot en met 5 september 2025.

2.2.

Op 4 september 2024 ontving verweerder een e-mailbericht van de gemachtigde van eiser dat hij eiser niet meer bijstaat in de procedure. Op 5 september 2025 heeft eiser een drietal e-mailberichten aan verweerder gezonden met medische stukken, waaronder verklaringen van zijn huisarts uit 2024, twee verklaringen van [bedrijf] uit 2021 en 2022 en een verklaring van [zorginstelling] van 23 februari 2024. Op 9 september 2025 heeft verweerder de gemachtigde van eiser - op zijn verzoek - bericht dat de e-mailberichten van eiser in goede orde zijn aangekomen. Op 15 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser verweerder met klem verzocht om toekomstige berichten aan eiser per e-mail te doen toekomen.

Het bestreden besluit

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen verschoonbare reden naar voren heeft gebracht voor de termijnoverschrijding in bezwaar. Vanuit eisers voormalige gemachtigde is geen schrijven ontvangen waaruit blijkt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarom heeft verweerder het bezwaar tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Oordeel van de rechtbank

4. In beroep voert eiser aan dat zijn bezwaar tegen de primaire besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De termijnoverschrijding is volgens eiser verschoonbaar in verband met bijzondere omstandigheden. Eiser is 75 jaar oud en kampt met tal van medische aandoeningen die hem ernstig belemmeren in basale taken en handelingen van bestaan. Het is ook om die reden dat hij al jaren verblijft in een zorgappartement van de [zorginstelling] . Er is sprake van ernstig psychisch en psychosomatisch lijden, dat zich uit in onder andere en met name een complexe posttraumatische stressstoornis (CPTSS), burn-outs, angststoornissen, depressies, insomnia en een totaal verstoord dag- en nachtritme. Eiser is dusdanig uitgeput en oververmoeid, dat het voor hem moeilijk is om überhaupt te kunnen functioneren, laat staan om op belangrijke, complexe en of urgente zaken te kunnen reageren dan wel deze te regelen. Verder stelt eiser dat hij pas van de primaire besluiten op de hoogte is geraakt nadat verweerder deze primaire besluiten heeft ingebracht in de civiele zaak. Ook de gemachtigde van eiser was niet bekend met de primaire besluiten totdat deze door verweerder in de civiele procedure waren ingebracht op 13 juni 2025. Eiser heeft daarna zelf, op advies van zijn gemachtigde, op 27 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. De gemachtigde van eiser heeft voor de zekerheid ook op 27 juni 2025 bezwaar gemaakt, ook al was hij niet betrokken in deze bestuursrechtelijke kwestie. Op één bestuursrechtelijke kwestie na, was de gemachtigde enkel betrokken bij de civiele kwestie. Het voert te ver om de gemachtigde, die eiser initieel enkel bijstond in de civiele procedure, gehouden te achten aan de verplichting om zonder meer ook kwesties op een ander terrein op te pakken. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij vanaf de beroepsprocedure in deze zaak weer betrokken is als gemachtigde namens eiser. Eiser heeft in beroep een akte overgelegd die verweerder heeft ingebracht bij het Gerechtshof Amsterdam in juni 2025, waarin de drie primaire besluiten worden genoemd en ook bij de akte zijn toegevoegd als producties. Eiser wil hiermee aantonen dat hij pas op 13 juni 2025 bekend werd met de primaire besluiten en dat hij binnen zes weken daarna en daarmee tijdig bezwaar heeft gemaakt.

5. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat de gemachtigde van eiser zich op 6 december 2023 heeft gesteld in de civiele procedure tussen eiser en verweerder. In die procedure zijn enkel de beschikkingen over de berekeningen en vaststelling van de hoge eigen bijdrage voor beschermd wonen als producties overgelegd. Gelet op het voortdurend verblijf van eiser in de beschermd wonen instelling, had gemachtigde logischerwijs wel kunnen weten dat eiser voor de zorgjaren 2024 en 2025 ook een eigen bijdrage is verschuldigd aan verweerder. Eiser heeft zich sinds 6 maart 2024 laten bijstaan in een eerdere bezwaar- en beroepsprocedure tussen eiser en gemachtigde over besluiten betreffende de eigen bijdrage.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de gemachtigde daarmee redelijkerwijs met de omvang van het bestuursrechtelijk geschil bekend had moeten zijn. Vanwege het te laat indienen van het bezwaar door gemachtigde namens eiser, heeft verweerder gemachtigde met de brief van

22 juli 2025 verzocht de redenen hiertoe te geven voor 5 augustus 2025. Verweerder heeft deze termijn zelfs verlengd op verzoek van gemachtigde tot 6 september 2025. Voor verweerder was de juridische vraag relevant wat heeft gemaakt dat gemachtigde namens eiser niet eerder bezwaar heeft gemaakt terwijl hij redelijkerwijs met de inhoud van de bestreden beschikkingen bekend was of had kunnen zijn. Omdat gemachtigde op deze vraag niet meer heeft gereageerd (brief van 22 juli 2025), heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, aldus verweerder.

6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de primaire besluiten I, II en III. In geschil is de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De bewijslast dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, rust op eiser. Het is dus aan eiser om feiten en omstandigheden naar voren te brengen, en die te onderbouwen, die leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

6.1.

In de rechtspraak is de lijn over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding aangepast.2 Uit deze rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling geldt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. Als er een duidelijke verhindering was, is het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift niet verwijtbaar en kan dit niet aan de indiener worden toegerekend. Ook bij een geringe verwijtbaarheid is er nu ruimte om de termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, is voor het aannemen van verschoonbaarheid ook vereist dat het bezwaar- of beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In gevallen waarin een belanghebbende pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar- of beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, is die belanghebbende voortaan met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat als hij dat doet binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder een verschoonbare termijnoverschrijding had moeten aannemen. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.

6.3.

De redenering van verweerder dat de gemachtigde van eiser had kunnen weten dat verweerder besluiten over de eigen bijdrage over 2024 en 2025 had genomen, gelet op de inhoud van de civiele procedure en de eerdere rechtbankprocedure, volgt de rechtbank niet. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de primaire besluiten aan eiser per post zijn verstuurd en dat hij geen opdracht van eiser had ontvangen om hem bij te staan in een eventuele nieuwe bestuursrechtelijke geschillen over besluiten ten aanzien van de eigen bijdrage. De gemachtigde van eiser was slechts betrokken bij de civiele procedure van eiser en had alleen voor die procedure opdracht om eiser te vertegenwoordigen. De rechtbank is van oordeel dat van een advocaat die zich stelt in een civiele procedure niet zonder meer verwacht kan worden om bedacht te zijn op mogelijke lopende bestuursrechtelijke procedures en de bijbehorende bezwaar- en beroepstermijnen, ook al was de gemachtigde wel betrokken in een eerdere bestuursrechtelijke procedure over besluiten over de eigen bijdrage. Dat betekent niet dat zijn verantwoordelijkheid zo ver strekt dat hij bedacht moet zijn op opvolgende besluiten over de eigen bijdrage. De verantwoordelijkheid om zijn gemachtigde daarop te attenderen ligt bij eiser.

6.4.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de door eiser overgelegde medische stukken een ernstig psychiatrisch beeld van eiser blijkt, op grond waarvan sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser niet in staat was om eerder dan 27 juni 2025 bezwaar te maken tegen de primaire besluiten. Zo staat in de verklaring van de huisarts van 16 september 2024 dat eiser “een zeer beperkte draagkracht heeft als gevolg van brede ernstige emotionele, psychische, psychosomatische en somatische ziekten, en door grote en zelfs existentiële sociale en maatschappelijke problemen. Zijn GAF-score (Global Assessment of Functioning) bedraagt thans 15 à 25 van de 100 . Patiënt is sinds 2022 ingeschreven bij ons, maar uit zijn dossier blijkt dat zeer aannemelijk is dat deze beperkingen ook golden vanaf 2018 tot heden.” En in de verklaring van de psychiater van [bedrijf] uit 2022 staat: “Concluderend is er sprake van ernstige, therapie resistente persoonlijkheidspathologie met onvoldoende ziekte-inzicht en onvoldoende veranderwens. Daarnaast spelen verschillende andere psychische klachten, fors alcoholgebruik en somatische klachten. Er is tevens sprake van ernstige, al jarenlang bestaande en progressieve sociaal-maatschappelijke teloorgang.” Daarnaast blijkt uit de stukken dat eiser een hoarder is en uit het bezwaarschrift van eiser en de e-mails van eiser blijkt dat hij niet in staat is om zijn post open te maken en dat hij alleen zijn e-mail bekijkt. Ook beschikt hij niet over een Digid. In dat kader heeft de gemachtigde in de bezwaarfase verweerder met klem verzocht om berichten aan eiser per e-mail te doen toekomen. Ook nadat de gemachtigde van eiser zich had teruggetrokken in de bezwaarprocedure en eiser zelf op 5 september 2025 naar verweerder had gemaild met medische stukken, nam de gemachtigde van eiser contact op met verweerder om na te gaan of de e-mails van eiser door verweerder goed waren ontvangen.

6.5.

Gelet op het voorgaande en het feit dat de primaire besluiten slechts per post aan eiser zijn verstuurd - dat heeft verweerder niet betwist - acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser met de primaire besluiten niet eerder bekend is geworden dan 13 juni 2025. Dat is de datum dat verweerder de primaire besluiten had ingebracht in de civiele procedure, waarna eiser zelf en zijn gemachtigde op 27 juni 2025 bezwaar hebben gemaakt tegen de primaire besluiten. Dat is binnen zes weken nadat eiser bekend werd met de primaire besluiten.

6.6.

Dat betekent dat verweerder ten onrechte tot een niet-ontvankelijkverklaring is overgegaan wegens termijnoverschrijding.

7. De rechtbank wil overigens nog het volgende opmerken. In de tussen eiser en verweerder gesloten schikkingsovereenkomst in de civiele procedure is de mogelijkheid van heroverweging opgenomen ten aanzien van alle besluiten over de hoogte van de eigen bijdrage genomen door verweerder vanaf 2016 in het geval een herziening/aanpassing plaatsvindt van de inkomens- of andere gegevens door de Belastingdienst over een betreffend peiljaar. Dat betekent dat eiser nog alle besluiten aangaande de eigen bijdrage kan aanvechten met de gegevens van de Belastingdienst in de hand, ongeacht bezwaartermijnen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.

9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »