ECLI:NL:RBAMS:2026:7341

Datum uitspraak
25-06-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/13/789360
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Gedaagde wordt bevolen om de executie van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen te staken en gestaakt te houden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/789360 / KG ZA 26-512 EAM/KH

Vonnis in kort geding van 25 juni 2026

in de zaak van

THOMASSEN ENERGY B.V.,

te Rheden,

eisende partij bij dagvaarding op verkorte termijn van 15 juni 2026,

hierna te noemen: TEN,

advocaten: mr. M.J. Odink en mr. M.B. van Oostrum,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),

domicilie kiezende te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A.W. Hooijen.

1 De procedure

Ter zitting van 22 juni 2026 heeft TEN de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens [gedaagde] is verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties ingediend en een pleitnota voorgedragen. Vonnis was bepaald op 26 juni 2026, maar is vervroegd naar vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:

  • namens TEN: mr. Odink en mr. Van Oostrum,

  • namens [gedaagde] : mr. C.P.R. Vrakking en mr. G.P. Polders (kantoorgenoten van mr. Hooijen).

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 23 februari 2026 (hierna: het vonnis) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem onder meer voorshands geoordeeld dat TEN onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan over [gedaagde] . Dat heeft geleid tot onder meer de volgende uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissingen:

2.2.

(Afbeeldingen r.o. 5.2 en 5.3 uit genoemd vonnis)

De vermelde afbeeldingen zijn om privacy redenen verwijderd.

TEN heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

2.3.

[gedaagde] heeft het vonnis laten betekenen. Op het betekeningsexploot staat dat het vonnis op 27 februari 2026 om 11:11 uur is betekend aan het adres [adres] , waarbij afschrift is gelaten aan ‘een medewerker van de beveiliging die aldaar werkzaam is’. TEN is in het exploot onder meer aangezegd om binnen 24 uur de in het vonnis bepaalde rectificatie te versturen.

2.4.

Bij bericht van 5 maart 2026 om 16:06 uur heeft TEN de rectificatie verzonden aan de in het vonnis genoemde (rechts)personen, met kopie aan de advocaat van [gedaagde] .

2.5.

Bij brief van 8 juni 2026 aan TEN stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de rectificatie te laat is verzonden omdat deze uiterlijk 28 februari 2026 om 11:11 uur verzonden had moeten worden. Ook voldoet de rectificatie volgens [gedaagde] niet aan het vonnis, omdat de rectificatie niet ondertekend is en geen naam van een functionaris van TEN bevat. Hij verzoekt TEN binnen twee dagen alsnog een ondertekende rectificatie te verzenden, bij gebreke waarvan hij € 100.000 aan verbeurde dwangsommen in rekening zal brengen. Later is deze termijn verlengd. Als tijdig een ondertekende rectificatie volgt, zal hij € 50.000 aan verbeurde dwangsommen in rekening brengen voor het te laat versturen van de rectificatie. [gedaagde] kondigt executiemaatregelen aan bij uitblijven van betaling.

Tekst

3 Het geschil

3.1.

TEN vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

Primair

I. [gedaagde] te bevelen de executie van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom,

Subsidiair

II. [gedaagde] te bevelen de executie van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis te staken en gestaakt te houden boven een in goede justitie te bepalen bedrag, op straffe van een dwangsom,

III. [gedaagde] te bevelen voorafgaand aan het nemen van executiemaatregelen zekerheid te stellen ten behoeve van TEN voor een bedrag gelijk aan het bedrag van de executiemaatregelen, op straffe van een dwangsom,

In alle gevallen

IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding gaat het in de kern om de vraag of TEN (tijdig) heeft voldaan aan het vonnis en of zij, indien dat niet het geval is, dwangsommen is verbeurd.

4.2.

De vraag die partijen in dat verband verdeeld houdt is of het vonnis rechtsgeldig is betekend op 27 februari 2026. Volgens TEN is dat niet het geval, omdat ten onrechte is betekend aan het adres op nummer 8a, terwijl zij is gevestigd op nummer 8d. Bovendien is het exploot gelaten aan een beveiligingsmedewerker die niet voor TEN werkt, maar voor het bedrijf dat gevestigd is op nummer 8a.

4.3.

Volgens [gedaagde] is wel aan het juiste adres betekend. In dat kader zijn twee door hem overgelegde foto’s relevant:

4.4.

Op de eerste foto zijn twee panden met ieder een eigen ingang te zien. Op het rechterpand staat groot ‘Thomassen Energy’ afgebeeld. Op de tweede foto is te zien dat op het linkerpand de nummers 8A, 8C en 8D staan en dat op het bord naast het linkerpand onder meer het logo van Thomassen Energy staat. Uit een verklaring van de deurwaarder blijkt dat hij in het linkerpand naar binnen is gegaan, zich bij de beveiliger achter de balie heeft gemeld met het exploot voor TEN en dat de beveiliger deze in ontvangst heeft genomen en heeft gezegd dat dit goed terecht zou komen. Uit de verklaring van de ‘head of legal’ van TEN blijkt echter dat zij het exploot pas op 5 maart 2026 heeft ontvangen en dat daaraan nog diezelfde dag gehoor is gegeven door de rectificatie uit te sturen.

4.5.

Hoewel niet duidelijk is wat er tussen 27 februari en 5 maart 2026 met het exploot is gebeurd en op welke wijze dit bij TEN terecht is gekomen, gaat de voorzieningenrechter er – gelet op de verklaring van de head of legal – van uit dat het exploot pas op 5 maart 2026 bij TEN terecht is gekomen. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het standpunt van [gedaagde] dat dwangsommen zijn verbeurd, niet redelijk. Daarvoor is relevant dat [gedaagde] pas voor het eerst op 8 juni 2026 een bericht heeft gestuurd dat TEN te laat was. Als het voor [gedaagde] belangrijk was geweest dat de rectificatie direct op 28 februari 2026 had plaatsgevonden, had het op zijn weg gelegen zich daar eerder over uit te laten en niet te wachten totdat het maximum van de te verbeuren dwangsommen was volgelopen en daarna nog maanden te wachten met de opeising van de dwangsommen. Daarmee schieten de opgelegde dwangsommen hun doel voorbij. Dat geldt temeer omdat TEN, zodra zij op de hoogte was van het exploot, binnen vijf uur een rectificatie heeft verzonden. Ook is niet aannemelijk dat [gedaagde] er enig nadeel van heeft ondervonden dat de rectificatie uiteindelijk op 5 maart 2026 is verzonden.

4.6.

Dat TEN ook dwangsommen zou zijn verbeurd omdat de rectificatie niet ondertekend is en geen naam van een functionaris van TEN bevat, is geen voorwaarde die uit het vonnis volgt en is overigens ook een vergezocht standpunt van [gedaagde] . Ook uit dien hoofde zijn dus geen dwangsommen verbeurd.

4.7.

Gelet op voorgaande wordt de primaire vordering van TEN toegewezen. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TEN worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

126,46

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.227,46

4.8.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [gedaagde] om de executie van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 23 februari 2026, te staken en gestaakt te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan TEN een dwangsom te betalen van € 10.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 5.1 gegeven bevel, tot een maximum van € 100.000 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.227,46, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »